Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201608970/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de door de stichting gestelde overtreding van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: het Bbk) inzake het aan- en afvoeren van grond op de locatie Golfbaan De Kroonprins.

Wetsverwijzingen
Besluit bodemkwaliteit
Besluit bodemkwaliteit 5
Besluit bodemkwaliteit 35
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/764 met annotatie van Van der Meijden
AR 2017/6028
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7711
AR 2018/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608970/1/A1.

Datum uitspraak: 15 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Groene Hart en Stichting Buiten Gezond in Vianen, gevestigd te Woerden onderscheidenlijk Vianen (hierna tezamen en in enkelvoud: de stichting),

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vianen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de door de stichting gestelde overtreding van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: het Bbk) inzake het aan- en afvoeren van grond op de locatie Golfbaan De Kroonprins.

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft het college het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Vicus Bomba B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. de Kort, mr. M. Tekfaoui en mr. M. de Jong, zijn verschenen. Voorts is Vicus Bomba, vertegenwoordigd door mr. G.M. Kool, advocaat te Waverveen, en [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De stichting heeft een verzoek om handhaving ingediend bij het college bij brief van 10 december 2014. De stichting verwijst daarin naar het op 19 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Golfbaan De Bolgerijsche" waarin is geregeld dat een hoeveelheid grond van 100.500 m3 wordt aangevoerd van buiten het plangebied. Volgens de stichting moet de grond van buiten het plangebied voldoen aan de richtlijnen terzake en dat houdt in dat de aan te voeren grond, gezien de kwaliteit van de grond ter plaatse, moet voldoen aan de kwaliteitseisen van klasse AW2000/schoon. Het aanvoeren van kwaliteitsklasse W(wonen) of I(industrie) door Vicus Bomba is volgens de stichting in strijd met het Bbk. De 57 aangeleverde partijen zijn volgens de stichting beoordeeld als grond van de kwaliteit industrie en zij vreest dat de gebiedsvreemde grond zorgt voor negatieve gevolgen voor de bodemflora en -fauna. De stichting verzoekt het college handhavend op te treden tegen het aanvoeren van meer gebiedsvreemde grond en verzoekt te gelasten dat alle tot dusver aangevoerde grond wordt afgevoerd.

2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de toe te passen grond ter plaatse van de in aanleg zijnde golfbaan dient te voldoen aan de kwaliteitsklasse AW2000/schoon. Daarnaast is een melding gedaan voor de aanleg van een zogenoemde grootschalige bodemtoepassing. Volgens het college voldoet de geplande zichtwal aan de eisen die zijn gesteld in artikel 63 van het Bbk voor een grootschalige bodemtoepassing. Volgens het college is het toegestaan om in de kern van een dergelijke toepassing grond te gebruiken van de kwaliteitsklasse industrie, mits de emmissiewaarden niet worden overschreden. Voor de leeflaag is overeenkomstig het gebiedsspecifieke beleid grond van de kwaliteit AW2000 gebruikt. Volgens het college voldoen de aangevoerde partijen grond aan deze normen.

    Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de grond in overeenstemming met het Bbk is aangevoerd en er derhalve geen overtreding bestaat op grond waarvan tot handhavend optreden dient te worden overgegaan.

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de aangehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beroep van de stichting

4.    De stichting betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het storten van grond kan worden aangemerkt als een grootschalige bodemtoepassing als bedoeld in artikel 63 van het Bbk. Daartoe voert de stichting onder verwijzing naar de toelichting van het Bbk aan dat de zichtwal niet nodig is volgens gangbare maatstaven en derhalve geen sprake is van een nuttige toepassing, nu een golfbaan ook kan functioneren zonder zichtwal. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat de verhoging kan worden aangemerkt als geluidswal en daardoor een nuttige toepassing is, voert zij aan dat in het geheel geen geluidgevoelige objecten zijn gevestigd in de omgeving die tot het aanleggen van een geluidwal nopen, zodat in een dergelijk geval sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen. Volgens de stichting blijkt uit de op 14 januari 2014 gedane melding dat de stort van 180.000 m3 grond met de kwaliteitsklasse industrie en 40.000 m3 grond met de kwaliteitsklasse AW2000/schoon zal worden gebruikt als een gekantelde kavel.

4.1.    Het college stelt, zoals nader toegelicht ter zitting van de Afdeling, dat met de gerealiseerde wal een drietal hoofddoelen wordt nagestreefd, te weten het vanaf de golfbaan verminderen van zicht op rijksweg A27, het beschermen van gebruikers van de golfbaan tegen geluidsoverlast van het verkeer en het realiseren van glooiing in de golfbaan. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de aanleg van deze wal gebruik wordt gemaakt van grond die aangemerkt kan worden als afvalstof als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 5 van het Bbk van toepassing is op de aan de orde zijnde toepassing van grond. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat bij het toepassen van grond op het perceel een grotere hoeveelheid bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de voormelde toepassingen. Daarnaast wordt een afvalstof gebruikt ter vervanging van andere stoffen die anders zouden worden gebruikt om de wal te realiseren zodat, mede gelet de voormelde doeleinden, sprake van een nuttige toepassing.

    In hetgeen door de stichting is aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de toepassing van grond kan worden aangemerkt als een toepassing van grond in bouw- en wegconstructies waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder a, van het Bbk. Hierbij is van belang dat de aangelegde wal zal worden gebruikt ter beperking van geluidsoverlast van de aan de grens van het plangebied gelegen A27. In zoverre is sprake van een geluidswal. Weliswaar staat in de toelichting bij artikel 5 van het Bbk (nota van toelichting, blz. 140; Stb. 2007, 469) dat een geluidswal in een gebied zonder geluidsgevoelige objecten wordt gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen, maar nergens in het Bbk is bepaald dat eerst sprake is van een geluidswal als bedoeld in artikel 35 als daar geluidsgevoelige objecten aanwezig zijn in de omgeving. Nu sprake is van een toepassing als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder a, van het Bbk heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat in zoverre toepassing kan worden gegeven aan artikel 63 van het Bbk.

    Het betoog faalt.     

Aanvoer van grond

5.    Daarnaast betoogt de stichting dat de grond niet voldoet aan de daaraan gestelde grenswaarden, zodat eveneens sprake is van strijd met het Bbk. Voorts betoogt de stichting dat er aanwijzingen zijn dat er meer grond is aangevoerd dan de gemelde hoeveelheid grond van 180.000 m3.

5.1.    In hetgeen door de stichting is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat meer grond is gestort op het perceel en dat de gestorte grond niet voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 63 van het Bbk. Het college heeft het besluit, mede onder verwijzing naar de rapportages van de omgevingsdienst regio Utrecht ODRV, voldoende gemotiveerd.

    Het betoog faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Borman    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017

700. BIJLAGE

Wet milieubeheer

Artikel 1.1 van de Wet milieubeheer luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

[…];

nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;

Besluit bodemkwaliteit

Artikel 1 van het Bbk luidt:

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder ‘het toepassen van bouwstoffen in een oppervlaktewaterlichaam’ mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam mede verstaan het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.

Artikel 5 luidt:

1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:

a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing,

b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en

c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2. Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, geldt niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In afwijking van de artikelen 2 en 3 is Onze Minister het bevoegd gezag.

Artikel 35 luidt:

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:

a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;

b. […];

Artikel 63 luidt:

1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits

a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:

i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en

ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid;

iii. bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en

b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt aangebracht.

2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te bepalen gevallen.

3. De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.