Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3120

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201600842/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:14830, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 29 december 2014, onderscheidenlijk 11 maart 2015 heeft de minister de aanvragen van [appellanten] om Nederlandse paspoorten buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600842/1/A3.

Datum uitspraak: 15 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats] onderscheidenlijk te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2015 in zaken nrs. 15/4888 en 15/4887 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluiten van 29 december 2014, onderscheidenlijk 11 maart 2015 heeft de minister de aanvragen van [appellanten] om Nederlandse paspoorten buiten behandeling gesteld.

Bij separate besluiten van 26 mei 2015 heeft de minister de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2017, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.P. van der Vliet, advocaat te Baarn, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [vader] is op 20 januari 1941 geboren in Marokko. Nadat hij zich op 20 oktober 1964 in Nederland had gevestigd is aan hem bij Koninklijk Besluit nr. 90 per 27 augustus 1985 het Nederlanderschap verleend. De vader staat sinds 20 oktober 1964 ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie, thans: de Basisregistratie personen (hierna: de Brp), van de gemeenten Hilversum en Baarn. Blijkens de gegevens uit de Brp van de gemeente Baarn is de vader op 6 juni 1967 in Hilversum in het huwelijk getreden met [echtgenoot A]. Op 29 december 1989 is de vader in Marokko volgens Marokkaans (islamitisch) recht gehuwd met [echtgenoot B]. Het huwelijk met [echtgenoot A] is op 25 mei 1999 in Hilversum door echtscheiding ontbonden.

    Uit [echtgenoot B] (hierna: de moeder) is in Marokko op 21 november 1993 [appellant B] geboren en op 27 maart 1997 [appellant A]. Op 3 september 1997 is het huwelijk tussen de vader en de moeder door de arrondissementsrechtbank Amsterdam nietig verklaard, omdat [vader] niet de vereisten in zich verenigde om een huwelijk aan te gaan. De nietigverklaring is op 23 januari 1998 ingeschreven in de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Dit had geen gevolgen naar Marokkaans recht. Op 19 januari 2005 is het huwelijk in Marokko door verstoting ontbonden. Op 27 januari 2005 zijn de vader en de moeder in Marokko wederom met elkaar in het huwelijk getreden. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft het Nederlanderschap nimmer verkregen.

Besluitvorming

3.    De minister heeft de verzoeken van [appellanten] om afgifte van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellanten] niet door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap hebben verkregen, omdat zij zijn geboren staande een bigaam huwelijk. De vader was ten tijde van de geboortes immers getrouwd met [echtgenoot A] en met de moeder. Nu het huwelijk met [echtgenoot A] inmiddels is ontbonden, kan het huwelijk met de moeder vanaf die ontbinding in Nederland worden erkend. Dat betekent echter niet dat tussen de vader, die het bigame huwelijk heeft gesloten, en de kinderen, die staande het bigame huwelijk zijn geboren vóórdat dit huwelijk naar Nederlands recht kon worden erkend, een familierechtelijke betrekking is ontstaan. [appellanten] kunnen het Nederlanderschap dus niet aan [vader] ontlenen. Nu ook niet anderszins is gebleken dat zij in het bezit zijn van het Nederlanderschap kunnen de ingediende aanvragen voor een Nederlands paspoort niet in behandeling worden genomen, aldus de minister.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat [appellanten] zijn geboren staande een bigaam huwelijk, nu de vader ten tijde van hun geboortes getrouwd was met [echtgenoot A] en de moeder. Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat naar Nederlands conflictenrecht, artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), het tussen de vader en de moeder gesloten huwelijk niet als rechtsgeldig kan worden erkend, omdat erkenning van dit bigame huwelijk onverenigbaar is met de Nederlandse rechtsorde. De Nederlandse rechtsorde is voorts voldoende betrokken bij dat huwelijk, nu [appellanten] op grond van dat huwelijk hebben verzocht om afgifte van Nederlandse paspoorten. Gelet op het voorgaande kan het huwelijk geen basis bieden voor het bestaan van een familierechtelijke betrekking tussen de vader en [appellanten]. Het besluit van de minister is niet in strijd met artikel 8 of artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het Nederlandse recht biedt voldoende mogelijkheden om onder voorwaarden buiten een huwelijk geboren kinderen te erkennen ook wanneer de biologische vader gehuwd is. De rechtbank heeft ten slotte gewezen op de procedure als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN).

Hoger beroep

5.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijke betrekkingen tussen hen en de vader gelet op artikel 10:100 en 10:101 BW niet in de Nederlandse rechtsorde kunnen worden erkend. Zij voeren hiertoe allereerst aan dat de minister ten onrechte een voorafgaande conflictrechtelijke toets heeft uitgevoerd. Zij verwijzen hiertoe naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4394. Voorts voeren zij hiertoe aan dat, indien de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of het huwelijk in Nederland kan worden erkend van belang is voor de vraag of uit dat huwelijk naar Nederlands recht familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan, niet op voorhand vaststaat dat het huwelijk niet zou kunnen worden erkend. Volgens [appellanten] staat niets er aan in de weg om op de voet van artikel 12, tweede lid (lees: alinea), van het Verdrag inzake de voltrekking en erkenning van de geldigheid van huwelijken (Trb. 1987, 137, hierna: het Haags Huwelijksverdrag) bij de beantwoording van de vraag of het huwelijk in Nederland kan worden erkend aan te knopen bij het Marokkaanse recht. Van belang is tevens dat de vader en de moeder in 2005 zijn gescheiden en daarna opnieuw in het huwelijk zijn getreden. Erkenning van dit huwelijk is op geen enkele wijze onverenigbaar met de Nederlandse rechtsorde.

    Ten slotte betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat, nu het huwelijk tussen de vader en de moeder in Nederland dient te worden erkend, de uit het huwelijk ontstane familierechtelijke betrekkingen tussen hen en de vader in Nederland dienen te worden erkend. Dit betekent dat zij door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap hebben verkregen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de RWN. De rechtbank heeft voor de vaststelling van het Nederlanderschap ten onrechte verwezen naar de procedure als bedoeld in artikel 17 van de RWN, nu het op de weg van de minister had gelegen om daar zelf onderzoek naar te doen.

[appellanten] verwijzen daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4053. Voorts is de niet erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen hen en de vader in strijd met artikel 8 van het EVRM nu dit een diepe inbreuk is op hun familierelatie. De naar Marokkaans recht ontstane familierechtelijke betrekkingen tussen [appellanten] en de vader worden ten onrechte niet in de Nederlandse rechtsorde erkend. De vader heeft nooit de bedoeling gehad een bigaam huwelijk te sluiten. Daarbij komt dat [appellanten] daardoor geen gebruik hebben kunnen maken van hun Unieburgerschap. Zij wijzen voorts op artikel 1:77, tweede lid, van het BW dat voorkomt dat de nietigheid van een huwelijk de afstamming aantast. Hetzelfde zou moeten gelden voor onderhavige situatie. Indien dat niet zo is, is dit in strijd met artikel 14 van het EVRM, aldus [appellanten].

5.1.    In de uitspraak van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen.

    "De door de wetgever in het kader van de art. 10:100-101 BW beoogde uitschakeling van het conflictenrecht […] en het daaraan verbonden gevolg dat in dit verband geen sprake is van een conflictenrechtelijke voorvraag als bedoeld in de art. 10:4 BW en 10:33 BW […], laat onverlet dat bij de erkenning van buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten en rechtsverhoudingen op de voet van de art. 10:100-101 BW toepassing moet worden gegeven aan de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW. Daarbij is van belang dat art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW geen nadere invulling bevat van het in die bepaling gebezigde begrip ‘openbare orde’, en dat art. 10:101 lid 2 BW zich ertoe beperkt drie specifieke gevallen te vermelden waarin erkenning van een minderjarige in elk geval in strijd is met de openbare orde. Tegen deze achtergrond ligt in de rede dat bij de toepassing van de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW aansluiting wordt gezocht bij de andere bepalingen van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek waarin aan het begrip ‘openbare orde’ invulling wordt gegeven. Tot die andere bepalingen behoort ook art. 10:32 BW.

    […]

    […] De erkenning in Nederland van het in een buitenlandse geboorteakte neergelegde rechtsfeit van een door de geboorte van een kind tot stand gekomen familierechtelijke betrekking stuit af op kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, indien dat kind is geboren uit een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van art. 10:32 BW niet in Nederland wordt erkend."

Hoewel [appellanten] gelet op het voorgaande terecht hebben betoogd dat geen sprake kan zijn van een conflictrechtelijke toets en de rechtbank derhalve ten onrechte heeft verwezen naar artikel 10:33 van het BW leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt immers dat bij de erkenning van buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten en rechtsverhoudingen op de voet van artikel 10:100 en 10:101 van het BW toepassing moet worden gegeven aan de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:101, eerste en tweede lid, van het BW gelezen in samenhang met artikel 10:100, eerste lid, aanhef en onder c, van het BW. Hierbij dient te worden aangesloten bij hetgeen is bepaald in artikel 10:32 van het BW. Dit betekent dat familierechtelijke betrekkingen in Nederland niet kunnen worden erkend indien die zijn ontstaan uit een buiten Nederland tot stand gekomen huwelijk dat wegens strijd met de openbare orde niet in Nederland kan worden erkend.

    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bigame huwelijk van de vader en de moeder wegens strijd met de openbare orde niet in Nederland kan worden erkend en dat uit dat huwelijk naar Nederlands recht geen familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan tussen [appellanten] en de vader. Voor zover [appellanten] hebben betoogd dat op het huwelijk van de vader en de moeder het Haags Huwelijksverdrag van toepassing is, wordt overwogen dat toepassing van dat Verdrag niet leidt tot een ander oordeel. Hiertoe wordt verwezen naar artikel 11 en 14 van het Haags Huwelijksverdrag waaruit volgt dat een Verdragsluitende Staat de erkenning van een huwelijk kan weigeren indien één der echtgenoten op het tijdstip van dat huwelijk reeds was gehuwd of wanneer de erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de Verdragsluitende Staat.

5.2.    De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het niet erkennen van de familierechtelijke betrekkingen tussen [appellanten] en de vader in dit geval in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ervan uitgaande dat door het niet erkennen van de familierechtelijke betrekkingen een inmenging in het door artikel 8, eerste lid, van het EVRM beschermde recht op familieleven plaatsvindt, is hierbij allereerst van belang dat deze inmenging bij wet is voorzien. Hiertoe wordt verwezen naar artikel 10:101, eerste en tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 10:100, eerste lid, aanhef en onder c, van het BW. Voormelde artikelen dienen een legitiem doel. De artikelen sluiten aan bij artikel 10:32 van het BW op grond waarvan een buitenslands gesloten huwelijk niet kan worden erkend indien dit in strijd is met de openbare orde. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4783) is een bigaam huwelijk naar algemene in Nederland heersende maatschappelijke opvattingen in strijd met de goede zeden en de openbare orde. Ter bescherming van de goede zeden en de openbare orde worden een dergelijk huwelijk alsmede de daaruit ontstane familierechtelijke betrekkingen niet in Nederland erkend. Het niet erkennen van die familierechtelijke betrekkingen is derhalve gerechtvaardigd vanwege het daarmee nagestreefde legitieme doel en door het dringende maatschappelijke belang betrokken bij de handhaving van de openbare orde en de goede zeden. Voorts is het niet erkennen van die familierechtelijke betrekkingen proportioneel nu dit op effectieve en evenredige wijze bijdraagt aan dit doel. Dat een op grond van artikel 1:77, tweede lid, van het BW nietig huwelijk geen gevolgen heeft voor de afstamming en een bigaam huwelijk wel, heeft de rechtbank terecht niet in strijd met artikel 8 gelezen in samenhang met artikel 14 van het EVRM geacht. Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2453), is onderscheid slechts ongeoorloofd in de zin van artikel 14 van het EVRM, indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling ontbreekt. Dat is hier niet het geval. Nu autoriteiten in Nederland niet over de mogelijkheid beschikken om een huwelijk dat is gesloten buiten Nederland te vernietigen, heeft de wetgever ervoor gekozen een in het buitenland gesloten bigaam huwelijk, wegens strijd met de goede zeden en openbare orde, van rechtswege nietig te achten. De wetgever heeft aldus een objectief en gerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen een in Nederland en een in het buitenland gesloten bigaam huwelijk.

5.3.    Zoals de minister terecht heeft onderkend kunnen de familierechtelijke betrekkingen tussen [appellanten] en de vader evenwel inmiddels in Nederland worden erkend, omdat het bigame karakter aan het huwelijk tussen de vader en moeder is komen te ontvallen op 25 mei 1999 vanwege de ontbinding van het huwelijk met [echtgenoot A] door echtscheiding. De Hoge Raad heeft hierover in de uitspraak van 19 mei 2017 overwogen:

    "Indien aan een buiten Nederland gesloten huwelijk het polygame karakter is ontvallen en aldus niet langer sprake is van een beletsel als bedoeld in art. 10:32, aanhef en onder a, BW dat in de weg staat aan de erkenning van dat huwelijk, is daardoor ook niet langer sprake van een beletsel als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW dat in de weg staat aan de erkenning van uit zodanig huwelijk voortvloeiende rechtsfeiten en rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd."

[appellanten] hebben terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of zij gelet op het voorgaande het Nederlanderschap bezitten. Zij hebben hiertoe terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 waaruit volgt dat bij de beslissing op de aanvraag om een paspoort mede diende te worden vastgesteld of de persoon voor wie de afgifte van een paspoort is verzocht het Nederlanderschap bezit en dat het niet de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechter is om het Nederlanderschap vast te stellen. De rechtbank kon derhalve niet volstaan met een verwijzing naar artikel 17 van de RWN en het oordeel dat [appellanten] zich derhalve tot de burgerlijke rechter dienen te wenden. Dit leidt echter gelet op het volgende niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5.4.    Hoewel de familierechtelijke betrekkingen tussen [appellanten] en de vader gelet op het voorgaande thans in Nederland kunnen worden erkend, leidt dit, zoals de minister in zijn besluit van 26 mei 2015 heeft onderkend, niet tot het oordeel dat zij door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap hebben verkregen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen de Hoge Raad in de uitspraak van 19 mei 2017 over de verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN heeft overwogen:

    "[…] niet [kan] worden aanvaard dat een kind dat is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, uitsluitend op grond van zijn afstamming van een Nederlandse vader of moeder van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn geboorte, dan wel met ingang van enig ander tijdstip (zoals het tijdstip waarop het polygame karakter aan dat huwelijk is ontvallen)."

5.5.    Voor zover [appellanten] ter zitting hebben betoogd dat zij door het besluit worden belemmerd in de uitoefening van hun Unieburgerschap, wordt overwogen dat zij dit voor het eerst in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom [appellanten] dit betoog niet reeds bij de rechtbank hebben kunnen aanvoeren, hetgeen zij uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5.6.    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Borman    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017

730. BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2 Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken

HOOFDSTUK II. DE ERKENNING VAN DE GELDIGHEID VAN HET HUWELIJK

Artikel 11

Een Verdragsluitende Staat kan slechts weigeren de geldigheid van een huwelijk te erkennen indien, volgens het recht van die Staat, een der echtgenoten op het tijdstip van dat huwelijk:

1. reeds gehuwd was;

[…].

Niettemin kan in het onder 1 van het vorige lid bedoelde geval de erkenning niet worden geweigerd indien het huwelijk later geldig is geworden door de ontbinding of de nietigverklaring van het eerdere huwelijk.

Artikel 14

Een Verdragsluitende Staat kan weigeren de geldigheid van een huwelijk te erkennen, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met zijn openbare orde.

Paspoortwet

Artikel 9

1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.    

Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 9

1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

[…]

4.  Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

    

Artikel 52

1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 1

1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat;

[…].

    

Artikel 3

1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

[…].

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.

2. Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend.

[…].

4. Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische vaderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.

[…].

Artikel 17

1. Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te

’s-Gravenhage of, indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.

[…].

Artikel 20

1. Indien in enige voor een rechterlijke instantie in Nederland aanhangige zaak onzeker is of een bij de zaak belanghebbende al dan niet het Nederlanderschap bezit of op een vroeger tijdstip bezat, kan de rechter terzake het advies van de Minister van Justitie vragen.

[…].

Boek 10 van het BW

Artikel 27

Deze afdeling geeft uitvoering aan het op 14 maart 1978 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken (Trb. 1987, 137). Zij is van toepassing op de huwelijksvoltrekking in Nederland indien, in verband met de nationaliteit of de woonplaats van de aanstaande echtgenoten, met betrekking tot de vraag welk recht de vereisten tot het aangaan van het huwelijk beheerst een keuze moet worden gedaan, alsmede op de erkenning in Nederland van in het buitenland voltrokken huwelijken. Zij is niet van toepassing op de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Artikel 31

1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.    

Artikel 32

Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Artikel 33

De artikelen 31 en 32 van dit Boek zijn van toepassing ongeacht of over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als hoofdvraag, dan wel als voorvraag in verband met een andere vraag wordt beslist.

Artikel 100

1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;

b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Artikel 101

1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

[…].