Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201604011/1/R1
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RVS:2016:1147, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1147, heeft de Afdeling onder meer het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van de raad van de gemeente Velsen van 25 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spaarnwoude" ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/744
JOM 2017/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604011/1/R1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1147.

Procesverloop

Bij uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1147, heeft de Afdeling onder meer het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van de raad van de gemeente Velsen van 25 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spaarnwoude" ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft de Afdeling bij brief van 26 mei 2016 verzocht die uitspraak te herzien.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 november 2016, waar [verzoeker], bijgestaan door drs. B.W. Raven en C. Duurland, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.1. [verzoeker] is eigenaar van een woonboot op het perceel [locatie] in Zijkanaal B. De woonboot ligt daar sinds 2010. In het bestemmingsplan "Spaarnwoude" is voor het perceel geen ligplaats opgenomen. Hiertegen was het beroep van [verzoeker] dat in de uitspraak van 26 april 2016 ongegrond is verklaard gericht.

De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat een ligplaats voor een woonboot op het perceel [locatie] voor de toepassing van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) een geluidgevoelig terrein zou zijn. [locatie] ligt in de geluidzone van de rijksweg A9. Dat betekent volgens de Afdeling dat op grond van de Wgh en het Besluit geluidhinder (hierna: Bgh) op de grens van het terrein een grenswaarde van 48 dB zou gelden als geen hogere waarden zijn vastgesteld. Op grond van de Wgh en het Bgh zou een maximale hogere waarde van 53 dB kunnen worden vastgesteld. De raad heeft tijdens de procedure toegelicht dat voor rijksweg A9 ter plaatse echter een geluidproductieplafond van 64,1 dB geldt, zodat voor deze ligplaats geen voldoende hoge hogere waarde zou kunnen worden vastgesteld. De raad heeft zich volgens de Afdeling in voormelde uitspraak terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh in de weg staat aan een positieve bestemming van de ligplaats op het perceel [locatie]. Over de door [verzoeker] gemaakte vergelijking met de ligplaatsen voor Linie 1, Linie 2, Stelling 1 en Dammersweg 13 heeft de Afdeling in de uitspraak van 26 april 2016 overwogen dat de raad heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat die ligplaatsen wel al in 2004 op grond van de Havenverordening Velsen waren aangewezen om door een woonschip te worden ingenomen, zodat de Wgh op die gevallen niet van toepassing is. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd heeft de Afdeling in de uitspraak van 26 april 2016 geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [verzoeker] genoemde situaties niet overeenkomen met zijn situatie.

1.2. Aan het verzoek tot herziening heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat de Afdeling tijdens de zitting op 2 maart 2016 door de raad onjuist is voorgelicht. De raad heeft volgens hem ter zitting immers ten onrechte gesteld dat op grond van de Havenverordening Velsen voor de percelen Linie 2, Stelling 1 en 2 ligplaatsen waren aangewezen om door een woonschip te worden ingenomen, zodat, anders dan in het geval van zijn perceel, de Wgh daarop niet van toepassing is. Uit de stukken die [verzoeker] na de uitspraak van 26 april 2016 van de raad heeft gekregen, blijkt volgens hem dat de percelen Linie 2, Stelling 1 en 2 in de Havenverordening niet als ligplaats zijn aangewezen. Anders dan in de uitspraak van 26 april 2016 is overwogen, is derhalve wel sprake van gelijke gevallen en geldt voor zijn perceel hetzelfde overgangsrecht uit de Invoeringswet geluidproductieplafonds, zodat alsnog een ligplaats in het plan dient te worden opgenomen, aldus [verzoeker]. In de Havenverordening wordt volgens hem niet naar het Eindconcept Inrichtingsplan woonschepenhaven zijkanaal B uit 2002 verwezen en dit Inrichtingsplan is volgens hem nooit vastgesteld. In 2006 en in 2009 zijn wel Inrichtingsplannen vastgesteld, waar zijn perceel deel van uitmaakt.

1.3. De raad stelt zich op het standpunt dat de Havenverordening Velsen en het aanwijzingsbesluit waar hij in de vorige procedure naar heeft verwezen openbare stukken zijn. Gelet hierop hadden deze redelijkerwijs bij [verzoeker] bekend kunnen zijn. Hetgeen [verzoeker] in zijn verzoek naar voren brengt, had hij volgens de raad daarom al in de vorige procedure aan de orde kunnen en moeten stellen, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

1.3.1. De raad heeft in de vorige procedure eerst ter zitting bij de Afdeling verwezen naar de Havenverordening Velsen en het aanwijzingsbesluit. De Afdeling is van oordeel dat [verzoeker] gelet daarop niet kan worden verweten dat hij zijn betoog, dat ook de andere ligplaatsen niet in het Eindconcept Inrichtingsplan woonschepenhaven zijkanaal B uit 2002 zijn opgenomen, niet al in de vorige procedure heeft aangevoerd. In zoverre is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.

1.4. [verzoeker] wijst er terecht op dat in de Havenverordening zelf niet direct wordt verwezen naar het Eindconcept Inrichtingsplan woonschepenhaven zijkanaal B uit 2002. Op 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.2., eerste en tweede lid, van de Havenverordening Velsen genomen. Hierin wordt verwezen naar het Eindconcept Inrichtingsplan woonschepenhaven zijkanaal B uit 2002. De plaatsen die daarin zijn opgenomen zijn daarmee aangewezen als bedoeld in de Havenverordening Velsen.

Op het Eindconcept Inrichtingsplan woonschepenhaven zijkanaal B, behorende bij de Havenverordening Velsen is het perceel Linie 2A niet ingetekend. De percelen Linie 2, Stelling 1 en 2 zijn echter ook niet ingetekend. Anders dan de raad op de zitting van 2 maart 2016 heeft gesteld, waren deze percelen derhalve ten tijde van de inwerkingtreding van de Invoeringswet geluidproductieplafonds ook niet opgenomen in de Havenverordening. [verzoeker] voert dan ook terecht aan dat de Afdeling in zoverre ter zitting onjuist door de raad is voorgelicht. Een uitspraak kan ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb echter alleen worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die, waren zij eerder bij de Afdeling bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Hiervan is in dit geval geen sprake. Daartoe is van belang dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan leiden tot een verplichting voor de raad een bestemming vast te stellen die in strijd is met de wet. In dit geval zou een positieve bestemming van de ligplaats voor het perceel Linie 2A strijd opleveren met de Wgh. Ondanks de omstandigheid dat de Wgh ook op de percelen Linie 2, Stelling 1 en 2 van toepassing is en deze ligplaatsen wellicht daarmee in strijd zijn kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel van [verzoeker] gelet hierop niet slagen. Dit feit zal dan ook niet kunnen leiden tot een andere uitspraak. Het betoog van [verzoeker] dat Linie 2A evenals de andere ligplaatsen wel is opgenomen in het ligplaatsenplan of het afsluitingsdocument heeft hij ook in de vorige procedure reeds naar voren gebracht en de Afdeling heeft hierover reeds overwogen dat nu de Wgh aan een positieve bestemming in de weg staat, dit niet van belang is.

De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

2. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

3. Nu hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht niet kan leiden tot een andere uitspraak, bestaat naar het oordeel van de Afdeling reeds daarom onvoldoende aanleiding om tot het buitenwettelijke middel van vervallenverklaring van de uitspraak van 26 april 2016 over te gaan.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Michiels w.g. Brock

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

603.