Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201608071/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:11432, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] uitstel van betaling verleend en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende een periode van 24 maanden een bedrag van € 890,00 aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget terugbetaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608071/1/A2.

Datum uitspraak: 15 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2016 in zaak nr. 16/2094 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] uitstel van betaling verleend en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende een periode van 24 maanden een bedrag van € 890,00 aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget terugbetaalt.

Bij besluit van 10 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het maandelijks terug te betalen bedrag voor [appellante] vastgesteld op € 858,00.

Bij mondelinge uitspraak van 14 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft bij de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend in verband met de terugbetaling van teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget over de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014. Het bedrag van teruggevorderde voorschotten is in totaal € 21.337,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een betalingsregeling op basis van de betalingscapaciteit van [appellante] bij het besluit van 11 september 2015 afgewezen, omdat sprake is van opzet of grove schuld van [appellante]. Verder is bepaald dat [appellante] 24 maanden lang een bedrag van € 890,00 per maand dient te betalen. Bij het besluit van 10 februari 2016 is het maandelijks terug te betalen bedrag verlaagd naar € 858,00.

2.    Aan het besluit van 10 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvorderingsbeschikkingen over het berekeningsjaar 2011. Voor wat betreft het kindgebonden budget over de jaren 2012 tot en met 2014 heeft [appellante] stelselmatig te laag geschatte inkomens doorgegeven en is niet gebleken dat het voor haar niet mogelijk was een betere schatting te maken. Voor de kinderopvangtoeslag over 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen herhaaldelijk verzocht bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat zij recht heeft op die toeslag. In de brieven waarin is verzocht om informatie staat dat, wanneer niet wordt gereageerd op de verzoeken om informatie, het recht op nihil zal worden vastgesteld. [appellante] had daarom moeten weten dat zij de voorschotten zou moeten terugbetalen als zij niet zou reageren. Voor de kinderopvangtoeslag 2013 heeft [appellante] regelmatig wijzigingen doorgegeven. Zij heeft echter niet gereageerd op het verzoek om informatie waaruit blijkt dat zij ook na 1 september 2013 kinderopvang heeft afgenomen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarom de toeslag per 1 september 2013 stopgezet. De dienst acht grove schuld aanwezig, omdat [appellante] vanaf september 2013 voorschotten kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, hoewel de kinderopvang toen al was gestopt. Voor de kinderopvangtoeslag 2014 heeft [appellante] enkele wijzigingen doorgegeven, terwijl de kinderopvang volgens de gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen al was gestopt. Deze wijzigingen hebben ertoe geleid dat een hoger bedrag aan toeslagen aan haar werden uitgekeerd. Volgens de dienst had [appellante] moeten weten dat zij geen recht had op die bedragen. Uit coulance heeft de Belastingdienst/Toeslagen een nieuwe ingangsdatum gehanteerd. De eerste termijn is op 28 februari 2016 vervallen, de laatste termijn dient op 30 januari 2018 te zijn betaald.

De uitspraak van de rechtbank

3.    Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van grove schuld aan de zijde van [appellante], gelet op de gedetailleerde uiteenzetting van de Belastingdienst/Toeslagen in het verweerschrift, waaruit naar voren komt dat - kort samengevat - zij  met betrekking tot het kindgebonden budget te lage inkomens heeft vermeld en met betrekking tot de kinderopvangtoeslag teveel opvanguren heeft vermeld en zelfs, naar de dienst stelt, gedurende een lange periode opvanguren heeft vermeld en diverse wijzigingen heeft doorgegeven, terwijl in de betreffende periode geen gebruik werd gemaakt van opvang.

Het hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuld is ontstaan door aan haar toe te rekenen grove schuld. Zij voert aan dat zij diverse malen stukken heeft geleverd, waaruit blijkt dat zij opvang heeft afgenomen. Er zijn diverse wijzigingen geweest, omdat zij afwisselend heeft gewerkt, ziek is geweest en zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Daardoor was niet altijd in te schatten hoe hoog haar inkomen zou zijn. Verder stelt zij dat de opvang van de kinderen nodig was, zeker toen zij ziek was en niet voor haar kinderen kon zorgen. Zij was er echter niet van op de hoogte dat geen recht bestaat op toeslag bestaat tijdens ziekte. Iemand zou de toeslag voor haar stopzetten, maar dat is niet gebeurd. [appellante] heeft daarna naar haar zeggen vele telefoontjes gepleegd met de Belastingdienst/Toeslagen. Uiteindelijk is de toeslag wel stopgezet, maar dat is pas vele maanden later gebeurd.

4.1.    Het wettelijk kader en het van toepassing zijnde beleid van de Belastingdienst/Toeslagen is opgenomen in de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

kindgebonden budget 2012 tot en met 2014

4.2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft een betalingsregeling op maat geweigerd, omdat [appellante] stelselmatig een te laag inkomen van haar en haar partner heeft opgegeven. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2902, is dat voldoende om grove schuld aan te nemen. De stelling van [appellante] dat het moeilijk was haar eigen inkomen wegens de steeds wisselende omstandigheden te schatten, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de brief van 11 augustus 2014 van de Centrale Administratie van de Belastingdienst, die deel uitmaakt van het rechtbankdossier, blijkt dat [appellante] en haar [echtgenoot] in hun aangifte inkomstenbelasting 2012 beiden een veel te laag inkomen hebben opgegeven. Op grond van door de werkgevers en uitkeringsinstanties verstrekte gegevens is het opgegeven inkomen van [appellante], van € 2.674,00 gewijzigd naar € 15.106,00 en later gewijzigd naar € 12.594,00, dat van [echtgenoot] van € 21.134 naar € 29.060,00 en later gewijzigd naar € 26.548,00. Dit zijn substantiële verschillen die niet zijn te verklaren door de onzekere situatie waarin [appellante] stelt te hebben verkeerd in 2012. De opgegeven inkomens komen ook ongeveer overeen met de geschatte inkomens voor 2013 en 2014, die achteraf veel te laag bleken te zijn.

kinderopvangtoeslag 2012

4.3.    Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3511, is het niet verstrekken van gegevens voldoende om grove schuld aan te nemen. [appellante] heeft gegevens in de bezwaarfase overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen achtte deze echter onvoldoende, omdat daaruit niet bleek dat recht bestond op kinderopvangtoeslag over 2012. [appellante] stelt voorts weliswaar dat zij de gegevens voor de in 2012 genoten kinderopvang heeft overgelegd, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij aanvullende gegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft verstrekt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft derhalve terecht aangenomen dat sprake is van grove schuld van [appellante] bij het ontstaan van de toeslagschuld. Voor zover [appellante] heeft gesteld dat ziekte geen groeve schuld kan opleveren, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting gesteld dat de langdurige ziekte van [appellante] geen rol heeft gespeeld bij het aannemen van grove schuld.

kinderopvangtoeslag 2013

4.4.    Het voor het berekeningsjaar 2013 vastgestelde bedrag betreft de tot en met 31 augustus 2013 genoten kinderopvang. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft hij [appellante] tevergeefs verzocht om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat zij ook vanaf 1 september 2013 recht heeft op kinderopvangtoeslag. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de gevraagde stukken heeft toegezonden, ook niet in een later stadium van de procedure. Gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015 is dit voldoende om grove schuld aan te nemen.

kinderopvangtoeslag 2014

4.5.    In dit geval heeft [appellante] wijzigingen doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen, terwijl zij volgens de gegevens van de dienst de kinderopvang al had beëindigd. Nu de kinderopvangtoeslag om die reden was gestopt en [appellante] in 2014 desondanks voorschotten voor kinderopvangtoeslag op haar rekening ontving, had zij moeten weten dat zij daarop geen recht had. De Belastingdienst/Toeslagen heeft derhalve terecht grove schuld aangenomen.

Conclusie

4.6.    Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen een persoonlijke betalingsregeling terecht heeft geweigerd. Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017

17. 7.    BIJLAGE

    Ingevolge artikel 4:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.

    Ingevolge het vierde lid kan het bestuursorgaan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.

    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) is de belanghebbende, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, gehouden die wijziging te melden aan de Belastingdienst/Toeslagen.

    Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

    Ingevolge artikel 28, eerste lid, heeft de belanghebbende de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

    Ingevolge artikel 31 worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

    De in artikel 31 van de Awir bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Awir.

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir stelt de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40,00 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

    Ingevolge het derde lid eindigt een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40,00 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40,00 verlangen.

    Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de Awir kan worden beschouwd.

    Ingevolge het zesde lid zijn de voorgaande leden niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt onder betalingscapaciteit verstaan: het positieve verschil in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.

    De Belastingdienst/Toeslagen voert bij de toepassing van de Uitvoeringsregeling Awir en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 beleid, neergelegd in de Leidraad.

    Volgens artikel 79.7 van de Leidraad is uitgangspunt dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20,00 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag meer bedraagt dan € 480,00 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is.

    Volgens artikel 79.8 kan de Belastingdienst/Toeslagen een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De artikelen 11, 12 en 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner. Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen.

    Volgens artikel 79.8a geldt in aanvulling op artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir het volgende. Voor een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner kan de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- De belanghebbende verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen om een dergelijke regeling.

- De belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld.

- De regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.

Een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner en waarvoor geen betalingsregeling overeengekomen kan worden, moet geheel worden ingevorderd. Als belanghebbende of diens partner aannemelijk maakt dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte ontvangen voorschot, belichaamd in de toeslagschuld, houdt de Belastingdienst/Toeslagen, op verzoek, bij de verrekening van een voorschot met die toeslagschuld, er rekening mee dat belanghebbende een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet.

    Volgens artikel 79.9 zal de Belastingdienst/Toeslagen, als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van de Leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld. De Belastingdienst/Toeslagen ziet niet af van het nemen van invorderingsmaatregelen als de terugvordering is te wijten aan opzet op grove schuld van de belanghebbende of diens partner.