Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201703444/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "12e Septemberlaan Noorbeek - eerste wijziging BP gemeentehuis Eijsden-Margraten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703444/1/R1.

Datum uitspraak: 15 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Noorbeek, gemeente Margraten,

en

de raad van de gemeente Eijsden-Margraten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "12e Septemberlaan Noorbeek - eerste wijziging BP gemeentehuis Eijsden-Margraten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.B. Smeets, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet ter plaatse van tot dusver onbebouwde gronden aan de 12e Septemberlaan te Noorbeek in vijf nieuwe woningen. [appellant] woont op het aangrenzende perceel ten oosten daarvan aan de [locatie] en wenst met het oog op zijn woon- en leefklimaat een tussenliggende groenstrook.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte mogelijk maakt dat de naast zijn perceel voorziene woning tot aan zijn perceelgrens kan worden uitgebouwd. Hij wenst dat binnen drie meter tot de erfgrens geen bebouwing kan plaatsvinden.

    Voorts betoogt [appellant] dat met een oog op zijn woon- en leefklimaat ten onrechte niet is voorzien in een groenstrook tussen zijn woning en de nieuw voorziene woningen. Aan de westzijde is wel voorzien in een groenstrook. In zoverre wenst hij gelijke behandeling. Verder zou de groenstrook gepaard dienen te gaan met een voorwaardelijke verplichting, aldus [appellant].

3.1.    Het plan voorziet in de bestemming "Wonen" met aanduidingen voor een bouwvlak, voor maximaal 5 wooneenheden en voor een goot- en bouwhoogte van 3,5 m onderscheidenlijk 8 m. Buiten het bouwvlak is op het achtererfgebied grotendeels voorzien in de aanduiding "bijgebouwen".

    Het plan is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld door het bouwvlak te verkleinen door een afstand van 3 m tot het perceel van [appellant] aan te houden. Op de tussengelegen gronden is niet voorzien in de aanduiding "bijgebouwen".

    Artikel 6, lid 6.2.3, van de planregels luidt als volgt:

"Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a.  Bijbehorende bouwwerken mogen zowel ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" als in het bouwvlak worden gebouwd.

b.  Bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

(…)".

3.2.    Gelet op het vorenstaande maakt het plan binnen 3 m van het perceel van [appellant] geen aan- of uitbouwen en bijgebouwen mogelijk. Dit neemt niet weg dat ter plaatse, zoals de raad in het verweerschrift aangeeft, op grond van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: BOR) vergunningvrije aan- of uitbouwen en bijgebouwen mogelijk zijn.

3.3.    Bijlage II, artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder a, van het BOR luidt als volgt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1°. 5 m,

2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3°. het hoofdgebouw".

3.4.    Niet valt uit te sluiten dat het woon- en leefklimaat van [appellant] in enige mate zal worden aangetast door de voorziene woningen, aangezien deze zijn voorzien op thans onbebouwde percelen, waar [appellant] vanuit zijn woning zicht op heeft. Gelet op de afstand tussen zijn woning en de voorziene bebouwing, de bebouwde omgeving waarin de woningen zijn voorzien en de relatief geringe bouwhoogte van de toegestane hoofdgebouwen enerzijds en de vergunningvrije aan- of uitbouwen en bijgebouwen anderzijds, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast. In dit verband merkt de Afdeling op dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Het betoog faalt.

3.5.    Over de door [appellant] gemaakte vergelijking met de westelijke groenstrook overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de westelijke groenstrook als ontsluiting zal dienen voor het onderhoud aan de groenstrook ten zuiden van de voorziene woningen. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de door [appellant] genoemde alternatieve toegangsweg niet geschikt is voor het benodigde materieel. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017

635.