Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201606972/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de aanvragen), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606972/1/V1.

Datum uitspraak: 13 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 augustus 2016 in zaak nr. 15/15789 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de aanvragen), afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 2015, aangevuld bij besluit van 16 juli 2015, heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit (lees: die besluiten) vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De staatssecretaris heeft de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd omdat de vreemdelingen, die minderjarig zijn en verblijf bij hun ouders beogen, geen geldig paspoort hebben overgelegd en niet hebben aangetoond dat zij daarvan niet in het bezit kunnen worden gesteld. De ouders van de vreemdelingen zijn etnische Armeniërs. De vader van de vreemdelingen (hierna: de vader) heeft, naast zijn gestelde Armeense nationaliteit, de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is in het bezit van een verblijfsvergunning. De moeder van de vreemdelingen (hierna: de moeder) is niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Beide ouders hebben geen geldig paspoort. Bij het aanvragen van een paspoort voor de vreemdelingen bij de Armeense autoriteiten is vereist dat de ouders hun eigen paspoort overleggen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de ouders zich voldoende hebben ingespannen om een Armeens paspoort te verkrijgen, waarmee zij vervolgens voor de vreemdelingen een paspoort zouden kunnen aanvragen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zijn standpunt, dat de ouders zich onvoldoende hebben ingespannen om een paspoort voor zichzelf en de vreemdelingen te verkrijgen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij heeft daaraan, onder verwijzing naar een door de vreemdelingen overgelegd certificaat van 10 augustus 2011 (hierna: het certificaat), ten grondslag gelegd dat geen paspoortafgifte en registratie van de moeder bekend zijn in de database van het Armeense nationale register. Wat betreft de vader heeft de rechtbank overwogen dat, nu hij in het kader van een door hem ingediend naturalisatieverzoek is vrijgesteld van het paspoortvereiste, de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het voor hem mogelijk is documenten te verkrijgen waarmee hij het Armeens staatsburgerschap kan verkrijgen.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de moeder zich onvoldoende heeft ingespannen om een paspoort te verkrijgen. Hij voert daartoe aan dat uit het certificaat niet valt af te leiden dat de moeder geen Armeens paspoort kan verkrijgen. In dit verband wijst de staatssecretaris erop dat de Armeense autoriteiten de Armeense nationaliteit van de moeder bij haar presentatie op 1 oktober 2011 (lees: 1 oktober 2012) hebben bevestigd en zij toen te kennen hebben gegeven dat voor haar een laissez-passer zou worden verstrekt. Omdat de moeder op dat moment niet uitzetbaar was en een laissez-passer kort geldig is, heeft de staatssecretaris toen niet verzocht om afgifte van het toegezegde reisdocument. De staatssecretaris voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het niet aan hem is te motiveren op welke wijze de vaststelling van de Armeense nationaliteit van de moeder heeft plaatsgevonden. Wat betreft de vader voert de staatssecretaris aan dat, voor zover het voor hem niet mogelijk is een paspoort te verkrijgen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten, dat niet wegneemt dat van hem mag worden gevergd inspanningen te verrichten ter verkrijging van een paspoort van de Armeense autoriteiten.

3.1.    Artikel 3.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt: "De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld."

3.2.    Weliswaar staat in het certificaat dat geen paspoortafgifte en registratie van de moeder bekend zijn in de database van het Armeense nationale register, maar dat neemt niet weg dat de staatssecretaris zich in het verweerschrift in beroep, onder verwijzing naar een verslag van een vertrekgesprek op 23 oktober 2012, onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat de Armeense autoriteiten de Armeense nationaliteit van de moeder tijdens een presentatie op 1 oktober 2012 hebben bevestigd. De staatssecretaris heeft toegelicht waarom de afgifte van een laissez-passer vervolgens achterwege is gebleven. Gelet op de in 3.1 weergegeven bewijslastverdeling betoogt de staatssecretaris terecht dat het, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet aan hem is te motiveren hoe de vaststelling van de Armeense nationaliteit van de moeder heeft plaatsgevonden en waarop deze is gebaseerd. Het is aan de vreemdelingen om aan te tonen dat de ouders, ondanks de hiervoor bedoelde bevestiging van hun Armeense nationaliteit, niet in het bezit kunnen worden gesteld van een paspoort.

    Aangezien de staatssecretaris zich onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat de moeder recentelijk geen pogingen heeft ondernomen om in het bezit te komen van een paspoort, heeft hij deugdelijk gemotiveerd dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen op dit punt. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De enkele verwijzing in de schriftelijke uiteenzetting naar de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Armenië van oktober 2013 en april 2016, waaruit volgt dat bij de eerste aanvraag van een paspoort het overleggen van een geboorteakte en het oude paspoort is vereist, is in het licht van het hiervoor bedoelde gebrek aan inspanningen, bezien in samenhang met de uitlatingen van de Armeense autoriteiten tijdens de presentatie op 1 oktober 2012 en de op de vreemdelingen rustende bewijslast, onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

    In zoverre slaagt de grief.

3.3.    De Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 luidt: […] "Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zij in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft." […]

    De staatssecretaris betoogt terecht dat hieruit niet kan worden afgeleid dat hij van de vader niet mag vergen inspanningen te verrichten ter verkrijging van een paspoort van de Armeense autoriteiten. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Gelet hierop en nu de staatssecretaris zich in het besluit van 13 juli 2015 onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat de vader recentelijk geen pogingen heeft ondernomen om een paspoort te verkrijgen, heeft de staatssecretaris zijn onder 2 weergegeven standpunt ook in zoverre deugdelijk gemotiveerd. De enkele verwijzing in de schriftelijke uiteenzetting naar het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in de Republiek Armenië van maart 2011, waaruit volgens de vreemdelingen volgt dat de vader niet in aanmerking komt voor verkrijging van het Armeens staatsburgerschap omdat hij zijn Armeense etniciteit niet kan aantonen, is in het licht van het hiervoor bedoelde gebrek aan inspanningen en de op de vreemdelingen rustende bewijslast onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

    Ook in zoverre slaagt de grief.

4.    De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij een door de vreemdelingen overgelegde brief van 18 mei 2015 van een jeugd- en gezinsbeschermer (hierna: de brief van 18 mei 2015) onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris voert daartoe aan dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet heeft volstaan met een verwijzing naar het paspoortvereiste. Hij wijst in dit verband op het besluit van 13 juli 2015, waaruit blijkt dat hij de in de brief van 18 mei 2015 genoemde problemen in zijn belangenafweging heeft betrokken.

4.1.    Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, van 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUDO05043599, en die van de Afdeling (uitspraak van 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527) volgt dat de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet vinden tussen het belang van de vreemdelingen en de gezinsleden enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.

    De rechter moet desgewenst toetsen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

4.2.    De staatssecretaris heeft zich in het kader van zijn belangenafweging in de besluiten van 19 februari en 13 juli 2015 op het standpunt gesteld dat er geen objectieve belemmering is om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de medische problemen van [vreemdeling 1] in Armenië niet behandelbaar zijn en de ouders aldaar geen hulp kunnen krijgen bij hun opvoedingsproblemen. Dat de staatssecretaris naar aanleiding van de brief van 18 mei 2015 in het aanvullend besluit van 16 juli 2015 heeft volstaan met het standpunt dat voormelde problemen niet in de weg staan aan het tegenwerpen van het paspoortvereiste, laat onverlet dat de staatssecretaris deze problemen in de besluiten van 19 februari en 13 juli 2015 kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken. Nu de vreemdelingen het standpunt van de staatssecretaris over de mogelijkheid tot behandeling en hulp in Armenië niet gemotiveerd hebben betwist, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen objectieve belemmering is als hiervoor bedoeld. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    De staatssecretaris heeft voorts de andere relevante feiten en omstandigheden, waaronder de jonge leeftijd van de vreemdelingen en de omstandigheid dat zij in Nederland zijn geboren, kenbaar in zijn belangenafweging betrokken. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte ten nadele van de vreemdelingen meegewogen dat de moeder in Nederland nooit verblijfsrecht heeft gehad en het gezinsleven is aangegaan terwijl zij wist dat zij hier niet mocht blijven. Ook heeft hij, gelet op hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen, niet ten onrechte meegewogen dat niet is gebleken dat de vreemdelingen nooit aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning zullen kunnen voldoen. De slotsom is dat de staatssecretaris de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdelingen heeft laten uitvallen.

    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 juli 2015, aangevuld bij besluit van 16 juli 2015, toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

6.    De vreemdelingen betogen dat de staatssecretaris hun ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

6.1.    De staatssecretaris mag slechts mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt.

    Gelet op de motivering van het besluit van 19 februari 2015 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.

    De beroepsgrond faalt.

Conclusie beroep

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 augustus 2016 in zaak nr. 15/15789;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2017

670.