Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201600817/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9685, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik ten behoeve van een kapsalon door [belanghebbende] van het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te Rotterdam afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/220

Uitspraak

201600817/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2015 in zaak nr. 15/1861 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik ten behoeve van een kapsalon door [belanghebbende] van het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te Rotterdam afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 13 februari 2015, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere reacties ingediend.

[belanghebbende] heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2017, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] daar gehoord.

Overwegingen

1. [belanghebbende] woont in de woning op het perceel en exploiteert in een kamer op de eerste verdieping onder de naam [kapper] een kapsalon. Deze kamer is ingericht met één kapperstoel en een speciale wasbak. [appellant] woont in de woning op een naastgelegen perceel en stelt van de kapsalon hinder te ondervinden.

2. [appellant] betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat de kapsalon in strijd is met het bestemmingsplan, aangezien ingevolge artikel 40.1 van de planregels van het bestemmingsplan ter plaatse uitsluitend gebruik als woning is toegestaan en niet gebruik ten behoeve van een bedrijf en dienstverlening. Volgens haar is een kapsalon aan te merken als een kappersbedrijf, genoemd in de bij het bestemmingsplan behorende bedrijvenlijst, en daarmee niet als een aan huis gebonden beroep of bedrijf. Voorts is de kapsalon volgens haar aan te merken als dienstverlening. [appellant] wijst er in dit verband nog op dat in artikel 40.3 niet is bepaald dat het moet gaan om een bedrijf dat volgens de bij het bestemmingsplan behorende bedrijvenlijst is aangemerkt als categorie 1-bedrijf. Volgens [appellant] is artikel 40.3 in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en had de rechtbank dit artikel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening buiten toepassing moeten laten.

[appellant] wijst erop dat volgens Afdelingsjurisprudentie een kapsalon niet op één lijn is te stellen met vrije beroepen die niet vallen onder het verbod tot gebruik van percelen in strijd met de woonbestemming, en derhalve niet is aan te merken als een toegestaan aan huis gebonden beroep of bedrijf.

2. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Zevenkamp en Nesselande" is het perceel gedeeltelijk bestemd tot "Wonen-3".

Artikel 40.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: De voor "Wonen-3" aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en paden.

Artikel 40.3 luidt: Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep/bedrijf, mits:

a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30 % wordt gebruikt voor werkactiviteiten […]

b.-e. […].

2.1. Wat betreft het betoog van [appellant] dat artikel 40.3 in strijd is met artikel 3.1 van de Wro en om die reden buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt de Afdeling het volgende. De mogelijkheid om in het kader van een handhavingsprocedure de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen, strekt niet zover dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de beoordeling van het plan te hanteren toetsingsmaatstaf waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. Niet valt in te zien dat artikel 40.3 evident in strijd is met genoemd artikel van de Wro die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan van toepassing was. De stelling van [appellant] dat het in strijd met een goede ruimtelijke ordening is om de activiteiten wonen en bedrijven samen te laten gaan, vindt geen steun in de wet. In hetgeen [appellant] betoogt, wordt derhalve geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rechtbank het bestemmingsplan buiten toepassing had moeten laten.

Het betoog faalt.

2.2. Ingevolge artikel 40.1 is op het perceel gebruik ten behoeve van een bedrijf of dienstverlening van de gronden met de bestemming "Wonen-3" als hoofdactiviteit niet toegestaan. Indien gronden in overeenstemming met die bestemming worden gebruikt ten behoeve van een woning, is ingevolge artikel 40.3 ondergeschikt gebruik ten behoeve van een aan huis gebonden beroep of bedrijf wel toegestaan. In het bestemmingsplan is niet gedefinieerd wat onder een aan huis gebonden beroep of bedrijf moet worden verstaan. Indien aan het bepaalde in artikel 40.3, aanhef en onder a tot en met e, wordt voldaan, is een aan huis gebonden beroep of bedrijf derhalve toegestaan. De omstandigheid dat kappersbedrijven staan vermeld op de bij het bestemmingsplan behorende bedrijvenlijst als categorie 1-bedrijf en dat bij andere woonbestemmingen in het bestemmingsplan als vereiste is opgenomen dat het bij een aan huis gebonden beroep of bedrijf moet gaan om een bedrijf in categorie 1, betekent, anders dan [appellant] betoogt, niet dat nu dit vereiste in artikel 40.3 ontbreekt, een kapsalon niet is toegestaan als een huis gebonden beroep of bedrijf.

Verder komt aan de uitspraken die [appellant] heeft genoemd, hier geen betekenis toe. In die zaken ging het niet om een bestemmingsplan, zoals in dit geval, waarin de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming expliciet een aan huis gebonden beroep en bedrijf bij een woning toestaat.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat niet aan het bepaalde in artikel 40.3, aanhef en onder a, wordt voldaan. Vaststaat dat niet meer dan 30% van het brutovloeroppervlak van de woning wordt gebruikt ten behoeve van de kapsalon. Gelet op de aard en omvang van de kapsalon blijft voorts de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd. Uit de stukken komt naar voren dat alleen [belanghebbende] in de kapsalon werkzaam is als kapster. De kapsalon heeft beperkte openingstijden. Volgens opgave van [belanghebbende] aan het college zijn de openingstijden ten tijde van het besluit op bezwaar woens- en donderdagen van 9.00 uur tot 21.00 uur en vrijdagen van 9.00 uur tot 13.00 uur. De overige dagen is de kapsalon gesloten. Volgens [belanghebbende] heeft zij 6 tot 7 klanten op woens- en donderdag en een geringer aantal op vrijdag. Uit het betoog van [appellant] dat er ook dagen met meer klanten zijn, kan niet worden afgeleid dat het college de aard en omvang van de kapsalon onjuist heeft beoordeeld.

Nu verder niet in geschil is dat aan de overige vereisten van artikel 40.3 van de planregels wordt voldaan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik van de woning ten behoeve van een kapsalon in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat het college onbevoegd was terzake van het gebruik ten behoeve van een kapsalon van de woning te handhaven.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

163.