Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201707814/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707814/1/V3.

Datum uitspraak: 9 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 september 2017 in zaak nr. NL17.8601 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 26 september 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2.    Op 18 juli 2017 heeft de vreemdeling een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingediend. Bij besluit van 18 juli 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 7 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. De vreemdeling heeft op 12 september 2017 wederom beroep tegen het besluit van 18 juli 2017 ingesteld en daarbij aangegeven dat dit een vervolgberoep betreft.

    Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, nadat hij bovenvermelde aanvraag om een verblijfsvergunning had afgewezen, de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 25 september 2017 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.    Door in haar uitspraak van 26 september 2017 ervan uit te gaan dat de vreemdeling beroep tegen het besluit van 8 augustus 2017 heeft ingesteld, heeft de rechtbank niet onderkend dat het door de vreemdeling ingestelde beroep dient te worden aangemerkt als een vervolgberoep tegen het voortduren van de op 18 juli 2017 opgelegde maatregel van bewaring. De op 8 augustus 2017 opgelegde maatregel van bewaring kan niet worden aangemerkt als omzetting van de op 18 juli 2017 opgelegde maatregel nu, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1157, de op 8 augustus 2017 opgelegde maatregel een nieuwe maatregel van bewaring betreft waartegen afzonderlijk beroep moet worden ingesteld.

    Gelet op het bovenstaande was de rechtbank gehouden het vervolgberoep tegen het besluit van 18 juli 2017 in behandeling te nemen en was zij niet bevoegd een verondersteld beroep tegen het besluit van 8 augustus 2017 niet-ontvankelijk te verklaren.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

5.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 september 2017 in zaak nr. NL17.8601;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2017

395.