Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
201707362/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft het college vastgesteld dat op de locatie De Meeten 25 te Roosendaal (hierna: de locatie) een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Het college heeft voorts besloten dat uiterlijk 1 januari 2019 met de sanering door of namens Plantko Holding B.V. moet worden begonnen en binnen 1 jaar na inwerkingtreding van het besluit moet door of namens Plantko Holding B.V. een saneringsplan ter goedkeuring worden voorgelegd. Er zijn verder gebruiksbeperkingen op de locatie van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707362/2/A1.

Datum uitspraak: 9 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    Plantko Holding B.V., gevestigd te Poederoijen, gemeente Zaltbommel,

2.    Lips Zeetex B.V., gevestigd te Schiedam,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft het college vastgesteld dat op de locatie De Meeten 25 te Roosendaal (hierna: de locatie) een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Het college heeft voorts besloten dat uiterlijk 1 januari 2019 met de sanering door of namens Plantko Holding B.V. moet worden begonnen en binnen 1 jaar na inwerkingtreding van het besluit moet door of namens Plantko Holding B.V. een saneringsplan ter goedkeuring worden voorgelegd. Er zijn verder gebruiksbeperkingen op de locatie van toepassing.

Tegen dit besluit hebben Plantko Holding B.V. en Lips Zeetex B.V. beroep ingesteld.

Plantko Holding B.V. heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft Lips Zeetex B.V. de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 31 oktober 2017, waar Plantko Holding B.V., vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en Lips Zeetex B.V., vertegenwoordigd door mr.drs. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door ing. P.F.B.A. Jansen, drs. E. van Alphen en ing. M.C. Zeeman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Plantko Holding B.V. en Lips Zeetex B.V. beogen met hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te voorkomen dat zij voordat een uitspraak in de bodemprocedure is gedaan een saneringsplan moeten opstellen. Op grond van het besluit dienen zij vóór 1 augustus 2018 een saneringsplan ter goedkeuring voor te leggen aan het college.

3.    Ter zitting heeft het college verklaard dat tussen nu en 1 augustus 2018 het college geen stappen zal ondernemen om af te dwingen dat door of namens Plantko Holding B.V. een saneringsplan ter goedkeuring wordt voorgelegd. Het college heeft voorts verklaard dat het pas na het verstrijken van die termijn eventueel zal besluiten om handhavend op te treden. Uit het voorgaande maakt de voorzieningenrechter op dat het besluit vooralsnog geen onomkeerbare gevolgen heeft voor Plantko Holding B.V. dan wel Lips Zeetex B.V. Bovendien is ter zitting is komen vast te staan dat het opstellen van een saneringsplan ongeveer 2 tot 3 maanden in beslag neemt en dat er reeds een deelsaneringsplan is opgesteld. Naar verwachting zal de Afdeling vóór mei 2018 een uitspraak in de bodemprocedure kunnen doen indien de zaak volgens planning in het eerste kwartaal van 2018 ter zitting wordt behandeld. Onder deze omstandigheden bestaat volgens de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

4.    Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Koning

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2017

712.