Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201701403/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0213
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7701
AR 2018/411
Milieurecht Totaal 2017/6711
AR 2018/648
AR 2017/5905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701403/1/R6.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    DSM N.V. en anderen (hierna in enkelvoud: DSM), gevestigd te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna: [appellant sub 2A] en andere), gevestigd te Rijswijk,

en

de raad van de gemeente Rijswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben DSM en [appellant sub 2A] en andere beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).

Partijen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

DSM en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2017, waar DSM, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann en mr. S.F.A. van Ravels, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ir. J. de Oude en F.D.J. de Bruijn, bijgestaan door mr. D. Korsse en mr. W.J.E. van der Werf, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Leeswijzer

Het beroep van DSM wordt besproken op de pagina’s 2 - 23. Het beroep van [appellant sub 2A] en andere op de pagina’s 23 en 24.

Het beroep van DSM

1.    DSM is eigenaar van een aan het plangebied grenzend gezoneerd industrieterrein aan de Alexander Fleminglaan 1 te Delft, waar bedrijven zijn gevestigd van milieucategorie 3 en hoger (HMC). DSM wil de mogelijkheid behouden de bedrijfsvoering op het HMC-bedrijventerrein te herstructureren en verder uit te breiden. DSM vreest als gevolg van het plan in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering te worden beperkt, vooral als gevolg van de woonbestemmingen die in de nabijheid van haar industrieterrein, deels binnen de geluidzone, in het plan zijn opgenomen.

Procedureel

2.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

2.1.    Het beroep van DSM is ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V., DSM Gist Services B.V., DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users.

2.2.    In haar uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:771, inzake het beroep van DSM tegen het uitwerkingsplan "’t Haantje West 1", heeft de Afdeling  geoordeeld dat Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V. geen belanghebbenden zijn en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is voor zover door hen ingediend. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat Koninklijke DSM N.V. en DSM Gist Holding B.V. zijn gevestigd in Heerlen en geen bedrijfsactiviteiten ontplooien op het nabij het plangebied gelegen HMC-bedrijventerrein. De Afdeling overwoog voorts dat DSM Gist Services B.V. een vennootschap is waarin personeel is ondergebracht. DSM Gist Services B.V. is geen houder van de omgevingsvergunning milieu en binnen deze vennootschap vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die voor omwonenden overlast veroorzaken en waarin DSM vreest als gevolg van de vaststelling van het uitwerkingsplan en het besluit hogere waarden te worden beperkt.

    Er is geen aanleiding om thans anders te oordelen.

2.3.    Gelet op het voorgaande wordt in de volgende overwegingen onder DSM niet begrepen: Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V..

3.    De raad betoogt dat DSM geen procesbelang heeft bij haar beroep, omdat het bestemmingsplan nauwelijks verschilt van het voorgaande plan, "Sion - ’t Haantje, eerste herziening" vastgesteld op 30 september 2014 (hierna: de eerste herziening). Als het beroep zou leiden tot vernietiging van het besluit zouden de planologische mogelijkheden op grond van dat plan herleven, waardoor de situatie voor DSM ongewijzigd blijft.

3.1.    Zoals bepaald in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter een bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Gelet daarop geeft het enkele feit dat het planologische regime van het bestreden plan slechts weinig verschilt van het voorgaande plan geen aanleiding om te oordelen dat procesbelang ontbreekt.

Bijgevoegde informatie

4.    Planregels 1, 19, 22, 29 en 33, voor zover van belang, en artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.

Inhoudelijk

5.    Het bestemmingsplan is een tweede herziening van het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje", vastgesteld op 27 september 2011 en naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1063, deels herzien vastgesteld op 18 december 2012 (hierna: bestemmingsplan Sion - ’t Haantje). Het plan voorziet door middel van deels nader uit te werken bestemmingen in de bouw van ten hoogste 3.400 woningen en maximaal 15 hectare netto bedrijventerrein in de deelgebieden Sion en 't Haantje in Rijswijk-Zuid. Gelijktijdig met het bestemmingsplan heeft de raad het exploitatieplan "Sion-’t Haantje, tweede herziening" vastgesteld.

    Het plan vervangt grotendeels de eerste herziening. Ten opzichte van de eerste herziening bevat het plan volgens de toelichting onder meer de volgende wijzigingen:

-    Het herverdelen van het aantal woningen tussen Sion en 't Haantje waardoor in 't Haantje 1.945 woningen mogelijk gemaakt worden in plaats van 1.825;

-    Milieuzonering op het bedrijventerrein 't Haantje ten behoeve van de woningbouw tussen 't Haantje en Laan van 't Haantje; en

-    Het vaststellen van een geluidszone rondom de bedrijfsactiviteiten van tuincentrum Groenrijk.

-    Daarnaast is in het plan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een eventuele toekomstige herverdeling van woningen tussen de verschillende woonbestemmingen mogelijk te maken (artikel 33 van de planregels).

Toetsingskader

6.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bestuurlijke lus

7.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Belangenafweging

8.    DSM is gevestigd op het bedrijventerrein Delft Noord (DSM), dat direct ten zuiden van het plangebied, deelgebied ’t Haantje, ligt. Volgens DSM zijn de wijzigingen die het plan ten opzichte van de eerste herziening mogelijk maakt deels nadelig voor DSM. Bovendien, zo stelt DSM, moet ook bij het herbestemmen van gronden worden getoetst aan een goede ruimtelijke ordening. Er mag niet alleen worden gekeken naar de verschillen met de voorgaande planologische mogelijkheden, maar omdat relevante plandelen nog niet zijn gerealiseerd, moet voor de beoordeling van de gevolgen van het plan vergeleken worden met de bestaande situatie: grotendeels onbebouwd gebied. DSM wijst in dit verband op uitspraken van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:710, overweging 9.3, 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:522, overweging 5.3,  en 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3746, overweging 9.2. Van belang is hierbij volgens DSM dat op 26 maart 2015 een nieuw bestemmingsplan voor DSM is vastgesteld, bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord (DSM)" (hierna: bestemmingsplan DSM). DSM beroept zich op de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan DSM biedt. Volgens DSM biedt dat plan ontwikkelruimte voor DSM waarmee de raad bij de vaststelling van het bestreden plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

8.1.    De raad stelt dat hij een volledige belangenafweging heeft gemaakt en onderzoeken heeft verricht, uitgaande van de bedrijfsvoering van DSM zoals deze op grond van het bestemmingsplan DSM en de vergunde activiteiten en de daarmee gepaard gaande milieubelasting, is toegestaan. In de belangenafweging hoort echter ook meegewogen te worden dat er al een plan voor het betreffende gebied is dat voorziet in ontwikkelingen, dat de uitvoering in gang is gezet en dat voorbereidingen voor verdere uitvoering worden getroffen. De plansystematiek is globaal, maar ter bescherming van de ruimte voor DSM zijn er harde grenzen, zoals de vastgestelde geluidzone rond haar industrieterrein en de op de verbeelding en in de planregels opgenomen geurcontour.

8.2.    De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de bestaande planologische mogelijkheden, niet alleen van DSM maar ook de mogelijkheden in het plangebied, in de belangenafweging moeten worden betrokken. Dat een groot deel van het gebied feitelijk nog onbebouwd is brengt niet mee dat in de afwegingen moet worden uitgegaan van onbebouwd gebied gezien de actualiteit van de bestaande plannen en de in gang zijnde uitvoering daarvan.

    De Afdeling overweegt in dit verband ook dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan DSM het bestemmingsplan Sion - ’t Haantje reeds was vastgesteld en dat er van mag worden uitgegaan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan DSM met deze planologische realiteit rekening is gehouden. Overigens blijkt ook uit de toelichting bij het bestemmingsplan DSM dat uitgangspunt is dat de bestaande milieuruimte van DSM gehandhaafd blijft en dat geen uitbreiding daarvan wordt voorzien. Derhalve zal DSM bij uitbreiding of wijziging van haar activiteiten beperkt worden door de bestaande geluidzone en verleende hogere waarden en de bestaande ruimte ten aanzien van geur en externe veiligheid. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in dit opzicht een verdere beperking teweeg brengt.

    Het betoog faalt.

Milieuzonering

9.    DSM betoogt dat zonder deugdelijke motivering wordt afgeweken van de richtafstanden als opgenomen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering", van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, editie 2009, (hierna: de VNG-brochure). Het voor het bedrijventerrein geldende bestemmingsplan DSM laat activiteiten toe die behoren tot de zwaarste activiteiten van de bij de VNG-brochure behorende bedrijvenlijst. Dit betreft onder andere farmaceutische grondstoffenfabrieken (categorie 5.1); vervaardiging van ethylalcohol (categorie 4.2); bakkerijgrondstoffen en soep en aromafabrieken (categorie 4.1 en 4.2); organische chemische grondstoffenfabrieken voor zover voorkomend in ten hoogste categorie 4.2.

Volgens DSM bedraagt de afstand tussen het gebied met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - biotechnologisch productiebedrijf" en de meest nabije gronden met de bestemming "Wonen - Uit te werken" 300 meter, terwijl de richtafstand volgens de VNG-brochure 500 meter bedraagt, zonder dat dit deugdelijk is gemotiveerd.

    Ook betoogt DSM dat in het plan een nieuwe wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in de bestemming "Woongebied - 2" waardoor het college de bevoegdheid krijgt om woningaantallen binnen de bestemmingen "Woongebied - 2" en "Wonen - Uit te werken 2" onderling uit te wisselen, waarmee meer dan 120 woningen kunnen worden gerealiseerd wat kan leiden tot een hoge woningdichtheid in dit gebied dat zeer dicht bij DSM ligt, waarbij bovendien cumulatie optreedt met hinder van de wegen en tuincentrum Groenrijk. Dit gebied ligt op 90 meter afstand van DSM, zodat aan geen van de richtafstanden wordt voldaan.

    DSM betoogt in dit verband ook dat het vreemd is dat ten aanzien van het tuincentrum Groenrijk en andere bedrijfsbestemmingen in het plangebied wel is getoetst aan de richtafstanden in de VNG-brochure en ten aanzien van DSM niet.

9.1.    De afstanden tussen de bedrijfsbestemming van DSM en de bestemmingen zijn niet gewijzigd in vergelijking met het eerste bestemmingsplan Sion - ’t Haantje. In de toelichting bij het bestemmingsplan Sion - ’t Haantje wordt ingegaan op milieuzonering. Wat betreft DSM is vermeld dat ten aanzien van de diverse milieuaspecten is ingegaan op de milieugevolgen in het plangebied en dat dus niet wordt getoetst aan de richtafstanden. De raad mocht aldus te werk gaan en was niet verplicht om aan de richtafstanden in de VNG-brochure te toetsen. In hetgeen DSM aanvoert is geen aanleiding te vinden om alsnog te oordelen dat de raad de realisatie van een woonwijk op kortere afstand dan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Ook de door DSM genoemde wijzigingsbevoegdheid geeft daartoe geen aanleiding, aangezien het voor de toepassing van de VNG-brochure niet uitmaakt hoeveel woningen in een bepaald gebied aanwezig kunnen zijn.

    Dat de raad binnen het plangebied met betrekking tot andere bedrijfsbestemmingen wel heeft getoetst aan de VNG brochure geeft geen aanleiding anders te oordelen. Dit zijn verschillende situaties, zowel wat betreft de aard van de bedrijvigheid als wat betreft de ligging, en het stond de raad vrij daarmee op verschillende wijze om te gaan.

10.    DSM betoogt dat ook ten opzichte van tuincentrum Groenrijk de richtafstanden niet in acht worden genomen. In de toelichting is gesteld dat de richtafstand voor tuincentra volgens de VNG brochure, 30 meter, in dit plan is terug gebracht tot 7 meter, omdat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidhinder beperkt is. DSM betoogt dat ten onrechte uitsluitend naar de normen uit de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is gekeken, terwijl de VNG-brochure betrekking heeft op het woon- en leefklimaat in brede zin. Hierbij zou aandacht besteed moeten worden aan locaties, bijvoorbeeld tuinen, die niet door de Wgh worden beschermd. Ook voor DSM is het belangrijk dat ten opzichte van tuincentrum Groenrijk de richtafstanden in aanmerking worden genomen, omdat ter plaatse van de woonwijk sprake is van een cumulatie van vele geluidbronnen, waaronder DSM.

10.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

10.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.3.    De richtafstanden volgens de VNG brochure strekken tot bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden van een mogelijk hinder veroorzakend bedrijf alsmede ter bescherming van de ongehinderde bedrijfsvoering van dat betrokken bedrijf, in dit geval Groenrijk. Nu de richtafstand voor een tuincentrum geen betrekking heeft op hinder vanwege DSM strekt de richtafstand waarop DSM zich beroept dus niet tot bescherming van de belangen van DSM. Hetgeen DSM aanvoert inzake cumulatie van geluid geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Cumulatie van verschillende geluidbronnen wordt beoordeeld op grond van de Wgh en in het kader van een goede ruimtelijke ordening, maar is geen onderwerp dat de VNG-brochure met de richtafstand beoogt te regelen. Gelet daarop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat deze beroepsgrond kan leiden tot een vernietiging van het besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking.

Wijzigingsbevoegdheid plandeel "Woongebied - 2"

11.    Het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" ligt in de zuidwesthoek van het deel ’t Haantje van het plangebied. Dit plandeel is van de gronden met woonbestemming het dichtst bij DSM gelegen. Op grond van planregel 19, lid 19.2.1 onder a, kunnen hier bij recht 60 tot 120 woningen worden gebouwd. Op grond van lid 19.7 onder b. kan het college het plan wijzigen ten behoeve van het uitwisselen van woningaantallen tussen "Woongebied - 2" en "Wonen - Uit te werken 2" met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen beide bestemmingen niet meer bedraagt dan 1.645. Voorts is het college op grond van artikel 33, Algemene wijzigingsregels, onder n, bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen "Woongebied" en "Woongebied - 2", "Wonen - Uit te werken 1" en "Wonen - Uit te werken 2".

11.1.    DSM betoogt dat een groot aantal woningen in de directe nabijheid van haar industrieterrein ongewenst is in verband met de leefbaarheid, met name in verband met geluid. Ook is het volgens DSM ongewenst in verband met de externe veiligheid omdat het kan leiden tot een onaanvaardbaar hoog groepsrisico. Dit temeer daar het aantal woningen met de wijzigingsbevoegdheden nog veel hoger kan worden dan 120.

11.2.    De raad stelt dat het aantal van ten minste 60 en ten hoogste 120 woningen reeds is mogelijk gemaakt op grond van het uitwerkingsplan "Sion - ’t Haantje- Uitwerkingsplan Laan van ’t Haantje, groenrijk en aangrenzend woongebied" vastgesteld op 27 januari 2015 (hierna: uitwerkingsplan Laan van ’t Haantje enz.). Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheden zullen eerst wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld, die moeten voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat het niet de bedoeling is om in dit plandeel meer dan 120 woningen mogelijk te maken; de wijzigingsbevoegdheden zullen alleen worden gebruikt om eventueel het aantal woningen aldaar te verminderen.

11.3.    Het aantal woningen dat in dit plandeel kan worden opgericht is reeds eerder planologisch mogelijk gemaakt en met de uitvoering is een aanvang gemaakt. Voor zover niet is gebleken dat dit tot een uit het oogpunt van leefbaarheid of externe veiligheid onaanvaardbare situatie leidt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de bezwaren van DSM een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen bij de verdere uitvoering van de voorgaande plannen. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheden overweegt de Afdeling evenwel dat de raad het niet gewenst acht deze in te zetten voor verhoging van het aantal woningen in dit plandeel, maar dat de planregels daarvoor wel de mogelijkheid bieden. Nu de raad zich gelet daarop inmiddels op een ander standpunt stelt dan hij heeft gedaan bij het nemen van het bestreden besluit, is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    Dit betoog slaagt.

Geluid

12.    Het voor woningbouw bestemde deel van het plan ligt deels binnen, deels buiten de voor DSM vastgestelde geluidzone. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek weg- rail en industrielawaai Bestemmingsplan Sion - ’t Haantje, tweede herziening" van 13 oktober 2016, Kuiper Compagnons (hierna: het akoestisch rapport).

Bestemmingen buiten de geluidzone

13.    Volgens DSM voldoet het akoestisch rapport niet aan de daaraan te stellen eisen. Ten eerste is het onderzoek beperkt gebleven tot het gebied dat binnen de geluidzone ligt. Ook de plantoelichting gaat niet in op het gebied buiten de geluidzone en de planregels bevatten terzake geen bepalingen. Naarmate hoger wordt gebouwd neemt de geluidbelasting op de hoger gelegen etages toe. Omdat de geluidcontour van 50 dB(A) wordt vastgesteld op een standaardwaarneemhoogte van 5 meter is volgens DSM dus niet geborgd dat de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige objecten onder de 50 dB(A) blijft, hetgeen volgens DSM in strijd is met artikel 53 van de Wgh. DSM wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4517.

13.1.    De raad stelt dat artikel 53 van de Wgh geen regeling bevat voor woningen buiten de geluidzone. Binnen de zone geldt de Wgh, daarbuiten zal de aanvaardbaarheid van geluidbelasting beoordeeld worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De raad onderschrijft dat de geluidbelasting vanwege DSM buiten de zone niet hoger mag zijn dat 50 dB(A), ook op hoger gelegen verdiepingen. De raad wijst er op dat eerst een uitwerkingsplan zal moeten worden opgesteld. Daarbij zal onderzocht worden of de geluidbelasting niet hoger wordt dan 50 dB(A) en zo nodig zullen regels en beperkingen worden opgenomen om dit te borgen.

13.2.    De Wgh bevat geen regeling voor de geluidbelasting op gevoelige objecten buiten de zones zoals omschreven in deze wet. Evenwel mag er, zoals de Afdeling heeft overwogen in de door DSM genoemde uitspraak, van uit worden gegaan dat buiten de geluidzone rond een industrieterrein de geluidbelasting de 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ook de raad onderschrijft dit uitgangspunt en stelt dat dit bij de uitwerking geborgd zal worden. Niet iedere denkbare uitwerking hoeft bij de vaststelling van het moederplan te worden onderzocht. In dit verband verwijst de Afdeling naar hetgeen zij overweegt in deze uitspraak onder 22.3 t/m 22.5. Direct buiten de zone is de geluidbelasting vanwege DSM op een hoogte van 5 meter niet meer dan 50 dB(A) en deze belasting zal minder zijn naarmate de afstand tot de zonegrens groter is. De raad heeft ook gewezen op de mogelijkheid van afschermende bebouwing waardoor de geluidbelasting lager kan uitvallen. Gelet daarop kon de raad zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de goede ruimtelijke ordening er niet aan in de weg staat dat in delen van het plangebied buiten de geluidzone in beginsel gestapelde woningen kunnen worden gerealiseerd.

Eindbestemmingen: Woongebied - 2     

14.    Op een afstand van ongeveer 90 meter van de bestemmingsgrens van DSM ligt het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2". Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wonen. Op grond van artikel 19, lid 19.2.1, van de planregels dienen hier tenminste 60 woningen te worden gebouwd en mogen maximaal 120 woningen worden gebouwd. Voor gestapelde woningen geldt een maximale hoogte van 35 meter. Op grond van lid 19.7 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor:

a. het afwijken van de bouwhoogte van gestapelde woningen met ten hoogste 20%;

b. het onderling uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen 'Woongebied - 2' en 'Wonen - Uit te werken 2', met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen beide bestemmingen niet meer bedraagt dan 1.645.

    Eerder is voor dit plandeel het uitwerkingsplan Laan van ’t Haantje enz. vastgesteld. De daarbij vastgestelde planregeling is grotendeels in het plan overgenomen.

15.    DSM betoogt dat niet is aangetoond dat in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd is. Ook is niet aangetoond dat aan de regels van de Wgh wordt voldaan. Dit woongebied heeft om diverse redenen te maken met een extra hoge geluidbelasting omdat het omsloten is door intensief wegverkeer aan de noord- en westzijde, het tuincentrum Groenrijk aan de oostzijde en DSM aan de zuidzijde.

    Ten eerste is volgens DSM niet onderzocht of de geluidbelasting buiten de zone onder de 50 dB(A) blijft,

15.1.    Het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" ligt grotendeels binnen de geluidzone van DSM. Een klein deel ligt er buiten. Het onderzoek dat is verricht, "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai; Bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje’ - Uitwerkingsplan ‘Laan van ’t Haantje, Groenrijk en aangrenzend woongebied" van Kuipers Compagnons, 13 augustus 2014 (hierna: akoestisch rapport uitwerkingsplan), betreft alleen de vraag of aan de eisen van de Wgh wordt voldaan. Niet is onderzocht of buiten de zone op een hoogte van meer dan 5 meter de geluidbelasting vanwege DSM beperkt blijft tot het volgens de raad aanvaardbare niveau van 50 dB(A). Evenmin is onderzocht of daartoe waarborgen in de planregles zijn vereist. Nu het plan bij recht buiten de geluidzone gestapelde woningen tot een hoogte van 35 meter toelaat had de raad dit dienen te onderzoeken.

    Dit betoog slaagt.

16.    Voor zover het plandeel ligt binnen de geluidzone van DSM zijn hier volgens DSM, anders dan wordt gesteld in het akoestisch onderzoek, geen hogere grenswaarden vastgesteld.

    Ook blijkt volgens DSM niet of de geluidbelasting binnen de geluidzone onder de 55 dB(A) blijft.

16.1.    De raad heeft een besluit tot het vaststellen van hogere grenswaarden, dat genomen zou zijn in verband met het vaststellen van het uitwerkingsplan Laan van ’t Haanje enz., overgelegd. Dit besluit is echter niet gedateerd, zodat niet is vast te stellen of en zo ja wanneer dit besluit ook daadwerkelijk genomen is.

    Dit betoog slaagt.

17.    DSM betoogt dat niet blijkt of is afgewogen of hier sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de cumulatie van geluidbelasting. Over cumulatie vermeldt het akoestisch rapport volgens DSM ten onrechte dat daar waar de voorkeursgrenswaarden niet kunnen worden gerespecteerd geen woonbestemming bij recht is opgenomen, maar een uit te werken woonbestemming dan wel een wetgevingszone - wijzigingsgebied. Het woongebied naast Groenrijk is wel degelijk bij recht bestemd als woongebied, terwijl evident sprake is van cumulatie van geluid en overschrijding van de voorkeursgrenswaarden.

17.1.    Het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" ligt in meerdere geluidzones, en vereist is dat hogere waarden zoals bedoeld in de Wgh worden vastgesteld. Gelet op artikel 110f van de Wgh diende daarom onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van meerdere geluidsbronnen. Dit onderzoek is voorafgaand aan de vastelling van het bestemmingsplan niet verricht. De raad heeft alsnog onderzoek laten verrichten en het rapport "Cumulatie wegverkeers- en industrielawaai Deelplan H41" van Kuiper Compagnons, 14 juli 2017, overgelegd. Evenwel is voor dit onderzoek uitgegaan van een voorgenomen verkaveling en niet van de maximale planologische mogelijkheden, zoals gesteld door DSM en ter zitting bevestigd door de raad. Uit de toelichting blijkt ook niet dat dit een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is. In zoverre is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    Het betoog slaagt.

18.    DSM betoogt dat artikel 19, dat ziet op de bestemming "Woongebied - 2" geluidwerende voorzieningen mogelijk maakt, maar dat, die ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

18.1.    Voor zover het plandeel binnen de geluidzone van DSM ligt bestaat op grond van de Wgh de verplichting om indien nodig geluidwerende voorzieningen te treffen. Het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels is gelet op de Wgh daarom niet nodig.

    Voor zover het plandeel buiten de zone ligt had de raad, zoals onder 15.1 is overwogen, moeten onderzoeken of een goed woon- en leefklimaat, met in dit geval een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB(A), verzekerd is. Pas na dat onderzoek kan worden beoordeeld of geluidwerende maatregelen in de planregels geborgd moeten worden. De Afdeling verwijst in zoverre naar het oordeel dat is gegeven onder 15.1.

19.    DSM betoogt dat ten onrechte niet is onderzocht wat de geluidbelasting op de hoogste verdiepingen is indien gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 19, lid 19.4 en de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in lid 19.7 onder a van de planregels. Met deze bevoegdheden is het mogelijk om gestapelde woningen met een maximale hoogte van 45 meter te bouwen.

19.1.    De raad betoogt dat voor het toepassen van deze bevoegdheden nieuwe ruimtelijke besluiten nodig zijn waarvoor een afweging moet plaats vinden en waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

19.2.    Gelet op het feit dat voor het toepassen van de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden nieuwe besluiten nodig zijn waarbij een afweging moet worden gemaakt en waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, behoefde de raad niet alle maximale mogelijkheden bij het gebruik van deze bevoegdheden reeds bij de vaststelling van het plan te onderzoeken. Nu evenwel, zoals is bevestigd door de raad en in het deskundigenbericht, in het geheel geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting op de hoogste verdiepingen bij de toepassing van deze bevoegdheden in dit zeer nabij DSM gelegen plandeel, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling geen reële afweging kunnen maken of de op dit plandeel betrekking hebbende wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast.

    Dit betoog slaagt.

20.    Voorts stelt DSM dat zij betwijfelt of de raad heeft onderzocht wat artikel 29.1 van de planregels ten aanzien van de geluidzone vanwege DSM, dat luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "geluidszone industrie 1" is de bouw van geluidgevoelige objecten uitsluitend toegestaan, indien voldaan kan worden aan de in de Wgh gestelde grenswaarden of verleende hogere waarden" in de praktijk zal betekenen voor de realisatie van de bestemming. Volgens DSM zal deze bestemming geheel,  althans grotendeels onuitvoerbaar zijn. Ook ontbreekt een afweging ten aanzien van het woon- en leefklimaat ter plaatse, zo betoogt DSM.

20.1.    Hetgeen is aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen uitwerking van het plan mogelijk is die voldoet aan de in de Wgh gestelde grenswaarden en verleende hogere waarden. Gelet daarop is er geen aanleiding het plan vanwege deze planregel niet uitvoerbaar te achten.

Uit te werken bestemmingen

21.    De uit te werken bestemmingen in de nabijheid van DSM liggen in de bestemming "Wonen- Uit te werken 2" in het plangebied ten noorden van de bufferzone.  Een deel daarvan ligt binnen de geluidzone van DSM. Het zuidoostelijk deel ligt dicht bij de 55 dB(A)-contour. In de plantoelichting is vermeld dat indien in dit laatste gebied woningbouw van meer dan twee lagen plaatsvindt door middel van nader onderzoek moet worden aangetoond dat aan de maximale ontheffingswaarde wordt voldaan. Dat is aan de orde op het moment dat de bestemming voor die gronden worden uitgewerkt.

22.    DSM betoogt dat de inhoudelijke afweging omtrent het aspect geluid wordt doorgeschoven naar de uitwerkingsplannen: pas dan zal het college moeten bezien in hoeverre het realiseren van een bepaald voor bewoning bestemd gebouw met een bepaalde hoogte op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. DSM acht dat bezwaarlijk om de volgende redenen.

    Ten eerste ziet DSM een tendens waarbij van de totale woningbouwopgave in het gehele gebied Sion 't Haantje een verschuiving plaatsvindt van deelgebied Sion naar deelgebied 't Haantje. De flexibiliteit om bij de uitwerking van het plan de geluidgevoelige objecten zoveel mogelijk buiten de geluidzone te realiseren neemt daarmee af. Ook zal de druk om gestapelde woningen te realiseren groter worden, aldus DSM.

    In de uitwerkingsregels van artikel 22.2 is de realisatie van een dove gevel en het treffen van de volgens het onderzoek benodigde geluidwerende maatregelen niet voorgeschreven. Dat had volgens DSM wel gemoeten. Bovendien is het volgens DSM de vraag of deze maatregelen zijn toegestaan, nu in de doeleindenomschrijving van artikel 22.1 geluidwerende voorzieningen niet voorkomen.

    De enige beperking die het bestemmingsplan op het aspect geluid kent is artikel 29, lid 29.1. Op basis van het akoestisch onderzoek concludeert DSM dat het bestemmingsplan, gelet op dit artikel, binnen de geluidzone geheel of grotendeels onuitvoerbaar zal zijn, in elk geval waar het betreft de gestapelde woningen. DSM licht dat als volgt toe. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de 55 dB(A)-contour op een hoogte van 34,5 m ruimschoots binnen de "Wonen - Uit te werken 2" bestemming is gelegen. Omdat niet uit te sluiten is dat de maximale ontheffingswaarde op de verdiepingen in de bestemming "Wonen - Uit te werken 2" ten noorden van de Laan van ‘t Haantje wordt overschreden dient bij de uitwerking van de plannen het geluidsaspect specifiek te worden onderzocht. Het rapport beschrijft de maatregelen die getroffen moeten worden om gestapelde bouw mogelijk te maken. Kort samengevat gaat het om een zogenaamde "dove gevel" aan de zijde van de Laan van 't Haantje en geluidwerende voorzieningen aan de zijgevels. De dove gevel is aan de normering van de Wgh onttrokken (art. 1b lid 5 Wgh). Ten aanzien van de zijgevels blijkt uit het akoestisch onderzoek dat met maximale geluidwerende maatregelen (uitkragende gevel + gesloten borstwering van anderhalve meter hoog) de geluidbelasting op de gevel op de elfde verdieping kan worden teruggebracht tot net 55 dB (A). Dat is volgens DSM niet voldoende, omdat daarmee deze gevel maatgevend wordt voor de maximale geluidbelasting vanwege DSM. Er is volgens DSM dan in feite sprake van een inkrimping van de geluidzone.

    Tot slot is de vraag of de maatregelen financieel en maatschappelijk uitvoerbaar zijn. De plantoelichting vermeldt hier niets over, aldus DSM.

22.1.    De raad stelt dat het plan geen verschuiving van de woningbouw van Sion naar ’t Haantje meebrengt vergeleken met de mogelijkheden in de eerste herziening. Ten opzichte van bestemmingsplan Sion - ’t Haantje zijn er 120 woningen verplaatst van het gebied Sion naar het gebied ’t Haantje, maar dat is de facto reeds gebeurd  bij de vaststelling van het uitwerkingsplan Laan van ’t Haantje enz.

    De raad stelt voorts dat voor de uitvoering van het plan eerst nog een uitwerkingsplan moet worden vastgesteld en dat daarbij zal worden beoordeeld welke uitvoering in overeenstemming is met het recht en een goede ruimtelijke ordening. De raad betoogt dat thans niet alles wat met toepassing van de uitwerkingsbevoegdheid mogelijk is hoeft te worden onderzocht. Voldoende is dat is onderzocht of de te realiseren bestemming uitvoerbaar is, maar dat brengt niet mee dat elke mogelijke uitwerking moet zijn onderzocht. Voor zover de uitwerkingsregels ruimte bieden moet bij de vaststelling van uitwerkingsplannen een belangenafweging worden verricht en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan worden beoordeeld. Deze afwegingen kunnen ook ten volle in beroep worden beoordeeld, aldus de raad. De uitwerkingsregels in het plan zijn globaal, zodat het college alle ruimte heeft om de betrokken belangen af te wegen.

22.2.    In paragraaf 2.2 van de plantoelichting zijn de wijzigingen die dit plan ten opzichte van de eerste herziening meebrengt toegelicht. Onder 10. van deze paragraaf wordt vermeld, kort gezegd, dat met het plan een verschuiving van 120 woningen van Sion naar ’t Haantje wordt vastgelegd. Daargelaten of dit de facto reeds eerder is gebeurd wordt de door DSM gestelde verschuiving in elk geval met dit plan formeel planologisch verwerkt. Evenwel betekent dit op zich nog niet dat woningen dichter bij DSM worden gerealiseerd, noch dat deze omstandigheid ertoe leidt dat strijd met de Wgh of met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Gelet daarop acht de Afdeling de vraag of de 120 woningen als gevolg van dit plan of als gevolg van de eerste herziening van Sion naar ’t Haantje zijn verplaatst niet van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling van de onder 22 weergegeven beroepsgronden.

22.3.    Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

22.4.    Gelet op het voorgaande dient het college bij het vaststellen van een uitwerkingsplan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met het recht en een goede ruimtelijke ordening, dit laatste voor zover de uitwerkingsregels daartoe de ruimte laten. De raad stelt zich op het standpunt dat een toetsing aan een goede ruimtelijke ordening, bij een afweging van de betrokken belangen, moet worden verricht voor zover de uitwerkingsregels daarvoor ruimte bieden, en dat dat in dit geval, gelet op de ruimte die de uitwerkingsregels bieden, betekent dat het college een brede afweging moet maken en dat gelet daarop niet iedere mogelijke uitwerking bij de vaststelling van het moederplan behoeft te worden beoordeeld, maar dat de uiteindelijke beoordeling kan worden verricht bij de vaststelling van het uitwerkingsplan. Dat standpunt is naar het oordeel van de Afdeling juist.

22.5.    Voorts overweegt de Afdeling dat bij vaststelling van het uitwerkingsplan zal moeten worden gewaarborgd dat wordt voldaan aan de regels van de Wgh en de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. Het is derhalve niet nodig dit in de uitwerkingsregels op te nemen, nu deze de ruimte laten voor een volledige beoordeling. Voorts is het voor het kunnen realiseren van dove gevels en het kunnen treffen van bouwkundige maatregelen niet nodig dit in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Bij de vaststelling van het uitwerkingsplan kunnen uitvoeringsmaatregelen indien nodig in de bestemmingsomschrijving worden opgenomen en worden voorgeschreven.

22.6.    Ook voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid om tot een grotere hoogte te kunnen bouwen dan 35 meter is een nieuw planologisch besluit nodig waarbij zal kunnen en moeten worden afgewogen of wordt voldaan aan de eisen van de Wgh en een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de  omvang van het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken 2" en de afstand van een deel van het gebied tot DSM ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheden niet op een ruimtelijk aanvaardbare wijze zouden kunnen worden toegepast. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien hoe de vaststelling van hogere waarden voor de nieuw te bouwen woningen kan leiden tot een inkrimping van de geluidzone. De geluidzone voor DSM ligt vast. Deze zone zal bij de toepassing van de bevoegdheden in acht genomen dienen te worden.

22.7.    Voorts is er in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat geen uitwerking van het bestemmingsplan mogelijk is waarbij voldaan wordt aan de regels van de Wgh. Evenmin geeft het aangevoerde aanleiding voor twijfel aan de financiële of maatschappelijke uitvoerbaarheid.

    Het betoog faalt.

Contra-expertise geluid DSM

23.    Ter onderbouwing van haar standpunt dat het akoestisch rapport dat bij het plan is gevoegd onvoldoende rekening houdt met de ontwikkelmogelijkheden van DSM en dat de vaststelling van het plan en de hogere waarden op basis van dit rapport leidt tot een inperking van deze ontwikkelmogelijkheden heeft DSM een notitie ingebracht van LBP Sight, van 28 juli 2017, welke een beoordeling van het akoestisch rapport inhoudt (hierna: de contra-expertise).

23.1.    De geluidruimte van DSM wordt bepaald door de geluidzone. Zoals reeds werd overwogen onder 22.6 zal deze bij het vaststellen van het uitwerkingsplan en de hogere waarden gerespecteerd moeten worden. Niet duidelijk is of en hoe de contra-expertise met dit feit rekening heeft gehouden. Gelet daarop ziet de Afdeling in de contra-expertise geen aanleiding om te oordelen dat het plan tot een beperking van de geluidruimte van DSM leidt.

    Het betoog faalt.

Wijzigingsgebieden

24.    DSM betoogt dat het akoestisch onderzoek niet ingaat op de akoestische haalbaarheid van krachtens een wijzigingsplan te bouwen woningen. Binnen de geluidzone van DSM bevinden zich "wetgevingszones - wijzigingsgebied". Voor de daarin gelegen bestemmingen bevat het plan een wijzigingsbevoegdheid die voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Ten onrechte is volgens DSM hierop in het akoestisch onderzoek niet ingegaan.

24.1.    Het deskundigenbericht bevestigt dat geen specifiek akoestisch onderzoek is gedaan naar de wetgevingszones. Evenwel is uit het onderzoek dat ten behoeve van de omliggende bestemmingen is verricht af te leiden dat de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in beginsel uitvoerbaar is, enerzijds doordat dat uit het onderzoek van de bestemming waarin de wetgevingszones zijn gelegen blijkt, anderzijds doordat de wetgevingszone op grotere afstand van DSM ligt dan het onderzochte gebied. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Gelet daarop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de wetgevingszones om akoestische redenen niet mogelijk is.

    Het betoog faalt.

Tuinen en buitenruimten

25.    DSM betoogt dat in het akoestisch onderzoek niet is beoordeeld of de geluidbelasting in tuinen en buitenruimten aanvaardbaar is.

25.1.    De raad stelt dat het op dit moment nog niet duidelijk is waar de buitenruimten zich zullen bevinden en hoe deze uitgevoerd zullen worden. Daarom is er in het akoestisch onderzoek nog geen aandacht aan besteed.

25.2.    Volgens het deskundigenbericht is uit de berekende geluidbelasting  op de gevels af te leiden dat de maximale geluidbelasting op de zijgevels en eventuele buitenruimte aldaar na maatregelen 55 dB(A) zal bedragen op een hoogte van 33,5 meter. In de tuinen op de begane grond zal de geluidbelasting maximaal 55 dB(A) bedragen op een hoogte van 1,5 meter. Een dergelijke geluidbelasting is volgens het deskundigenbericht niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding deze conclusie van het deskundigenbericht niet te volgen. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat de geluidbelasting van de buitenruimten aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de weg staat.

    Het betoog faalt.

Externe veiligheid

26.    DSM is een inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) van toepassing is. DSM betoogt dat het groepsrisico door het bestemmingsplan aanzienlijk zal toenemen omdat binnen de voor het groepsrisico relevante PR 10-7 contour een aanzienlijke toename van het aantal personen is voorzien door de realisatie van een bedrijventerrein en woonwijken. Deze toename moet verantwoord worden conform artikel 13 van het Bevi en het toepasselijke provinciale beleid, wat volgens DSM niet naar behoren is gebeurd.

    DSM betoogt in dit verband dat in de plantoelichting is gesteld dat voor dit bestemmingsplan een nieuw onderzoek is verricht, waarvan het rapport is bijgevoegd, maar dat bijgevoegde rapport heeft betrekking op de eerste herziening. Bovendien is de in dat rapport getrokken conclusie dat als gevolg van het plan geen toename van het groepsrisico meer zal optreden niet gebaseerd op een vergelijking met de actuele situatie in het plangebied, maar met de plansituatie, waarmee kennelijk wordt gedoeld op het groepsrisico na realisatie van het bestemmingsplan Sion - ’t Haantje. Dat is niet conform artikel 13, lid 1 aanhef en onder a en b van het Bevi, welke bepalingen spreken van de aanwezige dichtheid van personen en het groepsrisico per inrichting op het tijdstip dat het besluit werd genomen, aldus DSM.

    DSM betoogt voorts dat de conclusie die impliciet wordt getrokken in het rapport, namelijk dat het plan leidt tot een toename van de overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico met 21% en niet zoals bij de eerste herziening tot maximaal 32% niet te herleiden is tot onderzoek.

    DSM betoogt voorts dat zich sinds 2011 allerlei ontwikkelingen hebben voorgedaan, zowel op de bedrijfslocatie van DSM (omgevingsvergunningen voor nieuwe activiteiten, de vaststelling van het bestemmingsplan DSM dat aan DSM de nodige ontwikkelruimte toekent), als in Rijswijk (verlening van omgevingsvergunningen voor concrete bouwprojecten, de vaststelling van diverse uitwerkingsplannen en de twee herzieningen van het moederplan). De raad had daarom in het kader van de vaststelling van deze tweede herziening van het plan het SAVE-rapport uit 2011 integraal moeten laten actualiseren. Nu dat niet is gedaan bestaat geen actueel inzicht in de effecten van het bestemmingsplan, hetgeen in strijd is met artikel 13, eerste lid van het Bevi.

    Voorts betoogt DSM dat onderdeel f van artikel 13, eerste lid, van het Bevi voorschrijft dat in de plantoelichting de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico worden vermeld. Daaraan is niet voldaan, volgens DSM. Ook is niet voldaan aan onderdeel g, waarin een beschrijving wordt geëist van de mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. Het belang van een deugdelijk alternatieven- en maatregelenonderzoek kan volgens DSM geïllustreerd worden met de beoogde woonwijk naast het tuincentrum Groenrijk. Deze ligt vrijwel geheel binnen de PR 10-7 contour en levert dus een significante bijdrage aan het groepsrisico. De bestemming "Woongebied - 2" voor deze woonwijk maakt het mogelijk om een zeer hoge concentratie bewoning op zeer korte afstand van DSM te realiseren. De bestemming laat bij recht tot 120 woningen toe, en met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 19, lid 19.7, kunnen dit er zelfs nog (veel) meer worden. Ook laat de bestemming toe dat aan de zuidgrens van het plangebied bijvoorbeeld een appartementengebouw in 12 of (met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid) 16 lagen wordt gebouwd. De gevolgen van dergelijke bebouwing en de alternatieven met een lager groepsrisico zijn niet in beeld gebracht.    

    DSM heeft in reactie op het deskundigenbericht en op de nader door de raad ingebrachte stukken een rapport ingebracht van Anteagroup, "Advies groepsrisico Sion ’t Haantje tweede herziening revisie 1.0", van 27 juli 2017 (hierna: het DSM rapport). Dit rapport bevat enkele kanttekeningen bij het StAB-advies en een berekening van het groepsrisico bij een aantal scenario’s met een hogere of lagere personendichtheid nabij DSM.

26.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen relevante veranderingen meebrengt en dat de vergunning van DSM niet gewijzigd is, zodat de tweede herziening geen verslechtering van het groepsrisico teweeg kan brengen.

    De raad heeft het rapport "Groepsrisico berekeningen Rijswijk op basis van de QRA van DSM Delft Permit B.V", Anteagroup 9 mei 2017, in de procedure ingebracht (hierna: het Antearapport van 9 mei 2017). Dit rapport is opgesteld ten behoeve van de voorbereiding van het uitwerkingsplan  "t Haantje-Midden". Het rapport ziet op het gehele in dit opzicht relevante deel van het plangebied. Volgens dit rapport is de overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij de op grond van het plan te verwachten personendichtheid maximaal 27% op basis van de vigerende bestemmingsplancapaciteit, en 25% op basis van het gerealiseerd programma.

    Ten aanzien van het DSM-rapport stelt de raad dat het Bevi niet verplicht tot het doorrekenen van allerlei worst-case scenario’s, en dat de scenario’s die zien op uitvoeringen van het bestemmingsplan met de hoogste personendichtheden, hoewel in theorie mogelijk, feitelijk geheel onrealistisch zijn.

26.2.    In het deskundigenbericht wordt gesteld dat er gelet op het feit dat niet is vast te stellen of het plan tot een verdere verslechtering van het groepsrisico leidt dan het bestemmingsplan Sion - ’t Haantje deed, en gelet op de uitvoerige verantwoording van het groepsrisico bij dat bestemmingsplan geen uitdrukkelijke aanleiding is om de gevolgen voor het groepsrisico vanwege de voorliggende tweede herziening nader te verantwoorden.

26.3.    De Afdeling overweegt dat het plan grotendeels nog steeds globaal is en dat voor de uitwerking nadere besluiten nodig zijn, waarbij op grond van concrete plannen een meer nauwkeurige berekening van het groepsrisico kan plaatsvinden. Evenwel geldt dat niet voor het nabij DSM gelegen plandeel met de bestemming "Woongebied - 2". Anders dan in bestemmingsplan Sion - ’t Haantje en de eerste herziening zijn daar nu 120 woningen bij recht mogelijk gemaakt. Dat is niet in de berekeningen betrokken. Ook voor het uitwerkingsplan Laan van ’t Haantje enz. is geen nieuwe berekening uitgevoerd. In zoverre is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De raad heeft met het Antearapport van 9 mei 2017 alsnog een actuele herberekening, inclusief de 120 woningen die mogelijk zijn gemaakt in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2", overgelegd. De Afdeling constateert evenwel dat een verantwoording van het groepsrisico op grond van de berekening in dat rapport niet heeft plaatsgevonden. Bij de verantwoording van het groepsrisico in de toelichting bij bestemmingsplan Sion - ’t Haantje werd nog uitgegaan van een overschrijding van de oriëntatiewaarde met 18%. De waarden van 21% en 32% overschrijding van de oriëntatiewaarde waar de raad in het verweerschrift op wijst, zijn niet op een eerder gegeven verantwoording terug te voeren. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

    Het betoog slaagt.

26.4.    Ten aanzien van hetgeen DSM naar voren heeft gebracht over de gevolgen van het toepassen van wijzigingsbevoegdheid verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 11.3.

    Ten aanzien van het DSM rapport overweegt de Afdeling dat dit aanschouwelijk maakt dat de concrete invulling van het plangebied relevant is voor de hoogte van het groepsrisico. Dat betekent evenwel niet dat de raad in zijn verantwoording van het groepsrisico al deze scenario’s had moeten betrekken.

27.    Voorts betoogt DSM dat de planregels wat betreft de mogelijkheden om fatale effecten van een ramp te voorkomen en te bestrijden beperkt zijn tot de mogelijkheid om nadere eisen te stellen aan vluchtmogelijkheden en de afsluitbaarheid van mechanische ventilatie. Dat is onvoldoende om aan de onderdelen h en i van artikel 13, eerste lid, van het Bevi te voldoen volgens DSM.

27.1.    Onderdeel h van artikel 13 heeft betrekking op mogelijkheden binnen de inrichting. Deze kunnen niet worden geregeld in het bestemmingsplan en er is, ook gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit onvoldoende in de verantwoording bij het bestemmingsplan Sion - ’t Haantje heeft betrokken. Aan de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen (onderdeel i) is in de toelichting bij "Sion - ’t Haantje" aandacht besteed, en de nadere eisen ten aanzien van vluchtwegen hebben hierop ook betrekking. Gelet daarop is er geen strijd met artikel 13, eerste lid, onderdelen h en i, van het Bevi.

28.    Voorts betoogt DSM dat in de plantoelichting niet is vermeld of overleg heeft plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland, noch of de veiligheidsregio in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen, noch wat het overleg en advies hebben opgeleverd. Dat is strijdig met het tweede en het derde lid van artikel 13 van het Bevi, aldus DSM.

    DSM betoogt voorts dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan het beleid van de provincie Zuid-Holland, dat er op is gericht de overschrijding van de oriëntatiewaarde terug te brengen tot 0. Dat betekent dat DSM bij de aanvraag van een vergunning voor nieuwe activiteiten geconfronteerd zal kunnen worden met de eis dat maatregelen worden genomen om het groepsrisico terug te brengen. Hoe groter de overschrijding, hoe bezwaarlijker dat zal zijn, aldus DSM.

28.1.    De veiligheidsregio heeft advies uitgebracht. Dit is als bijlage 1 bij de Nota van Zienswijzen gevoegd. De raad stelt dat steeds overleg met het provinciebestuur plaats vindt. Daarvan zijn echter geen verslagen beschikbaar en in de toelichting is ook niet op de resultaten van dit overleg ingegaan. Gelet op artikel 13, tweede lid, van het Bevi, en gelet op de mogelijke gevolgen van het provinciale beleid voor DSM was dat naar het oordeel van de Afdeling wel vereist. Het besluit steunt in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

    Het betoog slaagt.

29.    Ten slotte betoogt DSM in dit verband dat de planregels in artikel 33 onder n. een onduidelijke regeling bevatten. Dit onderdeel van de algemene wijzigingsregels bevat een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om het plan te wijzigen ten behoeve van:

"het onderling uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen 'Woongebied', 'Woongebied - 2’, 'Wonen - Uit te werken 1' en 'Wonen - Uit te werken 2’ met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen deze bestemmingen niet meer mag bedragen dan 3.400; deze bevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast indien een acceptabel externe veiligheidsniveau is verzekerd."

Volgens DSM is onduidelijk wat bedoeld is met een acceptabel extern veiligheidsniveau. Als bedoeld is dat het groepsrisico niet mag toenemen door deze wijziging dan had dat zo opgeschreven moeten worden, aldus DSM.

29.1.    De raad stelt in zijn reactie op het deskundigenbericht dat bedoeld is dat een verschuiving van woningaantallen tussen de verschillende gebieden niet mag leiden tot een significante verhoging van de overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

29.2.    De bedoeling zoals toegelicht door de raad blijkt niet uit de regel zoals zij thans luidt, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid. De Afdeling merkt met betrekking tot de door de raad gestelde bedoeling van de planregel op dat ook het begrip "significante" in dit verband verduidelijking behoeft.

    Het betoog slaagt.

Geur

30.    In het zuidoostelijk deel van het plangebied is op de verbeelding de gebiedsaanduiding "Milieuzone - geurzone" opgenomen. De geurzone beslaat het gebied waar de geurbelasting vanwege DSM tussen de 3 en 5 geureenheden per m3 (3-5 ge/m3) als 98 percentielwaarde ligt. De geurzone strekt zich vanaf het bedrijfsterrein van DSM uit over gronden met de bestemmingen "Wonen - 1", "Woongebied - 2", "Bedrijventerrein", "Bedrijventerrein - Uit te werken" en verkeer- en groenbestemmingen in deelgebied 't Haantje.

31.    DSM betoogt dat bij de tweede herziening bij de bepaling van de geurbelasting vanwege DSM ten onrechte is uitgegaan van de vigerende Wm-vergunning van DSM uit 2001. De uitbreidingsmogelijkheden die het bestemmingsplan uit 2013 voor DSM biedt zijn hier niet in meegenomen. Er is geen nader geuronderzoek gedaan. Het plan houdt daarom volgens DSM ten onrechte geen rekening met potentiële toekomstige geurbelasting.

    DSM betoogt voorts dat de tweede herziening uitgaat van dezelfde begrenzing van de geurzone als de eerdere plannen, maar artikel 29, vierde lid, van de planregels (Algemene bouwregels) bepaalt dat binnen deze zone uitsluitend type 2 inrichtingen en type 3 inrichtingen zijn toegestaan en dat type 1 inrichtingen zijn uitgesloten. Voorheen waren alle geurgevoelige objecten in algemene zin uitgesloten. Bij het onderscheiden van de verschillende types wordt aangesloten bij de Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland" van november 2010. De types zijn gedefinieerd in de planregels, 1.46, 1.47 en 1.48. Op grond van deze regels zou binnen de geurzone vergunning verleend kunnen worden voor onder andere een bedrijfswoning, voor verspreid liggende woningen en voor kantoren en winkels. De plantoelichting gaat er daarentegen van uit dat in het gebied waar de geurbelasting vanwege DSM tussen 3 en 5 ge/m3 als 98 percentielwaarde ligt geen enkele vorm van wonen is toegestaan. De regels maken dus meer mogelijk dan blijkens de toelichting is onderzocht, aldus DSM.

31.1.    De raad stelt dat het niet de bedoeling was om woningen toe te staan, en dat over het hoofd is gezien dat de huidige formulering van de planregels dat in theorie toestaat. Evenwel is het feitelijk niet mogelijk om bedoelde woningtypen te realiseren, zoals ook wordt opgemerkt in het deskundigenbericht.

31.2.    De Afdeling overweegt dat inderdaad uit het deskundigenbericht blijkt dat de woningen die de planregel in theorie toelaat in feite niet binnen de geurzone mogelijk zijn. Nu evenwel de planregel de indruk wekt dat bepaalde soorten woningen kunnen worden toegelaten is deze regel onduidelijk, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid.

    Het betoog slaagt.

31.3.    Voor zover DSM betoogt dat geen rekening is gehouden met haar uitbreidingsmogelijkheden verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 8.2.

Verouderd onderzoek

32.    DSM betoogt dat het milieueffectrapport (hierna: MER) "Milieueffectrapport Gebiedsontwikkeling Rijswijk-Zuid" van 14 december 2010, niet meer aan dit plan ten grondslag mocht worden gelegd. Artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) bepaalt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Voor gegevens met een statisch karakter kan gebruik worden gemaakt van oudere gegevens en onderzoeken, volgens DSM, maar voor gegevens met een dynamisch karakter dient de termijn van twee jaar gehanteerd te worden. In dit geval hebben de gegevens een dynamisch karakter volgens DSM, omdat de gevolgen voor het milieu wijzigen met het wijzigen van de activiteiten van DSM en andere bedrijven. Sinds 2010 heeft DSM veranderingen ondergaan waardoor de oude gegevens niet meer actueel zijn, zoals volgens DSM blijkt uit de aanvraag om een revisievergunning die de provincie van DSM verlangt. Ook de plannen voor Rijswijk Buiten zijn veranderd, aldus DSM.

32.1.    Het MER uit 2010 is opgesteld om de milieueffecten van de ontwikkeling als geheel - een grootschalige ontwikkeling van woningen en voorzieningen op deze plek ter vervanging van eerdere agrarische (met name glastuinbouw) bestemmingen - te onderzoeken. De ontwikkeling is vervolgens in gang gezet, deels uitgevoerd en deels vastgelegd in onherroepelijke plannen. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om ten behoeve van de tweede herziening een nieuw integraal onderzoek in de vorm van een MER noodzakelijk te achten.

Regionale woonvisie Haaglanden

33.    DSM betoogt dat in de Regionale Woonvisie Haaglanden is afgesproken dat de gemeente Rijswijk in de periode 2013 - 2020 maximaal 2250 woningen mag realiseren in Rijswijk Buiten. Dit bestemmingsplan maakt echter 3400 woningen mogelijk, terwijl daar volgens de cijfers uit de woningmarktmonitor geen behoefte aan zou zijn. In de Nota van Zienswijzen schrijft de raad hierover dat met gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland is afgesproken dat tot en met 2020 niet meer dan de toegestane 2250 woningen gerealiseerd zullen worden, maar deze afspraak is niet op enige wijze vastgelegd in de planregels. Naleving van de Regionale Woonvisie Haaglanden is volgens DSM dus niet geborgd.

33.1.    De raad betoogt dat het relativit[appellant sub 2A]vereiste meebrengt dat deze beroepsgrond niet kan slagen omdat geen sprake is van een norm die ertoe strekt de belangen van DSM te beschermen. Het doel van de Regionale Woonvisie Haaglanden is om de woningmarktregio Haaglanden te versterken. In de woonvisie wordt het woonbeleid van de deelnemende gemeenten op elkaar afgestemd, zodat de lokale woonagenda’s elkaar aanvullen in plaats van beconcurreren. Bij deze afstemming van het woonbeleid zijn geen belangen van DSM betrokken.

    De raad stelt voorts dat de Regionale Woonvisie Haaglanden waarnaar DSM verwijst inmiddels achterhaald is. De gemeenteraad heeft op 4 april 2017 de Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017 - 2021 vastgesteld. Daarin is geen limiet in aantal of tijd gesteld voor de realisatie van woningen in RijswijkBuiten.

    De raad stelt ten slotte dat in het bestemmingsplan geen fasering kan worden opgenomen voor de realisatie van dat plan. Wat betreft de goede ruimtelijke ordening wordt immers uitgegaan van de maximale invulling van het bestemmingsplan. Wanneer de afzonderlijke mogelijkheden van het bestemmingsplan worden gerealiseerd, is met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet relevant. De afspraken met de provincie over de fasering konden en hoefden dus niet in de bestemmingsplanregels te worden vastgelegd.

33.2.    De Afdeling acht het standpunt van de raad dat voor de beoordeling van de ruimtelijke ordening de maximale invulling van het bestemmingsplan relevant is en niet de fasering van de invulling juist. Niet is gebleken dat de Regionale Woonvisie Haaglanden aan het aantal woningen dat op grond van het plan kan worden gerealiseerd in de weg staat. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat naleving van afspraken over de fasering daardoor niet kunnen worden nageleefd.

    De vraag of het relativit[appellant sub 2A]vereiste aan het slagen van deze beroepsgrond in de weg staat blijft gelet daarop onbesproken.

Tussenuitspraak

34.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil naar aanleiding van het beroep van DSM aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. De raad kan dit doen door:

a.    Ten aanzien van de in artikel 19, lid 19.7 onder b. en artikel 33 onder n. van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden, met inachtneming van overweging 11.3 alsnog een planregeling vast te stellen die met zijn bedoeling overeenstemt;

b.    Met inachtneming van overweging 15.1 alsnog de geluidbelasting te onderzoeken op de woningen die mogelijk worden gemaakt in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" voor zover buiten de geluidzone van DSM gesitueerd, en zo nodig een nieuw besluit te nemen;

c.    Met inachtneming van overweging 19.2 alsnog te onderzoeken of de afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 19 van de planregels, lid 19.4 en de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in lid 19.7 onder a. op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast en zo nodig een nieuwe planregeling vast te stellen.

d.    Met inachtneming van overweging 16.1 alsnog een gedateerd besluit over te leggen tot het vaststellen van hogere geluidwaarden zoals bedoeld in artikel 110a van de Wgh met betrekking tot de woningen die mogelijk worden gemaakt in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" binnen de geluidzone vanwege DSM;

e.    Met inachtneming van overweging 17.1 alsnog een onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2" bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden en zo nodig een nieuw besluit te nemen;

f.    Met inachtneming van overweging 26.3 alsnog verantwoording af te leggen met betrekking tot het groepsrisico met inachtneming van het bij recht mogelijk gemaakte maximale aantal woningen in het plandeel met de bestemming "Woongebied - 2";

g.    Met inachtneming van overweging 28.1 alsnog verslag te doen van de resultaten van het overleg met het provinciebestuur inzake het groepsrisico in het plangebied;

h.    Met inachtneming van overweging 29.2 ten aanzien van artikel 33 onder n van de planregels een nieuwe planregeling vast te stellen;

i.    Met inachtneming van overweging 31.2 ten aanzien van artikel 29, vierde lid, van de planregels een nieuwe planregeling vast te stellen.

35.    Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet te worden toegepast.

36.    In de einduitspraak zal ten aanzien van DSM worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Het beroep van [appellant sub 2A] en andere

37.    [appellant sub 2A] is mede-eigenaar van [appellante sub 2B], gevestigd aan [locatie] te Rijswijk. Hij heeft er bezwaar tegen dat het plan de mogelijkheid biedt om de gelijkvloerse spoorwegovergang ter plaatse van het Haantje te sluiten en te vervangen door een fietstunnel. Dat zou tot gevolg hebben dat zijn bedrijf voor gemotoriseerd verkeer alleen nog via de Lange Kleiweg, vanuit het oosten, te bereiken zou zijn en niet meer direct vanuit het westen. Op dit moment kunnen auto’s direct via de Prinses Beatrixlaan en via de Lange Kleiweg zijn bedrijf bereiken.

    Voorts betoogt [appellant sub 2A] dat uit het plan niet is op te maken dat bij de uitvoering voldoende financiële waarborgen aanwezig zijn dat financiële consequenties, bijvoorbeeld voor zijn bedrijf, gedragen kunnen worden.

37.1.    De raad stelt dat de spoorwegverdubbeling en de sluiting van de bestaande overweg zijn voorzien in het Tracébesluit ‘Programma Hoogfrequent Spoorvervoer viersporigheid Rijswijk - Delft Zuid’. De raad heeft toegelicht dat het ministerie van Infrastructuur en Milieu de positie heeft bepaald van de nieuwe ongelijkvloerse kruising. Op grond van artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet dient de raad het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit vast te stellen. Voor zover [appellant sub 2A] daardoor schade leidt die redelijkerwijs niet voor zijn rekening behoort te blijven kan hij een beroep op een tegemoetkoming in de planschade doen. De raad betoogt in dit verband dat een exploitatieplan is opgesteld dat jaarlijks wordt herzien, en waaruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is. [appellant sub 2A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er onvoldoende middelen zijn om eventuele planschade te vergoeden.

37.2.    Er is gelet op de niet weersproken toelichting van de raad geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanwege de  belangen van [appellant sub 2A] niet had mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan. Ook geeft hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om de financiële uitvoerbaarheid van het plan, ook met betrekking tot de vergoeding van eventuele planschade, in twijfel te trekken.

    Het betoog faalt.

38.    Het beroep van [appellant sub 2A] en andere is ongegrond.

39.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 2A] en andere geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B]     ongegrond;

II.    draagt de raad van de gemeente Rijswijk op om:

-     binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overweging 34 de daarin omschreven gebreken te herstellen en

-    De Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Postma

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

539. Bijlage

Artikel 13 van het Bevi luidt:

"1. Indien het bevoegd gezag een besluit vaststelt als bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met derde lid, 3.26, eerste lid, of 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsvergunning verleent waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken dan wel krachtens artikel 11 van de Woningwet van de bouwverordening wordt afgeweken, op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, wordt in de toelichting bij of in de ruimtelijke onderbouwing van het desbetreffende besluit, behoudens het vierde lid, in elk geval vermeld:

a. de aanwezige en de op grond van dat besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting of inrichtingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, voorzover het invloedsgebied ligt binnen het gebied waarop dat besluit betrekking heeft, op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld;

b. het groepsrisico per inrichting op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar;

c. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door degene die de inrichting drijft, die dat risico mede veroorzaakt en, indien van toepassing, de voorschriften die zijn of worden verbonden aan de voor die inrichting geldende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

d. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in dat besluit zijn opgenomen;

e. de voorschriften ter beperking van het groepsrisico die het bevoegd gezag voornemens is te verbinden aan de voor een inrichting, die behoort tot een categorie van inrichtingen ten behoeve waarvan dat besluit wordt vastgesteld, te verlenen omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

f. de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico;

g. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;

h. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, waarvan de gevolgen zich uitstrekken buiten die inrichting, en

i. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp voordoet.

2 Alvorens het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in het eerste lid

vaststelt, voert dat bevoegd gezag overleg met het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting die mede bepalend is voor de hoogte van het groepsrisico in het gebied waarop dat besluit betrekking heeft.

3 Voorafgaand aan de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid stelt het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, het bestuur van de veiligheidsregio waarin het gebied ligt waarop dat besluit betrekking heeft, in de gelegenheid om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.

4 In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in de toelichting bij of in de ruimtelijke onderbouwing van een besluit als bedoeld in het eerste lid, verwijzen naar een gemeentelijke, regionale of provinciale structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, indien in die structuurvisie een samenhangende visie is opgenomen over de gewenste planologische ontwikkeling van een breder gebied in relatie tot voorkoming of bestrijding van een ramp en in die structuurvisie ten minste aandacht is besteed aan de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f tot en met i.

De relevante planregels luiden:

Artikel 1 Begrippen

1.46 type 1 inrichtingen

meest geurgevoelige functies, waaronder woonwijken, lintbebouwing, ziekenhuizen, sanatoria, bejaarden- en verpleegtehuizen, recreatiegebieden (verblijfsrecreatie), woonwagenterreinen, woonboten, asielzoekerscentra, scholen en dagverblijven (niet-limitatief), zoals bedoeld in de 'Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland' van november 2010;

1.47 type 2 inrichtingen

minder geurgevoelige functies, waaronder bedrijfswoningen, woningen in het landelijk gebied, verspreid liggende woningen, recreatiegebieden (dagrecreatie), kantoren en winkels (niet-limitatief), zoals bedoeld in de 'Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland' van november 2010;

1.48 type 3 inrichtingen

licht geurgevoelige functies, waaronder bedrijfsterreinen en industriegebieden

Artikel 19 Woongebied - 2

19.1 Bestemmingsomschrijving

19.1.1 Algemeen

De voor 'Woongebied - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

•    a. wonen;

•    b. wonen in combinatie met een zorgfunctie;

•    c. aan huis gebonden beroepen;

met daaraan ondergeschikt:

•    d. dienstverlening;

•    e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

•    f. bruggen, viaducten en tunnels ten behoeve van kruisende infrastructuur;

•    g. parkeervoorzieningen, al dan niet (half) ondergronds;

•    h. speelvoorzieningen;

•    i. nutsvoorzieningen, waaronder een rioolgemaal en leidingen;

•    j. wegen en paden;

•    k. geluidwerende voorzieningen;

•    l. bermen en beplanting;

•    m. straatmeubilair;

met de daarbij behorende:

•    n. tuinen en erven;

•    o. gebouwen;

•    p. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

(…)

19.2 Bouwregels

19.2.1 Hoofdgebouwen

•    a. binnen de bestemming dienen tenminste 60 woningen te worden gebouwd en mogen maximaal 120 woningen worden gebouwd;

•    b. van het aantal woningen binnen de bestemmingen als bedoeld in de artikelen 18, 19, 21 en 22 worden ten minste 10% sociale huurwoningen gebouwd;

•    c. de bouwhoogte van de grondgebonden woningen mag maximaal 13 m bedragen;

•    d. voor grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen, geldt dat de diepte van het hoofdgebouw maximaal 15 m bedraagt;

•    e. voor grondgebonden woningen in de vorm van aaneengebouwde woningen, geen patiowoningen zijnde, geldt dat de diepte van het hoofdgebouw maximaal 12 m bedraagt;

•    f. voor grondgebonden woningen in de vorm van patiowoningen geldt dat de diepte van het hoofdgebouw maximaal 25 m bedraagt;

•    g. de bouwhoogte van gestapelde woningen mag maximaal 35 m bedragen.

•    (…)

19.2.4 Voorwaardelijke verplichting

•    a. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, alsmede een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, mag pas worden verleend indien in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse van de gronden met de bestemming 'Woongebied - 2' geen ecologische waarden en/of natuurwaarden worden geschaad.

•    b. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, mag pas worden verleend indien in voldoende mate is aangetoond dat het gebouw wordt voorzien van een afsluitbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten.

19.3 Nadere eisen

19.3.1 Externe veiligheid - vluchtmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de uitpandige vluchtroutes, en de bereikbaarheid voor de brandweer, voor zover dit niet elders in dit plan is vastgelegd, nadere eisen stellen aan:

•    a. vluchtmogelijkheden en de situering van bouwwerken;

•    b. vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte;

•    c. vluchtmogelijkheden en het bebouwd oppervlak van gebouwen;

•    d. vluchtmogelijkheden en het vloeroppervlak van gebouwen.

19.3.2 Externe veiligheid - afsluitbaarheid mechanische ventilatie

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen, nadere eisen stellen aan de afsluitbaarheid van mechanische ventilatie.

19.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van:

•    a. het bepaalde in lid 19.2.1 onder c ten behoeve van een afwijking van niet meer dan 2 m;

o    (…)

•    (…)

19.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor:

•    a. het afwijken van de bouwhoogte van gestapelde woningen met ten hoogste 20%;

•    b. het onderling uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen 'Woongebied - 2' en 'Wonen - Uit te werken 2', met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen beide bestemmingen niet meer bedraagt dan 1.645.

Artikel 22 Wonen - Uit te werken 2

22.1 Bestemmingsomschrijving

22.1.1

De voor 'Wonen - Uit te werken 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

•    a. wonen;

•    b. wonen in combinatie met een zorgfunctie;

•    c. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;

•    d. maatschappelijke voorzieningen, sport en recreatie, met in acht name van het bepaalde in lid 22.6;

•    e. horeca met een maximum brutovloeroppervlakte van 400 m²;

•    f. een basisschool;

met daaraan ondergeschikt:

•    g. overige maatschappelijke voorzieningen, waaronder voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en -verblijf;

•    h. detailhandel (maximaal 2.400 m2 b.v.o.);

•    i. dienstverlening;

•    j. groen en water;

•    k. wegen en paden;

•    l. parkeren;

•    m. speelvoorzieningen;

•    n. nutsvoorzieningen, waaronder een rioolgemaal en leidingen;

•    o. straatmeubilair;

met de daarbij behorende:

•    p. erven en tuinen;

•    q. gebouwen;

•    r. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

(…)

22.2 Uitwerkingsregels

Ten aanzien van de in lid 22.1 bedoelde gronden gelden de volgende uitwerkingsregels:

•    a. binnen de bestemming Wonen - Uit te werken 2 mogen gezamenlijk ten hoogste 1.525 woningen worden gebouwd, waarvan maximaal 50% gestapelde woningen, met dien verstande dat het aantal gestapelde woningen binnen de gezamenlijke bestemmingen ‘Woongebied’, ‘Woongebied - 2’, ‘Wonen - Uit te werken 1’ en ‘Wonen - Uit te werken 2’ niet meer dan 30% van het totale aantal woningen (3.400) mag bedragen;

•    (…)

•    c. de bouwhoogte van de grondgebonden woningen mag maximaal 13 m bedragen;

•    d. de bouwhoogte van gestapelde woningen mag maximaal 35 m bedragen;

•    (…)

•    i. artikel 13 van het Bevi wordt gehanteerd, wat kan leiden tot maatregelen in het kader van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid;

•    (…)

22.3 Bouwregels

22.3.1 Bouwverbod

Ten aanzien van de in lid 22.1 bedoelde gronden geldt dat het bouwen van bouwwerken uitsluitend is toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders uitgewerkt plan dat in werking is getreden.

22.4 Nadere eisen

22.4.1 Externe veiligheid - vluchtmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de uitpandige vluchtroutes, en de bereikbaarheid voor de brandweer, voor zover dit niet elders in dit plan is vastgelegd, nadere eisen stellen aan:

•    a. vluchtmogelijkheden en de situering van bouwwerken;

•    b. vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte;

•    c. vluchtmogelijkheden en het bebouwd oppervlak van gebouwen;

•    d. vluchtmogelijkheden en het vloeroppervlak van gebouwen.

22.4.2 Externe veiligheid - afsluitbaarheid mechanische ventilatie

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen, nadere eisen stellen aan de afsluitbaarheid van mechanische ventilatie.

•    (…)

22.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

•    a. het afwijken van de bouwhoogte van gestapelde woningen met ten hoogste 20%;

•    b. het onderling uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen 'Woongebied - 2' en 'Wonen - Uit te werken 2', met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen beide bestemmingen niet meer bedraagt dan 1.645.

Artikel 29 Algemene bouwregels

29.1 Geluidzone - industrie 1

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone -  industrie 1' is de bouw van geluidsgevoelige objecten uitsluitend toegestaan, indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde grenswaarden of de verleende hogere waarden.

(…)

29.4 Milieuzone - geurzone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geurzone' zijn uitsluitend type 2 inrichtingen en type 3 inrichtingen toegestaan; type 1 inrichtingen zijn uitgesloten.

Artikel 33 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

•    (…)

•    n. het onderling uitwisselen van woningaantallen binnen de bestemmingen 'Woongebied', 'Woongebied - 2', 'Wonen - Uit te werken 1' en 'Wonen - Uit te werken 2' met dien verstande dat het totale aantal woningen binnen deze bestemmingen niet meer mag bedragen dan 3.400; deze bevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast indien een acceptabel externe veiligheidsniveau is verzekerd.