Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201607241/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:5220, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het algemeen bestuur besloten de aanvraag van [appellante] voor een ligplaatsvergunning voor het [passagiersvaartuig] op het adres Amsteldijk t.o. nr. […] te Amsterdam te weigeren op grond van artikel 2.4.1, vierde lid in samenhang met artikel 2.3.1, tweede en derde lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: VOB 2010).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607241/1/A3.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2016 in zaak nr. 15/8351 in het geding tussen:

[appellante]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het algemeen bestuur besloten de aanvraag van [appellante] voor een ligplaatsvergunning voor het [passagiersvaartuig] op het adres Amsteldijk t.o. nr. […] te Amsterdam te weigeren op grond van artikel 2.4.1, vierde lid in samenhang met artikel 2.3.1, tweede en derde lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: VOB 2010).

Bij besluit van 18 november 2015 heeft het algemeen bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Nicolai, advocaat te Amsterdam, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] wil een ligplaats voor haar passagiersschip aan de Amsteldijk t.o. nr. […] te Amsterdam. De ligplaatsvergunning is geweigerd omdat geen omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is of zal worden verleend. Daarnaast heeft het algemeen bestuur aan de weigering ten grondslag gelegd dat het gebruik als ligplaats voor passagiersschepen in strijd is met het bestemmingsplan. [appellante] meent dat het algemeen bestuur de ligplaatsvergunning niet op deze gronden had kunnen weigeren.

Beroepsgronden

2.    [appellante] betoogt dat aan de weigering van de ligplaatsvergunning niet ten grondslag kon worden gelegd dat nog geen omgevingsvergunning verleend was voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat de omgevingsvergunning niet valt onder de overige vergunningen als bedoeld in artikel 2.3.1, derde lid, in samenhang met artikel 2.4.1, vierde lid, van de VOB 2010. Zij betoogt dat een redelijke uitleg van artikel 2.3.1, derde lid, van de VOB 2010 met zich brengt dat dit artikel alleen ziet op gevallen waarin op grond van een andere regeling een vergunning of ontheffing is voorgeschreven. Dat is volgens haar hier niet het geval. Dat met een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik de strijd met het bestemmingsplan kan worden opgeheven, maakt volgens haar niet dat een vergunning of ontheffing wettelijk voorgeschreven is.

    [appellante] betoogt voorts dat het in strijd is met de systematiek van artikel 2.3.1 van de VOB 2010, nu in dat artikel in het tweede lid de bevoegdheid is gegeven de ligplaatsvergunning te weigeren in het belang van het bestemmingsplan. Dat betekent volgens [appellante] dat bij strijd met het bestemmingsplan een belangenafweging moet worden gemaakt of een ligplaatsvergunning verleend wordt. Het derde lid biedt geen ruimte voor belangenafweging. Deze dwingende weigeringsgrond in het derde lid strookt volgens [appellante] niet met de bevoegdheid in het tweede lid die ruimte geeft voor een belangenafweging.

2.1.    Artikel 2.4.1,  eerste en vierde lid, van de VOB 2010 luidt:

"1. Het is verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden.

[…]

4. Artikel 2.3.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

    Artikel 2.3.1, eerste en tweede lid, van de VOB 2010 luidt:

"2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu, het bestemmingsplan en de vlotte en veilige doorvaart.

3. De vergunning kan alleen worden verleend, indien de overige vergunningen of ontheffingen zijn of worden verleend."

2.2.    Niet in geschil is dat het in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Water in de Pijp" om ligplaats in te nemen aan de Amsteldijk t.o. nr. […].

    Anders dan [appellante] betoogt, is voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan een vergunning vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a. Een dergelijke vergunning is aan [appellante] niet verleend.

    In de toelichting op artikel 2.3.1 van de VOB 2010 staat:

"Met de woorden "overige vergunningen of ontheffingen" in het derde lid wordt gedoeld op vergunningen die verstrekt worden op basis van bijvoorbeeld de Keur AGV of de Waterwet. Het moet de voor de burger onduidelijke situatie voorkomen bijvoorbeeld dat deze van Waternet wel een ligplaatsvergunning krijgt, hoewel Waternet tevens een benodigde Keurvergunning weigert." Hieruit blijkt dat de raad met het artikel wil voorkomen dat een ligplaatsvergunning wordt verleend terwijl een andere vergunning die noodzakelijk is om gebruik te kunnen maken van de ligplaatsvergunning nog niet verleend is en mogelijk niet verleend zal worden.

    Gelet op de tekst van het derde lid van artikel 2.3.1 van de VOB 2010 en de toelichting op het artikel ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met overige vergunningen in het derde lid niet mede wordt gedoeld op de omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik.

    De Afdeling volgt [appellante] niet in zijn uitleg dat de onderlinge samenhang van het tweede en derde lid van dit artikel dwingt tot een tegengesteld oordeel. Zoals het algemeen bestuur ter zitting heeft toegelicht schrijft het tweede lid van artikel 2.3.1 voor dat, naast andere belangen, het belang van het bestemmingsplan wordt meegewogen bij beoordeling van een aanvraag. Deze beoordeling is ruimer dan de beoordeling of het gebruik is verboden in het bestemmingsplan en de beoordeling of een omgevingsvergunning voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan nodig is.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de omgevingsvergunning onder de overige vergunningen als bedoeld in het derde lid van artikel 2.3.1 van de VOB 2010 valt.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet geoordeeld heeft dat het algemeen bestuur een ligplaatsvergunning had kunnen verlenen met als voorwaarde dat deze in werking treedt als de omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan verleend is.

3.1.    Het algemeen bestuur was niet voornemens om een omgevingsvergunning te verlenen. Nu deze niet verleend was en ook geen concreet uitzicht bestond dat deze verleend zou worden, is voldaan aan artikel 2.3.1, derde lid, van de VOB 2010 en diende het algemeen bestuur de vergunning te weigeren.

    Gelet daarop behoeft het betoog van [appellante] dat het, gelet op het gemeentelijk beleid en het Besluit omgevingsrecht, aannemelijk is dat de omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik verleend kan worden, geen bespreking. De discussie of de omgevingsvergunning, die inmiddels is geweigerd, terecht is geweigerd, dient in de procedure die [appellante] tegen de weigering is gestart, gevoerd te worden.

4.    Ter zitting is, in aanvulling op de beroepsgronden, door [appellante] betoogd dat artikel 2.3.1, derde lid, van de VOB 2010 onverbindend is omdat deze bepaling ziet op bescherming van belangen die reeds door de Wabo beschermd worden en derhalve strijdig is met de Wabo. Artikel 2.3.1, derde lid, bepaalt dat de ligplaatsvergunning alleen kan worden verleend als andere vergunningen verleend zijn of worden verleend. Zoals hiervoor is toegelicht strekt deze bepaling ertoe om te voorkomen dat een ligplaatsvergunning wordt verleend waarvan geen gebruik kan worden gemaakt. De bepaling ziet niet op een formele of inhoudelijke beoordeling van die andere vergunningen, ook geeft de bepaling geen procedurevoorschriften voor de verlening van die andere vergunningen. De bepaling ziet dus enkel op de verlening van de ligplaatsvergunning. Het betoog dat artikel 2.3.1, derde lid, onverbindend is omdat deze op hetzelfde onderwerp ziet als de Wabo en daar mee in strijd is, faalt derhalve.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Slump    w.g. Rietberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

725.