Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201601759/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:934, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het CBR geweigerd een verklaring van geschiktheid af te geven aan [appellante].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/109 met annotatie van Redactie
AB 2017/109 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601759/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2016 in zaak nr. 15/4507 in het geding tussen:

[appellante]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het CBR geweigerd een verklaring van geschiktheid af te geven aan [appellante].

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en N. Epstein, tolk, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft op 24 oktober 2014 een aanvraag gedaan voor verkrijging van een verklaring van geschiktheid. Alvorens het CBR kan beoordelen of aan haar een dergelijke verklaring kan worden verstrekt, is een nader onderzoek door een psychiater noodzakelijk. Op 22 november 2014 is [appellante] gezien door keurend psychiater M. Riebandt. Deze psychiater heeft in zijn rapport aan de medisch adviseur van het CBR geadviseerd [appellante] als ongeschikt aan te merken vanwege een ‘depressieve stoornis, herhaald, niet in remisse’. Gelet op dit advies, de omstandigheid dat geen sprake is van een recidiefvrij jaar met betrekking tot de depressie en nu volgens het CBR de eigen behandelend psycholoog van [appellante] een depressie bevestigt, heeft het CBR op 20 januari 2015 geweigerd een verklaring van geschiktheid af te geven. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 19 juni 2015.

2. De wettelijke bepalingen zijn in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR zijn besluitvorming heeft kunnen baseren op het advies van de keurend psychiater en de onderliggende rapportage.

Het onderzoek bij de keurend psychiater heeft volgens [appellante] niet zorgvuldig plaats gevonden, nu hij ten onrechte heeft vermeld dat zij de Nederlandse taal beheerst en dat het contact goed op gang kwam. [appellante] stelt de Nederlandse taal niet te beheersen en bijstand nodig te hebben bij het vertalen van de gesprekken. [appellante] heeft ter zitting toegelicht dat bij eerdere keuringen haar dochter aanwezig was om haar bij te staan maar dat haar dochter haar door omstandigheden dit keer niet kon begeleiden. Zij heeft naar eigen zeggen tijdens het onderzoek verzocht of zij haar dochter kon bellen zodat zij telefonisch als tolk kon optreden, maar dat dat verzoek niet werd gehonoreerd. [appellante] vermoedt dan ook dat de keurend psychiater zich geen goed beeld heeft kunnen vormen.

Voorts stelt [appellante] dat haar behandelend psycholoog heeft medegedeeld dat er geen bijzonderheden zijn om aan haar rijgeschiktheid te twijfelen. Nu de behandelend psycholoog [appellante] beter kent dan de keurend psychiater, is haar behandelend psycholoog beter in staat te oordelen of zij al dan niet geschikt is een voertuig te besturen op grond van haar eventuele klachten, aldus [appellante]. Het had volgens haar op de weg van het CBR dan wel de rechtbank gelegen om een onafhankelijke arts te benoemen die haar rijgeschiktheid zou kunnen onderzoeken.

[appellante] betwist tot slot depressief te zijn dan wel dat haar klachten haar rijgeschiktheid beïnvloeden.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1521, bestaat aanleiding om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR het besluit op bezwaar van 19 juni 2015 heeft kunnen baseren op het advies van de keurend psychiater en het daaraan ten grondslag liggende rapport. Niet aannemelijk is gemaakt dat dat rapport naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het CBR zich niet daarop heeft mogen baseren.

In het rapport van de keurend psychiater is vermeld dat [appellante] de Nederlandse taal beheerst en dat het contact goed op gang is gekomen. Het CBR heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting alsmede ter zitting gewezen op een aantal verslagen van eerdere onderzoeken van [appellante] in onder meer de jaren 2006 en 2011 door verschillende psychiaters, waaruit naar voren komt dat zij de Nederlandse taal beheerst en de communicatie goed verliep. Het CBR heeft ter zitting voorts toegelicht dat indien dat niet het geval is daarvan melding wordt gemaakt in het verslag. Onder die omstandigheden is door [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om een onderzoek van een psychiater in een zaak als de onderhavige goed mogelijk te maken en dat zij niet in staat zou zijn om op voldoende niveau te reageren op medische vragen en gegevens kan verstrekken over haar ziektebeeld.

De door haar ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat zij de keurend psychiater maar kort heeft gezien en amper heeft gesproken en het onderzoek hoofdzakelijk werd verricht door een arts-assistent, maakt evenmin dat het CBR zich niet op het verslag van de keurend psychiater heeft kunnen baseren. Het is niet ongewoon dat een (deel van het) onderzoek onder supervisie van een keurend psychiater wordt verricht door een arts-assistent.

De rechtbank heeft voorts aan de omstandigheid dat de behandelend psycholoog in zijn rapport van 25 november 2014 heeft vermeld dat hij geen bijzonderheden heeft opgemerkt om aan de rijgeschiktheid van [appellante] te twijfelen, terecht niet de waarde toegekend die [appellante] daaraan toekent. [appellante] was immers niet bij de behandelend psycholoog om te bezien of zij rijgeschikt kon worden geacht en voorts blijkt uit deze enkele mededeling niet dat de behandelend psycholoog aan de hand van de in paragraaf 8.1 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 opgenomen criteria de rijgeschiktheid van [appellante] heeft beoordeeld, voor zover hij zich daar al over mag uitlaten. De rechtbank heeft dienaangaande terecht overwogen dat het oordeel over de rijgeschiktheid aan de onafhankelijk keurend psychiater is, die [appellante] persoonlijk niet kent.

Dat [appellante] niet depressief zou zijn, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Uit de bij de behandelend psycholoog opgevraagde informatie blijkt dat ook hij bij [appellante] de diagnose depressie heeft gesteld. Deze diagnose is door de keurend psychiater overgenomen, mede gelet op de in zijn rapport opgenomen toelichting van [appellante] op haar voorgeschiedenis en medische situatie, waaronder de omstandigheid dat zij twee jaar geleden depressieve klachten heeft ontwikkeld. Er bestaat geen grond te twijfelen aan de door zowel de behandelend psycholoog als de keurend psychiater gestelde diagnoses. De Afdeling ziet in de door [appellante] gestelde omstandigheid dat haar behandelend arts een psycholoog is en de keurend arts een psychiater geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomst van het rapport van de keurend psychiater, nu laatstgenoemde mede op basis van het rapport van de behandelend psycholoog goed in staat is het ziektebeeld te beoordelen. De enkele omstandigheid dat de keurend psychiater voor het CBR keuringen uitvoert, betekent evenmin dat het onderzoek niet juist is uitgevoerd. Dat [appellante] de aan haar voorgeschreven medicijnen ook gebruikt ter bestrijding van andere klachten, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, omdat gelet op de rapporten van de behandelend psycholoog en keurend psychiater ten tijde van de besluitvorming voor het CBR geen reden bestond te twijfelen aan de diagnose depressie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] indien zij het niet eens was met de conclusie van de keurend psychiater zelf een herkeuring had kunnen aanvragen of een contrarapportage kunnen indienen, maar zij heeft daarvan afgezien.

Nu uit het verslag van de keurend psychiater volgt dat [appellante] lijdt aan een depressieve stoornis, welke stoornis ten tijde van de keuring nog niet in remissie was, was het CBR gehouden de verklaring van geschiktheid te weigeren.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

374.

BIJLAGE

Reglement rijbewijzen

Artikel 103

1. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, registreert het in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid. Deze registratie vindt plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van:

a. de bevindingen van de arts of artsen of deskundige of deskundigen, of

b. de eigen verklaring, indien geen vordering als bedoeld in artikel 101, eerste lid, is gedaan.

[…]

Artikel 104

1. Indien de aanvrager van een verklaring van geschiktheid een mededeling heeft ontvangen dat geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt geregistreerd, dat een verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd voor minder categorieën dan waarop de aanvraag betrekking heeft, of dat in het rijbewijzenregister een termijn als bedoeld in artikel 103, tweede lid, dan wel een gecodeerde aanduiding als bedoeld in artikel 103, vierde, vijfde of zesde lid, is geregistreerd, kan hij binnen vier weken na ontvangst daarvan het CBR verzoeken een of meer artsen aan te wijzen voor een keuring of herkeuring op zijn eigen kosten.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000

Hoofdstuk 8 Psychiatrische stoornissen

8.1 Algemeen

De in dit hoofdstuk beschreven eisen hebben voornamelijk betrekking op deze situatie: een voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek. Bij de beoordeling van die voorgeschiedenis is van belang: het ziektebeloop (de betrokkene zal bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening), de (on)voorspelbaarheid van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw van de betrokkene. Als de aandoening een reversibele organische stoornis tot grondslag had (heeft), dan kan de keurling na herstel in de regel goedgekeurd worden. Is of was een reversibele organische stoornis niet in het geding, dan doet zich de vraag voor of er restverschijnselen zijn, of dat er kans is op een recidief dat de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Beantwoording van die vraag vergt een specialistisch rapport.

8.3 Stemmingsstoornissen

Personen met een unipolaire of bipolaire stoornis, die therapeutisch goed zijn ingesteld (regelmatige controle, recidiefvrije periode van minstens één jaar) en een redelijk ziekte-inzicht hebben, hoeven in beginsel niet ongeschikt te zijn. Wel is een specialistisch rapport vereist.

Mensen met regelmatig terugkerende manische episoden zijn in het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs. Hetzelfde geldt voor mensen met een geregeld optredende depressie IEZ. Ook mensen die voor hun aandoening hoge doses sederende psychofarmaca nodig hebben, zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.