Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201605495/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1020, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 26 mei 2016, waarbij het bestemmingsplan "Rietmade Hoeven" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605495/2/R2.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Halderberge,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1020, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 26 mei 2016, waarbij het bestemmingsplan "Rietmade Hoeven" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 4 juli 2017 heeft de raad medegedeeld dat hij op 22 juni 2017 een nieuw besluit heeft genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak.

[appellant A] en [appellant B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

Voorts is de raad in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 10 oktober 2017, waar [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door A.M.C. Coppens - Timmermans, zijn verschenen. Verder is ter zitting Heijmans Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 7.1. overwogen dat de raad aanleiding had moeten zien om de wadi op gronden met de bestemming "Groen" als voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen. Vanwege het ontbreken van deze voorwaardelijke verplichting is het plan in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

De Afdeling heeft de raad opgedragen met inachtneming van overweging 7.1 een planregeling vast te stellen waarin de aanleg en instandhouding van een wadi met voldoende capaciteit is opgenomen.

2.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 26 mei 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietmade Hoeven" gegrond. Gezien de samenhang tussen de plandelen dient het gehele besluit wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

3.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 22 juni 2017 het bestemmingplan aangevuld door aan de omschrijving van de bestemming "Groen" toe te voegen dat gronden met deze bestemming ook bestemd zijn voor een wadi.

Tevens is artikel 5, lid 5.4.3. aan de planregels behorend bij de bestemming   "Wonen" toegevoegd. Dit artikellid luidt als volgt:

"a. bij een omgevingsvergunning, gericht op (bouw)werkzaamheden zoals bedoeld in 5.2.2 dient te worden opgenomen dat nieuwe hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden gebruikt, indien binnen een termijn van 2 maanden na oplevering van de laatste woning binnen de bestemming Groen, een wadi voor het infiltreren van water is gerealiseerd en wordt gehandhaafd;

b. de huisaansluiting op het schoonwater stelsel wordt gerealiseerd bij start van de realisatie van de woningen;

c. de wadi zoals bedoeld in lid a wordt voor minimaal 1/3 deel gerealiseerd bij start van de realisatie van de woningen;

d. de wadi zoals bedoeld in lid a heeft een diepte van tenminste 65 cm, hetgeen leidt tot een capaciteit van tenminste 225 m3  berging."

4.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

5.    Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet het beroep van [appellant A] en [appellant B] worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 juni 2017.

6.    [appellant A] en [appellant B] stellen dat niet aan de opdracht zoals gegeven bij de tussenuitspraak is voldaan en dat met de gewijzigde planregeling de aanleg van een wadi met voldoende capaciteit niet publiekrechtelijk is gewaarborgd. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de planregel ten onrechte gekoppeld aan het niet in gebruik mogen nemen van de woningen. Volgens appellanten leidt juist de toename van de bebouwing en niet de ingebruikname van de woningen tot wateroverlast.

Voorts stellen [appellant A] en [appellant B] dat in artikel 5, lid 5.4.3. ten onrechte geen minimale oppervlakte van de wadi wordt genoemd en derhalve ook geen minimale inhoud is verzekerd.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het zeker is dat de wadi in totaliteit zal worden aangelegd. 1/3 van de wadi zal reeds bij aanvang van de bouw worden aangelegd. 2/3 na oplevering van de laatste woning. De raad acht het evident dat de woningen na de bouw zullen worden opgeleverd.

Het opnemen van een minimale oppervlakte acht de raad gelet op artikel 5, lid 5.4.3. onder d, van de planregels overbodig.

Voor extra tussentijdse wateroverlast behoeft volgens de raad niet te worden gevreesd. Voorts wijst de raad erop dat het plan voorziet in een wadi met een grotere oppervlakte dan door het waterschap wordt voorgeschreven.

6.2.    In overweging 9 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad met inachtneming van overweging 7.1. een planregeling vast dient te stellen waarin de aanleg en instandhouding van een wadi met voldoende capaciteit als voorwaardelijke verplichting is opgenomen.

6.3.    Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet is verzekerd dat de wadi voldoende capaciteit zal hebben nu in artikel 5, lid 5.4.3. onder d, van de planregels geen minimale oppervlakte wordt voorgeschreven, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge genoemd artikelonderdeel heeft de wadi een diepte van tenminste 65 cm, hetgeen leidt tot een capaciteit van tenminste 225 m3 berging.

Weliswaar wordt in genoemd artikelonderdeel niet gesproken over een minimale oppervlakte van de wadi, maar in het artikelonderdeel is wel bepaald dat de capaciteit van de berging minimaal 225 m3 dient te zijn.

De Afdeling is van oordeel dat met genoemde planregel is voorzien in voldoende capaciteit waarmee op dit punt aan de tussenuitspraak is voldaan.

    De Afdeling acht in dit geval de in het plan opgenomen regeling ook voor het overige aanvaardbaar. De Afdeling betrekt daarbij dat het plan betrekking heeft op slechts 10 woningen en dat ingevolge artikel 5.4.3. onder c, van de planregels de wadi voor minimaal 1/3 deel gerealiseerd wordt bij de start van de bouw van de woningen.

Het overige deel van de wadi dient binnen een termijn van 2 maanden na oplevering van de laatste woning te worden gerealiseerd.

Blijkens de reactie van de raad op de zienswijze en het verhandelde ter zitting heeft genoemde fasering als praktische reden dat de gronden die uiteindelijk voor het tweede deel van de wadi zullen worden benut tijdens de bouw van de woningen worden gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. Dit om de overlast voor omwonenden, waaronder [appellant A] en [appellant B], te beperken. Voorts heeft de raad in de reactie op de zienswijze toegelicht dat met de bouw van de woningen eerst zal worden begonnen indien 80% van de woningen is verkocht.

    Overigens eist het waterschap in een situatie als de onderhavige, waarbij sprake is van een toename van de verharding van minder dan 2000 m2 geen minimale berging. Echter, indien het waterschap bij de in het plan opgenomen toename van de verharding voor 60 mm-compensatie wel een minimale bergingseis zou stellen dan zou deze volgens de raad omgerekend 115 m3 bedragen. [appellant A] en [appellant B] hebben dit niet bestreden. Aan deze ruimtelijke bergingseis wordt in dit geval ruimschoots voldaan. Blijkens de meest recente tekeningen bedraagt 1/3 deel van de inhoud van de wadi zoals die bij aanvang van de bouw van de woningen zal worden aangelegd immers reeds 150 m3 .

Het betoog faalt.

6.4.    Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 22 juni 2017 is ongegrond.

6.5.    Gezien de wijze van herstel door de raad, waarbij niet het gehele plan opnieuw is vastgesteld, maar het plan uitsluitend is aangevuld, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 26 mei 2016 in stand te laten.

6.6.    De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Halderberge van 26 mei 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietmade Hoeven" gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Halderberge van 26 mei 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rietmade Hoeven";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 mei 2016 in stand blijven;

IV.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van 22 juni 2017 ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 742,50 (zegge: zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Halderberge aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

425.