Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201700440/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om onder meer handhavend op te treden tegen de Stichting Exploitatie Eurocircuit ter zake van motorcrossactiviteiten op het perceel van de voormalige vuilstortplaats aan de Victoriedijk te Valkenswaard afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/269 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2017/1232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700440/1/A1.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Valkenswaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2016 in zaak nr. 16/2272 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om onder meer handhavend op te treden tegen de Stichting Exploitatie Eurocircuit ter zake van motorcrossactiviteiten op het perceel van de voormalige vuilstortplaats aan de Victoriedijk te Valkenswaard afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en de Stichting Exploitatie Eurocircuit hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2017, waar [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en S.M.P. Looijmans, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De Stichting Exploitatie Eurocircuit exploiteert een autorallycircuit en een motorcrossterrein, tezamen Eurocircuit genoemd. [appellant] woont in de omgeving van het Eurocircuit in Dommelen, gemeente Valkenswaard. Bij brief van 2 november 2015, aangevuld op 5 november 2015, heeft [appellant] het college verzocht om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te nemen ter zake van het door de Stichting Exploitatie Eurocircuit verrichten van motorcrossactiviteiten op het westelijke deel van de voormalige vuilstortplaats voor motorcrossactiviteiten zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Voorts heeft hij verzocht om op te treden tegen het gebruik door vrachtwagens van het zandpad langs de vuilstortplaats door de plaatsing van twee verbodsborden, zodat vrachtwagens het zandpad niet langer kunnen gebruiken. Door het gebruik van gronden van de voormalige vuilstortplaats en het zandpad zullen volgens [appellant] trillingen optreden, waardoor het ter plaatse aanwezige vervuilde grondwater zich sneller in de richting van Dommelen zal verplaatsen, hetgeen hij ongewenst acht.

    Bij besluiten van 31 augustus 1993 zijn aan rechtsvoorgangers van de Stichting Exploitatie Eurocircuit vergunningen ingevolge de Hinderwet, thans omgevingsvergunningen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verleend voor een motorcrossterrein respectievelijk een autorallycircuit. Het vergunde autorallycircuit ligt verder dan het motorcrossterrein van de voormalige vuilstortplaats af.

    Het college heeft zich bij het in bezwaar gehandhaafde besluit op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de Stichting Exploitatie Eurocircuit de omgevingsvergunningen niet naleeft. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zich wat betreft het gebruik door vrachtwagens van het zandpad geen overtreding heeft voorgedaan, aangezien vrachtwagens van het zandpad gebruik mogen maken. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de door hem in beroep aangevoerde grond dat het gebruik van het perceel van de voormalige vuilstortplaats voor motorcrossactiviteiten in strijd is met het bestemmingsplan, niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Ook betoogt hij dat beide omgevingsvergunningen worden overtreden wat betreft onder meer geluidhinder, de uitstoot van stikstof, luchtkwaliteit, kamperen, het bijhouden van logboeken alsmede de openingstijden van de inrichtingen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat bij de verplaatsing van het verontreinigde grondwater sprake is van risico’s voor de volksgezondheid en dat er nadelige gevolgen optreden voor de nabij het motorcrossterrein gelegen gebieden De Malpie en het Beekdal van de Keersop.

2.1.    [appellant] heeft eerst in beroep genoemde gronden naar voren gebracht. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat het handhavingsverzoek van 2 november 2015, aangevuld op 5 november 2015, geen betrekking heeft op de desbetreffende onderwerpen. Dit verzoek was beperkt tot motorcrossactiviteiten die buiten het terrein van de inrichting zouden plaatsvinden, en het gebruik door vrachtwagens van het zandpad. Het in bezwaar gehandhaafde besluit, waartegen het beroep is gericht, heeft geen betrekking op de onder overweging 2 genoemde onderwerpen. De gestelde omstandigheid dat het college zowel in het verweerschrift in bezwaar als tijdens de hoorzitting is ingegaan op deze gronden, wat daar verder ook van zij, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gronden in zoverre niet inhoudelijk beoordeeld kunnen worden, omdat die de omvang van het geschil te buiten gaan.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich wat betreft de motorcrossactiviteiten, voor zover deze plaatsvinden op het perceel van de voormalige vuilstortplaats, een overtreding heeft voorgedaan. De voor het motorcrossterrein geldende omgevingsvergunning staat geen motorcrossactiviteiten toe op het westelijk deel van de voormalige vuilstortplaats, zo stelt hij. Daarbij wijst hij op een bij de omgevingsvergunning behorende situatietekening, waarop te zien zou zijn dat aan de oostzijde van het motorcrossterrein een ‘hap’ uit het terrein is genomen. Deze ‘hap’ betreft de gronden van de voormalige vuilstortplaats, zo stelt hij, en vormt geen onderdeel van het terrein van de inrichting, zodat daarop derhalve geen motorcrossactiviteiten zijn toegestaan. Verder wijst hij voor de omvang van de inrichting op een kaart, afkomstig van de website Topotijdreis.nl, waarop het Eurocircuit is weergegeven. [appellant] stelt dat de activiteiten van het motorcrossterrein in de loop van de jaren in oostelijke richting zijn uitgebreid.

    Volgens [appellant] kan de omgevingsvergunning hoe dan ook geen activiteiten toestaan op het terrein van de voormalige vuilstortplaats, omdat het college in 1993 niet voor een groter terrein dan waarvoor vergunning is aangevraagd vergunning mocht verlenen. Ter ondersteuning van zijn betoog stelt [appellant] verder dat aan de rechtsvoorgangers van de Stichting Exploitatie Eurocircuit twee vergunningen voor twee afzonderlijke inrichtingen zijn verleend en dat in het destijds geldende bestemmingsplan aan de gronden de bestemming "Definitief bos" is gegeven. Hij acht het onaannemelijk dat destijds in strijd met het bestemmingsplan vergunning is verleend. Verder stelt [appellant] dat blijkens bodemonderzoeksrapporten de voormalige vuilstortplaats een ander kadastraal nummer heeft dan de bij de Stichting Exploitatie Eurocircuit in gebruik zijnde percelen hebben.

3.1.    Wat betreft de gestelde motorcrossactiviteiten buiten het terrein van de inrichting is de omgevingsvergunning voor het motorcrossterrein van betekenis. Deze vergunning is in rechte onaantastbaar. Dat betekent dat reeds daarom van de juistheid van die vergunning moet worden uitgegaan.

    Voor de bepaling van de reikwijdte van de omgevingsvergunning voor het motorcrossterrein zijn uitsluitend de bij het besluit tot die vergunningverlening behorende stukken relevant. Aan een kaart, afkomstig van de website Topotijdreis.nl, waarop het Eurocircuit is weergegeven, komt in dat kader dan ook geen betekenis toe. Bij de omgevingsvergunning behoort een inrichtingstekening, waarop is weergegeven hoe het terrein is ingericht en waarop de begrenzing van de inrichting is weergegeven. Aan de situatietekening, waarop [appellant] een beroep doet, komt in dit verband evenmin betekenis toe. Deze situatietekening is slechts bedoeld om de ligging van de inrichting in relatie tot de omgeving daarvan inzichtelijk te maken en heeft een grotere schaal dan de inrichtingstekening en minder detaillering.     

    Blijkens de inrichtingstekening bestaat de oostelijke begrenzing uit twee lijnstukken: een lijnstuk vanaf de Victoriedijk dat in noord-zuidelijke richting loopt en ten noorden daarvan een lijnstuk dat iets meer in noordwestelijke richting loopt. Op de inrichtingstekening is geen ‘hap’, zoals door [appellant] bedoeld, te zien. De Afdeling stelt op grond van de inrichtingstekening vast dat de door [appellant] bedoelde gronden van de voormalige vuilstortplaats onderdeel uitmaken van het terrein van de inrichting. Dat aan deze gronden een ander kadastraal nummer zou zijn toegekend dan aan de gronden van het Eurocircuit, doet hieraan niet af, nu de inrichtingstekening behorend bij de omgevingsvergunning in dit kader bepalend is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat ingevolge de geldende omgevingsvergunning voor het motorcrossterrein de door [appellant] bedoelde motorcrossactiviteiten zijn toegestaan en dat een overtreding zich niet heeft voorgedaan.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter zake van het gebruik van het zandpad door vrachtwagens. Daarbij wijst hij erop dat zich een overtreding van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer heeft voorgedaan.

4.1.    Het college heeft zich bij het besluit van 14 juni 2016 op het standpunt gesteld dat zich wat betreft het gebruik door vrachtwagens van het zandpad geen overtreding heeft voorgedaan, aangezien het zandpad is opengesteld voor verkeer en vrachtwagens daarvan gebruik mogen maken. Het college heeft daarom geen aanleiding gezien verbodsborden te plaatsen, waar [appellant] in zijn handhavingsverzoek expliciet om heeft verzocht.

    [appellant] heeft thans noch in beroep, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, argumenten naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door het college ingenomen standpunt onjuist is. Wat betreft zijn betoog dat er vanwege de nadelige milieugevolgen van het gebruik door vrachtwagens van het zandpad strijd bestaat met artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, wordt overwogen dat zijn handhavingsverzoek in zoverre uitsluitend zag op de plaatsing van verkeersborden. In het aangevoerde bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar in stand heeft gelaten.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat de Stichting Exploitatie Eurocircuit de omgevingsvergunningen niet naleeft, omdat ten behoeve van het rallycircuit gebruik zou worden gemaakt van gronden van het motorcrossterrein en het autorallyterrein zou worden gebruikt voor motorcrossactiviteiten. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. Er is geen reden waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank had kunnen worden aangevoerd. [appellant] had dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, behoren te doen. Gelet hierop dient de grond reeds daarom buiten beschouwing te blijven.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Heusden

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

163.