Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201701865/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701865/1/A2.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2017 in zaak nr. 15/2093 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 10 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 11 oktober 2012, gehandhaafd bij dat van 15 november 2012, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag omdat zij niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad. Ook heeft zij geen overeenkomst overgelegd die voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Bij uitspraak van 3 juli 2013 heeft de rechtbank Overijssel geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

2.    Bij brief van 27 maart 2014 heeft [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht het besluit van 11 oktober 2012 te herzien en haar alsnog in aanmerking te brengen voor kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek afgewezen bij besluit van 14 mei 2014, gehandhaafd bij dat van 13 mei 2015, omdat [appellante] geen nieuwe stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het voorschot dient te worden herzien. De rechtbank heeft het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd in het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een herziening van het voorschot over 2009. De Afdeling heeft het door [appellante] daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2908.

3.    Thans ligt de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2009 voor. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de toeslag in lijn met het voorschot vastgesteld op nihil.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, geoordeeld dat in de voorgaande procedures bij de rechtbank en de Afdeling genoegzaam is komen vast te staan dat [appellante] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2009, nu zij niet door middel van stukken heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gehad, wat de hoogte van die kosten is en dat zij alle kosten voor de kinderopvang in 2009 heeft betaald.

Bevoegdheid Belastingdienst/Toeslagen

5.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) uiterlijk 13 weken na de aangifte Inkomstenbelasting de tegemoetkoming moet vaststellen. Dit heeft de Belastingdienst/Toeslagen nagelaten, zodat het recht op het herzien van voorschotten en het vaststellen van de toeslag in het nadeel van [appellante] ten tijde van de besluitvorming reeds was vervallen. Daarbij wijst [appellante] op de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:159). Volgens [appellante] is de in geding zijnde besluitvorming daardoor van elke rechtskracht ontbloot.

5.1.    De gemachtigde van [appellante] heeft reeds in vele andere zaken aangevoerd dat de bevoegdheid tot het herzien van voorschotten en het vaststellen van de toeslag in het nadeel van de belanghebbende vervalt na ommekomst van de termijn vermeld in artikel 19, eerste lid, van de Awir. De Afdeling heeft het betoog steeds gemotiveerd verworpen. Zie bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) de uitspraken van:

- 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1734), onder 5 en verder,

- 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2805), onder 6 en verder,

- 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2908), onder 6 en verder,

- 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3055), onder 3 en verder,

- 25 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:19), onder 5 en verder,

- 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:425), onder 5 en verder,

- 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:603), onder 4 en verder,

- 3 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1178), onder 4 en verder,

- 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1400), onder 5 en verder, en

- 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1564), onder 4 en verder.

De Afdeling ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in deze uitspraken.

5.2.    Zoals uit de voormelde uitspraken volgt, vervalt de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de belanghebbende vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft. Het besluit van 27 mei 2014, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag over 2009 definitief heeft vastgesteld, is binnen die termijn en derhalve tijdig genomen.

    Het betoog faalt.

Kosten van kinderopvang

6.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2009. Daartoe voert zij het volgende aan.

    Allereerst zijn de kosten van kinderopvang aantoonbaar voldaan. Volgens de jaaropgave van het gastouderbureau bedragen de kosten van de gastouder € 16.653,00. Uit de bankafschriften van het gastouderbureau volgt dat de gastouder € 16.836,84 - en dus zelfs te veel - betaald heeft gekregen, aldus [appellante]. [appellante] stelt daarnaast betalingen te hebben verricht aan het gastouderbureau en aan de gastouder.

    Ten tweede geldt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de kosten van kinderopvang niet slechts kunnen worden voldaan door de betaling van een geldsom, maar ook door een tegenprestatie die niet van financiële aard is. Dat volgt volgens [appellante] uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), die gold ten tijde van belang (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, blz. 10). [appellante] heeft als zodanige tegenprestatie kosten in de huishouding voldaan en bijgedragen in de behoeften van de kinderen.

    Tot slot moet, als [appellante] er niet in zou slagen bewijs van betaling te leveren, het resterende deel van de kosten worden geacht aan haar te zijn geschonken door de gastouder.

6.1.    Uit de jaaropgave volgt dat de kosten van kinderopvang over 2009 € 19.276,00 bedragen. [appellante] dient aan te tonen dat zij het gehele bedrag heeft voldaan. De betalingen van het gastouderbureau aan de gastouder, van in totaal € 16.836,84, zijn daartoe onvoldoende. Voor zover [appellante] ter zitting heeft gesteld dat uit de dossierstukken volgt dat zij een deel van de kosten in 2009 giraal heeft betaald, overweegt de Afdeling dat het dossier daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt.

    [appellante] stelt verder dat zij de gastouder € 1.958,00 contant heeft betaald. [appellante] heeft deze betalingen echter niet gestaafd met objectieve bewijsstukken, zoals kwitanties en bankafschriften waaruit volgt dat zij met de kwitanties overeenkomende geldopnames heeft gedaan. Bovendien is het gestelde bedrag niet voldoende om het resterende deel van de kosten te voldoen (€ 19.276,00 - € 16.836,84 = € 2.439,16). Aan de gestelde contante betalingen kan dan ook niet de waarde worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien.

6.2.    Eerst in hoger beroep in deze procedure stelt [appellante] dat zij de gastouder in ruil voor de kinderopvang andere dan financiële tegenprestaties heeft geleverd. Deze stelling verhoudt zich allereerst niet met de stelling dat zij de kosten van kinderopvang geheel heeft voldaan. Daarnaast heeft [appellante] geen begin van bewijs geleverd van het bestaan van de bedoelde tegenprestaties. De Afdeling acht de stelling van [appellante] dat de kosten op deze wijze zijn voldaan dan ook ongeloofwaardig, nog daargelaten of de door haar gestelde tegenprestaties kunnen worden gerekend tot de kosten van kinderopvang als bedoeld in de Wko.

6.3.    Voor zover [appellante] tot slot stelt dat het deel van de kosten dat zij niet heeft aangetoond moet worden geacht te zijn geschonken door de gastouder, kan dat haar niet baten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2106, en van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1300) volgt dat doel en strekking van de regeling tot het toekennen van kinderopvangtoeslag zich verzetten tegen het bestaan van een aanspraak op kinderopvangtoeslag bij verrekening van een schenking met de verschuldigde kosten. Daartoe is in aanmerking genomen dat door de wetgever bedoeld is dat, om voor toeslag in aanmerking te kunnen komen, de kosten van de opvang daadwerkelijk door de vraagouder moeten zijn gedragen.

6.4.    Conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag omdat zij niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad.

    Het betoog faalt.

Overeenkomst

7.    Nu reeds uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, komt de Afdeling niet toe aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de overeenkomst die aan de kinderopvang ten grondslag lag.

Toezending stukken en horen in bezwaar

8.    [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank onvoldoende gevolgen heeft verbonden aan het nalaten de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden aan haar gemachtigde. Dat geldt ook voor het ten onrechte afzien van het horen in bezwaar. De rechtbank heeft deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gepasseerd, maar dat klemt volgens [appellante] omdat de gevolgen van de gebreken daardoor voor haar rekening komen. Zonder de op de zaak betrekking hebbende stukken kan zij immers geen bezwaargronden formuleren.

8.1.    Zoals vermeld onder 2, heeft [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 27 maart 2014 verzocht om herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek bij besluit van 14 mei 2014 afgewezen. De bezwaarprocedure tegen dat besluit liep nagenoeg parallel aan de bezwaarprocedure tegen de in geding zijnde definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2009. In beide procedures werd [appellante] vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde.

    Bij brief van 6 juni 2014 heeft de gemachtigde van [appellante] in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek verzocht om de onderliggende dossierstukken en een termijn om aanvullende gronden in te dienen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de dossierstukken bij brief van 17 december 2014 toegezonden. Bij brief van 30 december 2014 heeft de gemachtigde van [appellante] nadere gronden ingediend en op 7 april 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

    In de bezwaarprocedure tegen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag heeft de gemachtigde van [appellante] in een voorlopig bezwaarschrift van 27 juni 2014 verzocht om toezending van de stukken en een termijn om aanvullende gronden in te dienen. Uit het dossier blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen hierop niet heeft gereageerd.

8.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen in deze procedure ten onrechte de stukken niet aan de gemachtigde heeft gezonden en dat de gemachtigde vóór de hoorzitting op 7 april 2015 geen gronden had aangevoerd. [appellante] is op dat moment dan ook niet gehoord over de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2009, maar - zo begrijpt de Afdeling de aangevallen uitspraak - alleen over de afwijzing van het verzoek om herziening. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien dat gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Volgens de rechtbank is [appellante] niet in haar belangen geschaad, omdat haar gronden vanwege de andere bezwaarprocedure bekend waren. Zij heeft verder haar bezwaren in beroep uiteen kunnen zetten en heeft ter zitting de gelegenheid gehad om deze toe te lichten. Dat de op de zaak betrekking hebbende stukken in strijd met artikel 6:17 van de Awb niet ook in deze procedure zijn toegezonden, kan gelet op de andere procedure eveneens worden gepasseerd. Tot slot heeft de rechtbank in de gebreken aanleiding gezien om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

8.3.    De Afdeling is van oordeel dat aan de door de rechtbank terecht geconstateerde gebreken in de besluitvorming, geen verdergaande gevolgen hoeven te worden verbonden dan de rechtbank reeds heeft gedaan. Daartoe is redengevend dat de beide bezwaarprocedures betrekking hadden op de kinderopvangtoeslag over 2009. Aan de in bezwaar bestreden besluiten liggen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag en in de procedures lag dan ook dezelfde vraag voor. Gelet daarop valt niet in te zien dat [appellante] in haar belangen is geschaad doordat de Belastingdienst/Toeslagen de stukken wel heeft toegezonden in de procedure over het herzieningsverzoek, maar niet (nogmaals) in die over de vaststelling. Verder heeft [appellante] niet gesteld dat zij andere gronden had willen aanvoeren dan zij in de andere procedure reeds had gedaan en waarover zij is gehoord.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

799.