Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201700954/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15204, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de minister de paspoortaanvragen van [appellante] en haar dochter [kind] buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2017/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700954/1/A3.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede voor het minderjarige kind [kind], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016 in zaak nr. 16/4010 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de minister de paspoortaanvragen van [appellante] en haar dochter [kind] buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 4 april 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vader] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellante] is geboren op 14 januari 1983 en bezit de Pakistaanse nationaliteit. Uit de in de bezwaarfase overgelegde geboorteakte blijkt dat zij een dochter is van [vader], geboren op 15 november 1953 in Pakistan en van [persoon A] (ook bekend als [moeder] geboren op 1 januari 1959 in Pakistan. Aan de vader is bij Koninklijk Besluit nr. 40 per 28 augustus 1985 het Nederlanderschap verleend. Uit de staat van inlichtingen behorende bij het naturalisatieverzoek van de vader blijkt dat hij zijn huwelijk met de moeder, gesloten op 12 januari 1979, heeft verzwegen. Dit huwelijk is nooit in Nederland geregistreerd. Bij besluit van 1 november 1999 is het bezwaar van de vader tegen de weigering om de huwelijksakte van het huwelijk tussen hem en de moeder te legaliseren gegrond verklaard en is overwogen dat noch het in 1978 gesloten huwelijk met [persoon B], welk huwelijk op 3 juni 1983 door echtscheiding is ontbonden, noch het in 1985 gesloten huwelijk met [persoon C], welk huwelijk op 16 augustus 1991 door echtscheiding is ontbonden, de erkenning van het huwelijk met de moeder in de weg staat.

    Op 2 juni 2014 is de dochter van [appellante], [kind], geboren in het Verenigd Koninkrijk. Uit de geboorteakte blijkt dat zij de dochter is van [persoon D], geboren op 16 januari 1982 in Pakistan.

Besluitvorming

3.    De minister heeft de aanvraag van [appellante] buiten behandeling gesteld. Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een paspoort omdat erkenning dient te worden onthouden aan het in het buitenland gesloten polygame huwelijk van de vader en moeder van [appellante] in de periode van 12 januari 1979 tot 3 juni 1983. Derhalve heeft het huwelijk naar Nederlands recht in deze periode geen rechtsgevolgen en biedt het geen grond voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen eiseres en haar vader.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het betoog van [appellante] dat het huwelijk van haar vader ten tijde van zijn naturalisatie niet meer polygaam was en zij dus heeft gedeeld in de naturalisatie, niet slaagt. De rechtbank leidt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1499) af dat het bij de beantwoording van de vraag of [appellante] uit het huwelijk van haar vader en moeder is geboren van belang is of het huwelijk op het moment van haar geboorte polygaam was (en dus in strijd met de openbare orde). [appellante] heeft niet bestreden dat het huwelijk van haar vader op het moment van haar geboorte polygaam was. Daarom kan zij hieraan geen familierechtelijke betrekkingen ontlenen, en heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft gedeeld in de naturalisatie van haar vader.

    De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat, anders dan de burgerlijke rechter en in navolging van de Afdeling (zie bijv. voormelde uitspraak van 1 juni 2016), uit de geboorteakte niet méér blijkt dan dat [appellante] is geboren uit het huwelijk van haar vader en moeder. Nu, gelet op het vorenstaande, het huwelijk op het moment van de geboorte van [appellante] polygaam was, en dus in strijd met de openbare orde, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke betrekking tussen [appellante] en haar vader niet kan worden vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de Hoge Raad van de in de uitspraak van 18 augustus 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:10145) opgeworpen prejudiciële vragen af te wachten.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet heeft gedeeld in de naturalisatie van haar vader en dat zij derhalve het Nederlanderschap niet heeft verkregen. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de vraag of zij heeft gedeeld in de naturalisatie van haar vader in 1985 moet worden beantwoord aan de hand van de situatie op dat moment. Weliswaar was haar vader ten tijde van haar geboorte in januari 1983 polygaam gehuwd, maar die situatie was niet meer aanwezig ten tijde van de naturalisatie van haar vader. Het huwelijk van haar ouders kwam toentertijd (vanaf de echtscheiding per 3 juni 1983) voor erkenning in aanmerking en dit brengt met zich dat op dat moment familierechtelijke betrekkingen tussen haar en haar vader bestonden die ook voor erkenning in aanmerking komen. Als het huwelijk wordt erkend, dan dient dat volgens [appellante] ook door te werken naar haar geboorte die uit het huwelijk is voortgekomen. Wat betreft de toepassing van de artikelen 10:100 en 10:101 van het Burgerlijk Wetboek handhaaft [appellante] haar standpunt. Of dat doel zal treffen zal volgens [appellante] met name bepaald worden door de uitkomst van de prejudiciële verwijzing van de rechtbank Den Haag en dan met name het antwoord op de derde door de rechtbank gestelde vraag, aldus [appellante].

5.1.    De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, de door de rechtbank Den Haag gestelde prejudiciële vragen beantwoord. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat het besluit van 4 april 2016 naar alle waarschijnlijkheid anders zou hebben geluid, indien hetgeen de Hoge Raad in voormelde uitspraak heeft overwogen ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest. Dat leidt volgens de minister echter niet tot het oordeel dat het besluit onrechtmatig is, nu hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over de erkenning van familierechtelijke betrekkingen uit bigame huwelijken waaraan naderhand het bigame karakter is ontvallen, niet overeenkomt met de benadering die vóór die uitspraak in de praktijk werd gehanteerd. De Afdeling overweegt dat de Hoge Raad in voormelde uitspraak het bestaande recht heeft uitgelegd. De minister had het aldus uitgelegde recht reeds bij zijn besluit van 4 april 2016 moeten toepassen. De minister heeft ter zitting erkend dat hij dit niet heeft gedaan. Het besluit van 4 april 2016 komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren. Het besluit van 4 april 2016 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking. De minister dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellante] met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de minister te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016 in zaak nr. 16/4010;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 april 2016, kenmerk: 0803/2014-NP en 0804/2014-NP;

V.    bepaalt dat tegen het door de minister van Buitenlandse Zaken te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Borman    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

730. BIJLAGE

Paspoortwet

Artikel 9

1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.    

Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 9

1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

[…].

4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

    

Artikel 52

1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.

[…].

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 1

1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat;

[…].

    

Artikel 3

1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

[…].

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.

2. Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend.

[…].

4. Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische vaderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.

[…].

Artikel 17

1. Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te

’s-Gravenhage of, indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.

[…].

Artikel 20

1. Indien in enige voor een rechterlijke instantie in Nederland aanhangige zaak onzeker is of een bij de zaak belanghebbende al dan niet het Nederlanderschap bezit of op een vroeger tijdstip bezat, kan de rechter terzake het advies van de Minister van Justitie vragen.

[…].

Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 31

1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.    

Artikel 32

Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Artikel 33

De artikelen 31 en 32 van dit Boek zijn van toepassing ongeacht of over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als hoofdvraag, dan wel als voorvraag in verband met een andere vraag wordt beslist.

Artikel 100

1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;

b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Artikel 101

1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

[…].