Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201700547/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6672, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de raad de eerder aan [appellante] verstrekte toevoeging voor het voeren van een alimentatieprocedure ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700547/1/A2.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2016 in zaak nr. 16/2652 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de raad de eerder aan [appellante] verstrekte toevoeging voor het voeren van een alimentatieprocedure ingetrokken.

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 23 mei 2016 herroepen zonder een beslissing te nemen over de gevraagde vergoeding van de kosten voor het maken van bezwaar.

Bij e-mailbericht van 28 september 2016 heeft de raad alsnog een proceskostenvergoeding voor het maken van bezwaar toegekend ter hoogte van € 124,00. Tevens heeft de raad aangeboden om de kosten voor het instellen van beroep te vergoeden alsmede het betaalde griffierecht.

Bij uitspraak van 2 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 14 juli 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de raad daarin geen kosten voor de behandeling van het bezwaarschrift heeft toegekend, de raad tot vergoeding van deze kosten veroordeeld tot een bedrag van € 124,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1.    In hoger beroep staat de vraag centraal of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de raad bij de toekenning van een proceskostenvergoeding voor het maken van bezwaar terecht wegingsfactor "zeer licht" (0,25) heeft gehanteerd. Voorts is in geschil of de rechtbank bij de veroordeling van de raad in de proceskosten voor het instellen van beroep wegingsfactor "zeer licht" (0,25) heeft kunnen hanteren.

2.    [appellante] betoogt dat de toegekende proceskostenvergoedingen niet in overeenstemming zijn met de verrichte werkzaamheden in het kader van de bezwaar- en beroepsprocedure. De bestreden besluiten dienden te worden besproken, er dienden gegevens te worden verzameld en beoordeeld en er diende zowel tijdens als na afloop van de procedures contact te worden onderhouden. Verder was een gedegen kennis noodzakelijk om te beargumenteren dat niet een dusdanig financieel resultaat was behaald in de zaak, dat met terugwerkende kracht geen aanspraak meer bestond op gefinancierde rechtsbijstand. Daartoe diende onder meer het alimentatiearrest van het Gerechtshof te worden beoordeeld alsmede de verplichtingen van [appellante] ten opzichte van de gemeente Steenbergen. Verder is inzake de proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure reeds verwezen naar een vergelijkbaar geval - uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4563 -, waarin een wegingsfactor "gemiddeld" (1) is gehanteerd in plaats van "zeer licht" (0,25). Ten onrechte heeft de rechtbank dienaangaande overwogen dat in die zaak, anders dan in onderhavige zaak, geen onenigheid bestond over de hoogte van de proceskostenvergoedingen, aldus [appellante].

3.    De raad stelt zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt dat de rechtbank een juiste uitspraak heeft gedaan. De bezwaarprocedure zag op de vraag of de raad de resultaatsbeoordeling juist heeft toegepast. Dit omvat de financiële situatie van [appellante] na beëindiging van de procedure waarvoor de toevoeging is verleend. Daartoe dienden argumenten van feitelijke en financiële aard te worden aangedragen en niet van juridische aard. Bezwaarprocedures die zien op een resultaatsbeoordeling worden volgens de Beleidsregels wegingsfactoren kosten bestuurlijke voorprocedure (hierna: de Beleidsregels) gewaardeerd met wegingsfactor "zeer licht" (0,25). Nu het bezwaarschrift alleen een uiteenzetting van het financiële resultaat bevat, gebaseerd op stukken die reeds bij de gemachtigde in bezit waren, bestond er geen aanleiding om van de Beleidsregels af te wijken en wegingsfactor "gemiddeld" (1) te hanteren. De raad verwijst naar de nota van toelichting bij de Beleidsregels. De beroepsprocedure zag alleen op de in eerste instantie niet toegekende proceskostenvergoeding. In het beroepschrift kon worden volstaan met de constatering dat de raad daaromtrent ten onrechte geen besluit heeft genomen, aldus de raad.

4.    De relevante bepalingen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) luiden als volgt:

Artikel 1, aanhef en onder a

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand."

Artikel 2, eerste lid, onder a

"Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief."

Eerste volzin van de bijlage bij het Bpb

"Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C)."

4.1.    De Afdeling beoordeelt zelfstandig - op grond van een eigen waardering - in welke gewichtscategorie een zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van de artikelen 7:15, vierde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb zijn gesteld in het Bpb en de bij dit besluit behorende bijlage. De Afdeling is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. De Afdeling is daarbij derhalve niet gebonden aan beleidsregels die het bestuursorgaan ter zake heeft vastgesteld, voor zover die leiden tot een lagere vergoeding dan naar het eigen oordeel van de Afdeling op zijn plaats is (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915).

4.2.     In het bezwaarschrift heeft [appellante] aan de hand van een berekening getracht aan te tonen dat het financieel resultaat van de procedure waarvoor de toevoeging was verleend niet van dien aard is, dat intrekking van de toevoeging gerechtvaardigd is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408), behoort de behandeling van een zaak in beginsel tot de categorie gemiddeld (met wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is, anders dan de raad stelt, in de voorliggende zaak niet gebleken. Zodanige redenen zijn niet gelegen in de omstandigheid dat, zoals de raad stelt, in de bezwaarprocedure slechts feitelijke en financiële argumenten naar voren zijn gebracht en geen juridische argumenten. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de raad wegingsfactor "zeer licht" (0,25) heeft mogen toepassen.

    [appellante] betoogt voorts terecht dat de rechtbank bij het toekennen van de proceskostenvergoeding in beroep ten onrechte wegingsfactor "zeer licht" (0,25) heeft toegepast, omdat in het geval het beroep uitsluitend betrekking heeft op de vergoeding van proceskosten wegingsfactor "licht" (0,5) moet worden toegepast.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de raad aan [appellante] een bedrag van € 248,00 dient te vergoeden voor in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de proceskostenvergoeding in bezwaar vaststellen op een bedrag van € 495,00, uitgaande van wegingsfactor "gemiddeld" (1), en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het besluit van 14 juli 2016. Tevens bepaalt de Afdeling dat de raad aan [appellante] een bedrag van € 247,50 vergoedt in verband met de behandeling van het beroep, uitgaande van een bedrag van € 495,00 per punt en een wegingsfactor "licht" (0,50).

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2016 in zaak nr. 16/2652, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] € 248,00 dient te vergoeden voor in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten;

III.    bepaalt dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro) dient te vergoeden voor in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het besluit van 14 juli 2016;

V.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 247,50 (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 247,50 (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 124,00 (zegge: honderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

480-834.