Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201606273/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2592, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om  handhavend op te treden tegen het hekwerk op het perceel van [partij] aan de [locatie 1] te Staphorst (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0215
AR 2017/5946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606273/1/A1.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Staphorst (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2016 in zaak nr. 16/134 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om  handhavend op te treden tegen het hekwerk op het perceel van [partij] aan de [locatie 1] te Staphorst (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2015 heeft het college het door [appellant]  daartegen gemaakte bezwaar onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, en het college vertegenwoordigd door mr. J.J. van den Berg en Mr. M.R. Kruisselbrink, advocaat te Zwolle, zijn verschenen. Voorts is daar [partij], vertegenwoordigd door mr. P. Bosma, advocaat te Almere, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.     Het hekwerk heeft een hoogte van bijna 2 m en een lengte van circa 40 m en loopt langs het perceel [locatie 2] waarop [appellant] woont. Aan het einde ervan is een ronde hoekpaal geplaatst, waarna het hekwerk in de breedte doorloopt aan de achterkant van het perceel [locatie 1].

    Vast staat dat het hekwerk over een lengte van 10 m staat op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Wonen - 1" rust en over een lengte van 30 m staat op gronden waarop ingevolge dat bestemmingsplan en het bestemmingsplan "Buitengebied herziening [locaties]" de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" rust.

Standpunt college

2.    Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het gehele hekwerk geen omgevingsvergunning nodig is. Ook voor zover het hekwerk is gebouwd op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur", omdat het hekwerk in zoverre in ruimtelijk opzicht direct behoort bij de woning op het perceel, in functioneel opzicht ten dienste staat van deze woning en in feitelijk opzicht direct aansluit op de erfafscheiding op de gronden met de bestemming "Wonen - 1".

De rechtbankuitspraak

2.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat er voor het college geen grond bestond om handhavend op te treden tegen het hekwerk. De rechtbank heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat er een functionele relatie bestaat tussen het hekwerk en de woning van [partij] op het perceel, ook voor zover het hekwerk staat op het perceelgedeelte met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur". Bij de beoordeling of er een functionele relatie bestaat tussen het hekwerk en de woning van [partij] speelt blijkens de Nota van toelichting bij artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor (Stb. 2010, 143, p. 150) het bestemmingsplan een relevante rol. Volgens de rechtbank moet voor het vaststellen van de functionele relatie ook betekenis worden toegekend aan het feitelijk gebruik van het perceel. In dit geval grenzen de gronden met de bestemming "Wonen - 1" direct aan de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" en is de ruimtelijke uitstraling van het grasland op de gronden met de bestemming "Wonen - 1" niet anders dan de ruimtelijke uitstraling van het grasland op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur". Niet is gebleken van een onderscheid in het gebruik van het grasland op beide gronden. Volgens de rechtbank is de grond met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" aan te merken als bij de woning van [partij] behorende buitenruimte, zodat ook voor zover het hekwerk op deze grond staat het in een functionele relatie staat met de woning van [partij]. Gelet hierop is het hekwerk tot een hoogte van 2 m omgevingsvergunningvrij. Volgens de rechtbank heeft [appellant] voorts alleen wat betreft de hoekpaal gesteld dat deze hoger is dan 2 m, namelijk 2,12 m, zodat, als die stelling al zou moeten worden gevolgd, de rechtbank van oordeel is dat in dat geval de overschrijding van de vergunningvrij toegestane hoogte van 2 m op één plek bij het hekwerk zodanig gering is dat van handhavend optreden zou behoren te worden afgezien.

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het hekwerk heeft afgewezen. Het hekwerk is niet tot een hoogte van 2 m omgevingsvergunningvrij, omdat het voor zover het staat op het perceelgedeelte met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" niet in een functionele relatie staat tot de woning van [partij] op het perceel, aldus [appellant]. Daartoe voert hij onder meer aan dat dit perceelgedeelte in ruimtelijk opzicht niet behoort bij het perceelgedeelte waarop de woning van [partij] staat. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" in 2013 was dit perceelgedeelte in gebruik als weiland voor het houden van paarden, zoals volgt uit een destijds gemaakte luchtfoto waarop twee paarden zijn te zien. Dat aan dit perceelgedeelte een agrarische bestemming is toegekend, lag ook in de rede, omdat het grenst aan de rand van het natuurgebied Reestdal, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt: "Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2. achter de voorgevelrooilijn en

3. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn."

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, is het criterium van de functionele relatie in artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor volgens de nota van toelichting bij dit artikel (Stb. 2010, 143, p. 149-151) een codificatie van de in de jurisprudentie ontwikkelde uitleg over het plaatsen van perceelafscheidingen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) op gedeelten van een perceel die in functioneel opzicht niet in relatie staan tot het zich daarop bevindende gebouw. In die jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU3806, is overwogen dat in aanmerking genomen de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb, de gestelde eis dat op een erf of een perceel reeds een gebouw staat aldus moet worden uitgelegd dat een functionele relatie bestaat tussen de erf- of perceelafscheiding en het al op dat erf of perceel staande gebouw. In bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ8479, is onder het Bblb overwogen dat de planologische regeling bij de uitleg van het begrip functionele relatie van doorslaggevend belang moet worden geacht. In bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1586, is ten aanzien van artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II het Bor herhaald dat bij de uitleg van het begrip functionele relatie doorslaggevende betekenis toekomt aan de voor het perceel geldende planologische regeling.

3.3.     De voor "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" aangewezen gronden, waarop een deel van het hekwerk staat, zijn volgens het bestemmingsplan bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden. Dit gedeelte van het perceel wordt, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde foto’s, in overeenstemming met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" feitelijk gebruikt als grasland. Gelet hierop en met inachtneming van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling, kan, voor zover het hekwerk staat op de als zodanig bestemde gronden, geen functionele relatie worden onderkend met de woning van [partij] op het perceel, zodat niet wordt voldaan aan de eisen in artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor om omgevingsvergunningvrij te mogen bouwen. Dat de ruimtelijke uitstraling van het grasland op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" niet anders is dan de ruimtelijke uitstraling van het grasland op de gronden met de bestemming "Wonen - 1" omdat het perceel in zijn geheel in gebruik is als grasland, doet hieraan niet af. Zoals volgt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie is de bestemming bepalend voor het antwoord op de vraag of er een functionele relatie bestaat.

    Nu het hekwerk vanwege het vorenstaande niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor gestelde eisen, is het hekwerk niet omgevingsvergunningvrij, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

4.    De Afdeling komt aan de bespreking van de overige hoger beroepsgronden niet toe.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 november 2015 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Dit houdt in dat het college opnieuw op de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 13 mei 2015, waarbij zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het hekwerk op het perceel is afgewezen, dient te beslissen.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2016 in zaak nr. 16/134;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Staphorst van 26 november 2015, kenmerk UIT/15-062845;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Staphorst tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,61 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro en eenenzestig cent), waarvan € 1.980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Staphorst aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Montagne

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

374-757.