Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3011

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201605358/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:3448, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college aan Shipdock B.V. en Niron Staal Amsterdam B.V. een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor een scheepsreparatiebedrijf aan de Tt. Vasumweg 125-131 te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5890
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605358/1/A1.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en de stichting Colorado (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beide gevestigd te Amsterdam, en

2.    Damen Shiprepair Amsterdam B.V. (hierna: Damen Shiprepair), gevestigd te Amsterdam

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2016 in zaken nrs. 15/4706 en 15/4240 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en Damen Shiprepair

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college aan Shipdock B.V. en Niron Staal Amsterdam B.V. een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor een scheepsreparatiebedrijf aan de Tt. Vasumweg 125-131 te Amsterdam.

Bij uitspraak van 2 juni 2016 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en Damen Shiprepair daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college en Damen Shiprepair hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Damen Shiprepair heeft incidenteel hoger beroep ingesteld

Het college heeft daarop een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2017, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], Damen Shiprepair, vertegenwoordigd door [gemachtigden], beiden bijgestaan door mr. E. Broeren, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Drupsteen en H. de Ruiter, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De in deze uitspraak genoemde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    De verleende omgevingsvergunning is een revisievergunning voor de activiteit 'milieu', als bedoeld in de artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en 2.6, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). In de inrichting, een scheepsreparatiebedrijf, worden schepen groter dan 25 m gebouwd en onderhouden. Daartoe vinden verschillende metaalbewerkingen plaats. De inrichting is een type C-inrichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Damen Shiprepair is thans vergunninghoudster. [appellant sub 1A] is gebruiker van het pand Tt Vasumweg 150 dat tegenover de inrichting ligt. De stichting Colorado is eigenaar van dat pand.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de beroepen zich uitsluitend richten tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften over emissies naar de lucht (hoofdstuk E van de vergunningvoorschriften). Damen Shiprepair betoogt in beroep dat de in de voorschriften E35, E36 en E37 opgenomen voorziening onnodig bezwarend is en niet van haar kan worden gevergd terwijl [appellant sub 1] stelt dat verdergaande voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden.

    De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Nu de vergunningvoorschriften van hoofdstuk E door de wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer per 1 januari 2016 niet langer gelden en het college na een mogelijke vernietiging van die voorschriften niet bevoegd is andere voorschriften over emissies naar de lucht te stellen, kunnen Damen Shiprepair en [appellant sub 1] niet meer bereiken wat zij met hun beroepen beogen, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

4.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat de specifieke activiteiten met betrekking tot metaal die emissies naar de lucht veroorzaken, in een omgevingsvergunning regulering behoeven. In afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor type A-, B- en C-inrichtingen weliswaar algemene regels opgenomen voor alle activiteiten met emissies naar de lucht, maar niet ten aanzien van specifieke activiteiten met betrekking tot metaal. Deze zijn in afdeling 4.5 alleen voor type B-inrichtingen opgenomen. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn dat die activiteiten in type B-inrichtingen wel zijn gereguleerd en in type C-inrichtingen niet. De vergunningvoorschriften die zien op die activiteiten in type C-inrichtingen moeten dan ook hun gelding behouden. Verder bieden de afdelingen 2.3 en 2.11 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, behoudens ten aanzien van geur, geen mogelijkheden tot het stellen van strengere maatwerkvoorschriften voor specifieke activiteiten met betrekking tot metaal. In artikel 2.7, eerste lid, is de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften gekoppeld aan de emissiegrenswaarden van bepaalde stoffen, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6 welke artikelen in dit geval niet van toepassing zijn. Ook om die reden zouden de desbetreffende vergunningvoorschriften hun gelding moeten behouden, aldus [appellant sub 1].

4.1.    Op 1 januari 2016 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd (Stb 2015, 337). In afdeling 2.3. worden algemene lucht- en geurvoorschriften gesteld. In verband hiermee zijn de vergunningvoorschriften die betrekking hebben op emissies naar de lucht per 1 januari 2016 vervallen, tenzij deze op grond van het overgangsrecht zijn blijven gelden als maatwerkvoorschriften. Uit het overgangsrecht, neergelegd in artikel 6.1, eerste lid, volgt dat slechts de voorschriften van een vergunning die op 1 januari 2016 in werking en onherroepelijk was, hun gelding kunnen behouden als maatwerkvoorschriften. De bij besluit van 22 mei 2015 verleende vergunning was op 1 januari 2016 niet onherroepelijk en, gelet op artikel 6.3, eerste lid, van de Wabo, niet in werking. Dit betekent dat de vergunningvoorschriften van hoofdstuk E per 1 januari 2016 zijn vervallen.

    De stelling van [appellant sub 1] dat maatwerkvoorschriften niet mogelijk zijn voor diffuse emissies - wat daar van zij - kan niet leiden tot de conclusie dat de in beroep bestreden vergunningvoorschriften onder E toch hun gelding hebben behouden. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat deze voorschriften niet langer gelden en [appellant sub 1] geen procesbelang heeft bij haar beroep.

    Het betoog faalt.

5.    Voor zover [appellant sub 1] ter zitting heeft gesteld dat het college maatwerkvoorschriften moet stellen en/of de geldende vergunning moet handhaven, merkt de Afdeling op dat het al dan niet stellen van maatwerkvoorschriften noch de handhaving van de geldende vergunning in deze procedure aan de orde kunnen zijn.

6.    Het hoger beroep is ongegrond.

Het incidenteel hoger beroep van Damen Shiprepair

7.    Damen Shiprepair heeft incidenteel hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank haar beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Mede gelet op het verhandelde ter zitting dient dit incidenteel hoger beroep te worden aangemerkt als een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, namelijk onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] slaagt en de bij de rechtbank ingediende beroepen inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.

    Nu het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond is, vervalt het incidenteel hoger beroep.

Conclusie

8.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van Damen Shiprepair is vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Borman    w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

190. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:112

1.  […]

2.  Een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan wel wordt ingetrokken. […]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1.  Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

e.

1°.    het oprichten,

2°.    het veranderen of veranderen van de werking of

3°.    het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]"

Artikel 2.6

1.  Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° of 3°, en met betrekking tot die inrichting of dat mijnbouwwerk al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, kan het bevoegd gezag bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting of het betrokken mijnbouwwerk na die verandering.

[…]

Artikel 6.3

1.  Indien een vergunning met toepassing van artikel 2.5 in fasen wordt verleend, treden - in afwijking van de artikelen 6.1 en 6.2a tot en met

6.2c - de beschikkingen met betrekking tot de eerste en tweede fase op dezelfde dag in werking. Deze dag is de laatste van de dagen waarop de beschikkingen, met toepassing van de artikelen 6.1 en 6.2a tot en met 6.2c, elk afzonderlijk in werking zouden treden.

[…]

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2.3a

1.  Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.

[…]

6.  In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, 2.6 en 2.8 niet van toepassing op emissies van vluchtige organische stoffen uit oplosmiddeleninstallaties die vallen onder afdeling 2.11.

Artikel 2.7

1.  Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3, 4 en 5 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen, dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken.

2.  Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen.

[…]

Artikel 6.1

1.  Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

[…]