Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201602940/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:2402, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602940/1/A2.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2016 in zaak nr. 15/5970 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 6 juli 2015 heeft het CBR opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 4 juli 2014 en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. I.S.B. Metaal, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    Het CBR heeft aan [appellant] een EMG - een cursus over verantwoord rijgedrag - opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de politie van 6 juni 2014 van het vermoeden dat [appellant] niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen. Dit vermoeden is gebaseerd op een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de politie van 29 mei 2014. Volgens dat proces-verbaal hebben de verbalisanten geconstateerd dat [appellant] op 29 mei 2014 als bestuurder van een motorfiets meerdere voertuigen, waaronder die van de politie, met hoge snelheid via een dubbele doorgetrokken streep inhaalde, op een kruising rechtdoor reed terwijl hij op het voorsorteervak voor linksaf reed en vervolgens op de autosnelweg meerdere auto’s rechts inhaalde en meerdere keren dicht op zijn voorganger reed. Volgens het CBR heeft [appellant] daarmee herhaaldelijk gedragingen vertoond als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, te weten gedrag dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer. Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, diende dan ook een EMG te worden opgelegd, aldus het CBR.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat, nu [appellant] het inhalen van een aantal voertuigen over een doorgetrokken streep heeft erkend en het rechts inhalen niet betwist en deze gedragingen worden genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, het CBR terecht een EMG aan [appellant] heeft opgelegd. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de betrouwbaarheid van het proces-verbaal en de wel door hem betwiste gedragingen naar het oordeel van de rechtbank geen nadere bespreking.

    Voorts is de rechtbank [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat het CBR ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de vermeende overtredingen zouden zijn begaan. De rechtbank heeft overwogen dat voor het opleggen van een EMG slechts een vermoeden van ongeschiktheid hoeft te worden vastgesteld en dat dit vermoeden wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn genoemd in bijlage 1 bij de Regeling. Daarbij is niet van belang dat de verkeersveiligheid door de gedragingen daadwerkelijk in gevaar is gebracht.

    Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 en artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling dwingendrechtelijk zijn geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij het opleggen van een EMG derhalve geen ruimte voor een belangenafweging als door [appellant] bepleit.

De gronden van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat, nu hij het inhalen van een aantal voertuigen over de doorgetrokken streep heeft erkend, deze gedraging reeds voldoende was voor het opleggen van een EMG. Volgens [appellant] is daarbij in dit geval geen sprake van herhaaldelijke gedragingen, zoals artikel 14 van de Regeling vereist. Het inhalen over de doorgetrokken streep moet worden gezien als één gedraging ongeacht of het hier één of meerdere auto’s betrof. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte vastgesteld dat hij tijdens de zitting het rechts inhalen niet heeft betwist. Hij heeft daar aangevoerd dat hij alleen aan de rechterzijde een voertuig heeft gepasseerd op een punt waar twee wegen bij elkaar komen en het voertuig op de linkerbaan langzamer reed dan het overige verkeer. Het rechts voorbij rijden van dit voertuig was volgens [appellant] in de gegeven situatie de enige veilige optie.

    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat het proces-verbaal dermate onbetrouwbaar is, dat het CBR hieruit niet mocht afleiden dat een vermoeden zou bestaan van onvoldoende rijgeschiktheid. Hij voert aan dat er verschillende niet verklaarbare tegenstrijdigheden zijn tussen het proces-verbaal en het eerder opgemaakte mutatierapport van de politie van het incident op 29 mei 2014 en ook tussen wat de verbalisanten zeggen te hebben geconstateerd en hun handelingen.

    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de vermeende overtredingen zouden zijn begaan. Nu de verkeersveiligheid niet in gevaar is geweest, is het opleggen van een EMG volgens [appellant] in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Die strijd doet zich te meer voor, omdat de betrokken belangen niet zijn afgewogen en geen rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Gelet op die omstandigheden had het CBR moeten afzien van het opleggen van een EMG, aldus [appellant].

De gedragingen

4.1.    Wat betreft het rechts inhalen heeft [appellant] in de stukken en ter zitting uiteengezet dat een auto opeens vlak voor hem met een veel lagere snelheid dan hij reed zijn rijbaan opreed en dat hij die auto met het oog op de verkeersveiligheid heeft moeten ontwijken door naar rechts uit te wijken en deze auto rechts voorbij te gaan. [appellant] betoogt daarmee in wezen dat dit geen gewone inhaalactie was maar een manoeuvre met het oog op de verkeersveiligheid. Aldus betwist hij dat dit een rijgedrag is als bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III, van de Regeling, zodat niet (mede) op basis hiervan een EMG kan worden opgelegd. Ook als [appellant] in dit betoog zou worden gevolgd, gaat hij eraan voorbij dat, zoals het CBR terecht heeft gesteld, uit zowel het mutatierapport als het proces-verbaal van de politie volgt dat [appellant] als motorrijder op de autosnelweg niet eenmaal, maar meerdere keren van rijstrook wisselde en hierbij meerdere voertuigen rechts inhaalde. Maar ook als zou kunnen worden aangenomen dat hierbij geen sprake was van verkeerd inhalen, kan dat [appellant] niet baten. Uit het mutatierapport en het proces-verbaal van de politie blijkt dat hij op de provinciale weg N207 op zijn motor eerst een onopvallend dienstvoertuig van de politie inhaalde, daarna twee andere voertuigen en vervolgens voorbij een rotonde nogmaals enkele voertuigen en daarbij telkens de doorgetrokken streep negeerde. [appellant] heeft erkend dat hij enkele voertuigen heeft ingehaald over een dubbele doorgetrokken streep. Het CBR is hierbij terecht uitgegaan van afzonderlijke situaties, waarbij [appellant] zijn gedrag tussentijds had kunnen onderbreken of aanpassen. Anders dan [appellant] betoogt, betreft het aldus meerdere malen inhalen van voertuigen over een doorgetrokken streep niet één gedraging, maar herhaaldelijke gedragingen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2438). Dat het gaat om gelijksoortige gedragingen is daarbij niet van belang. Met deze gedragingen van [appellant] is al voldaan aan het criterium van artikel artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling om hem een EMG op te leggen, namelijk dat hij tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

    Hieruit volgt dat wat [appellant] heeft aangevoerd over de betrouwbaarheid van het mutatierapport en het proces-verbaal van de politie op een aantal andere punten en de handelingen van de verbalisanten, geen nadere bespreking behoeft omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel, zodat de rechtbank dit terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

Belangenafweging

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de door de rechtbank ook aangehaalde uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:385) is bij het voorgaande niet van belang of door de gedragingen de verkeersveiligheid in gevaar is gebracht en biedt het wettelijk kader het CBR geen ruimte voor een belangenafweging. De persoonlijke omstandigheden van [appellant], hoe ernstig ook, kunnen in dezen geen rol spelen en het enkele tijdsverloop tussen de gedragingen en het opleggen van de EMG enerzijds en het daadwerkelijk ondergaan van de EMG anderzijds - om medische redenen heeft [appellant] de cursus nog niet kunnen volgen - kan evenmin leiden tot de conclusie dat het CBR had moeten afzien van het opleggen van de EMG.

Strafzaak

4.3.    [appellant] heeft er in hoger beroep nog op gewezen dat hij in de strafzaak van het ten laste gelegde is vrijgesproken. Ten bewijze daarvan heeft hij een aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter overgelegd. Anders dan [appellant] heeft betoogd, vervalt hiermee niet de basis voor de opgelegde EMG. Ervan afgezien dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht en dat de strafrechtelijke vrijspraak daarom niet zonder meer gevolgen heeft voor de bestuursrechtelijke procedure, heeft [appellant] ter zitting verklaard dat de overgelegde

- ongemotiveerde - aantekening mondeling vonnis in de strafzaak betrekking heeft op snelheidsovertredingen en dat hij de boete voor het links inhalen over de doorgetrokken streep heeft betaald. Die herhaalde gedragingen blijven dan ook overeind.

Conclusie

5.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat [appellant] gedragingen heeft verricht als bedoeld in bijlage1 bij de Regeling, die het vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen. Nu [appellant] tijdens de betrokken motorrit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht, vermeld in die bijlage, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het CBR op grond van artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, gehouden was aan [appellant] een EMG op te leggen.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

18. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

(…)

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

(…).

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 14

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

(…).

Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven (…):

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

(…)

III. Rijgedrag

(…)

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

(…);

d. op te korte afstand volgen van voorliggers;

(…).

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

b. het inhalen;

(…).