Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201602033/1/A3 en 201602034/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:2199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 6 maart 2014 heeft het college aanvragen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om een exploitatievergunning voor tien onbemande passagiersvaartuigen buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602033/1/A3 en 201602034/1/A3.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2016 in zaken nrs. 14/7575 en 14/7569 in het geding tussen:

[appellant sub 1] dan wel [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 6 maart 2014 heeft het college aanvragen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om een exploitatievergunning voor tien onbemande passagiersvaartuigen buiten behandeling gesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 15 oktober 2014 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij onderscheiden uitspraken van 9 februari 2016 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en hun verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 10 januari 2017, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden vertegenwoordigd door D.R. van Hemert Stakenburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.G.J. van Wissen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij het college aanvragen ingediend voor de exploitatie van tien onbemande passagiersvaartuigen. Nadat zij eerst in de gelegenheid zijn gesteld om hun aanvragen aan te vullen, heeft het college de aanvragen buiten behandeling gesteld. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen actueel bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel (hierna: de KvK) hebben overgelegd. Ook hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet, dan wel niet tijdig, juiste tekeningen overgelegd waarbij de grootste lengte en breedte van de vaartuigen met maatlijnen zijn aangegeven. Het college heeft de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 1.2.2 van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: de Vob 2010) het college bevoegdheid geeft tot het stellen van nadere regels omtrent het verstrekken van gegevens bij vergunningverlening. Het college heeft zijn beleid uitgewerkt in de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 (hierna: de RPA 2013) en daarin het vereiste van het overleggen van een actueel bewijs van inschrijving bij de KvK opgenomen. Nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvragen hebben ingediend voor het bedrijfsmatig exploiteren van onbemande passagiersvaartuigen, acht de rechtbank dat vereiste niet onredelijk. De rechtbank is voorts niet gebleken van strijdigheid van de Vob 2010 of de RPA 2013 met enige hogere regelgeving of enig algemeen rechtsbeginsel. Nu niet aan het vereiste van het overleggen van bewijs van inschrijving bij de KvK is voldaan, kon het college volgens de rechtbank reeds daarom de aanvragen buiten behandeling stellen.

Beoordeling gronden

3. In hoger beroep voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan dat uit de Vob 2010 niet blijkt dat een vergunning uitsluitend kan worden verleend aan een ondernemer die bij de KvK is ingeschreven. Daartoe voeren zij aan dat de belangen die het college heeft aangevoerd, geen belangen zijn die door de Vob 2010 worden beschermd. Volgens hen kan de overlap van bestuurders of commissarissen van verschillende rechtspersonen ook op een andere wijze worden vastgesteld. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] spreekt het bovendien voor zich dat iemand die nog niet bedrijfsmatig op het terrein van het passagiersvervoer te water opereert, nog niet zal zijn ingeschreven bij de KvK. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden ten tijde van de indiening van de aanvragen nog geen onderneming die zich diende in te schrijven bij de KvK. Het college had de vergunningen daarom moeten verlenen onder de voorwaarde dat die in werking treedt zodra een bewijs van inschrijving bij de KvK is overgelegd, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

3.1. In de RPA 2013, waarin het college uitvoering heeft gegeven aan de Vob 2010, schrijft het college onder meer het volgende voor:

"artikel 1.2 de aanvraag

1. Een vergunning dient schriftelijk te worden aangevraagd. De indiener van de aanvraag overlegt daarbij in ieder geval een actueel bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een bewijs dat hij bevoegd is de aanvrager te vertegenwoordigen. Burgemeester en wethouders kunnen aanvullende voorwaarden stellen aan de wijze van aanvragen.

2. Een vergunning moet worden aangevraagd middels een door of namens Burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld en volledig ingevuld aanvraagformulier."

3.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben vergunning gevraagd voor de exploitatie van bedrijfsvaartuigen als bedoeld in artikel 2.4.5 van de Vob 2010. In de RPA 2013 heeft het college uitvoering gegeven aan de Vob 2010 en voorschriften opgenomen die het hanteert bij de beoordeling van vergunningaanvragen op grond van artikel 2.4.5 van de Vob 2010. Artikel 1.2 van de RPA 2013 vereist dat de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4.5 van de Vob 2010 een actueel bewijs van inschrijving bij de KvK overlegt. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren gaat het bij dit vereiste om een belang dat door de Vob 2010 wordt beschermd, nu het bij artikel 2.4.5 van de Vob 2010 dat als opschrift heeft "Exploitatie bedrijfsvaartuigen voor vervoer van goederen dan wel passagiers" gaat om de regulering van bedrijfsmatige exploitatie. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat dat vereiste niet onredelijk is, nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvragen hebben ingediend voor het bedrijfsmatig exploiteren van onbemande passagiersvaartuigen. Te meer nu de aanvraag niet door het bedrijf of de rechtspersoon zelf hoeft te worden ingediend, biedt het bewijs van inschrijving bij de KvK het college de mogelijkheid om het bedrijfsmatige karakter van de aanvrager te controleren en de overlap van eigenaarschap, bestuurders of commissarissen van verschillende rechtspersonen en ondernemingen vast te stellen. Gelet op de grote hoeveelheid aanvragen en het beperkte aantal vergunningen dat verleend kon worden, acht de Afdeling het bovendien niet onredelijk dat het bewijs van inschrijving bij de KvK voorafgaand aan de vergunningverlening, bij de aanvraag, diende te worden overgelegd. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat dat niet mag worden verlangd van nieuwkomers die nog niet bedrijfsmatig op het terrein van passagiersvervoer te water opereren. De beperkte tijd en kosten die gemoeid zijn bij een inschrijving bij de KvK wegen niet op tegen het belang van het college bij een werkbare uitgifteprocedure van de schaarse exploitatievergunningen.

3.3. Ter zitting bij de Afdeling hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] erop gewezen dat het vereiste van een actueel bewijs van inschrijving bij de KvK pas kort voor afloop van de aanvraagtermijn voor de exploitatievergunning kenbaar is geworden en dat op het aanvraagformulier slechts een KvK-nummer moest worden ingevuld. Dat betoog leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het college [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een hersteltermijn heeft gegund om hun aanvragen aan te vullen en alsnog een bewijs van inschrijving bij de KvK over te leggen.

3.4. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, nu niet aan het vereiste van het overleggen van een bewijs van inschrijving bij de KvK is voldaan, het college de aanvragen reeds daarom buiten behandeling mocht stellen en dat hetgeen met betrekking tot de tekeningen is aangevoerd daarom onbesproken kan blijven.

3.5. Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben voor het eerst ter zitting bij de Afdeling betoogd dat zij door de rechtbank zijn benadeeld. Door de handelwijze van de rechtbank hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] extra kosten moeten maken voor juridische bijstand. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de rechtbank volgens hen ten onrechte hun verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

4.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

4.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hen redelijkerwijs niet mogelijk was het betoog dat de rechtbank ten onrechte hun verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, eerder naar voren te brengen. Dit betoog dient derhalve wegens strijd met de goede procesorde bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing te worden gelaten.

Conclusie

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het ter zitting door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gedane verzoek daartoe vanwege omzetderving reeds daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Polak w.g. Van Deventer-Lustberg

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

587.