Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201609357/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Zorgvliet en World Forum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609357/1/R3.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Stichting Wijkoverleg Zorgvliet en de Stichting SOS Den Haag (hierna: de stichtingen), beide gevestigd te Den Haag,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Zorgvliet en World Forum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichtingen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2017, waar de Stichting Wijkoverleg Zorgvliet, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Stichting SOS Den Haag, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Sakkee en drs. J.E. Leenders, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de wijk Zorgvliet en het World Forum in Den Haag en heeft een conserverend karakter. De stichtingen vrezen dat het plan leidt tot een aantasting van het cultuurhistorisch karakter van de bestaande bebouwing in de wijk. Zij hebben daarom beroep tegen het plan ingesteld.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

3.    Ter zitting hebben de stichtingen de beroepsgrond, waarin zij wat betreft grote gebouwen pleiten voor een gemengde bestemming in plaats van een bestemming voor woondoeleinden, ingetrokken.

Waardering karakteristieke panden

4.    De stichtingen voeren aan dat de raad heeft gesteld dat hij voor de waardering van de karakteristieke bebouwing in het plangebied gebruik heeft gemaakt van ordekaarten en het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) uit 1992. Evenwel laat raadpleging van deze MIP volgens de stichtingen zien dat niet alle waardevolle bebouwing in het plangebied als karakteristiek is gekwalificeerd, zoals het pand aan de Jacob de Graefflaan 1. De stichtingen stellen dat het plan gelet hierop niet volledig is en daarom op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4.1.    De raad stelt dat in paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting is weergegeven op welke wijze hij de nadere typering van de cultuurhistorische waarden in het plan heeft vertaald. De raad heeft aan het deel van het plangebied dat is aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend en deze dubbelbestemming biedt bescherming aan bepaalde beschermenswaardige gebouwen, zoals de Jacob de Graefflaan 1.

4.2.    De voormalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de voormalige minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben het gedeelte van het plangebied dat aan de zuidelijke zijde van de President Kennedylaan en de Johan de Wittlaan ligt, aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht. Aan dit gebied is in het plan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Artikel 26, lid 26.1, van de planregels luidt:

"De voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 22, mede bestemd voor:

a. behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd Stadsgezicht Zorgvliet, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 28 juni 1994 met de bijbehorende toelichting, als opgenomen in de bijlage 3 bij de regels van dit plan;

b. behoud en bescherming van karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in de bijlage 4 bij de regels van dit plan."

4.3.    Uit de stukken blijkt dat de raad naar aanleiding van de zienswijze van een van beide stichtingen in paragraaf 2.3 van de plantoelichting een overzicht heeft opgenomen van de adressen van de gemeentelijke en Rijksmonumenten. Voorts heeft de raad de lijst met karakteristieke panden of ensembles in het Rijksbeschermd stadsgezicht aangevuld met het pand Jacob de Graefflaan 1, omdat dit pand deel uitmaakt van het in de lijst opgenomen ensemble aan de R.J. Schimmelpennincklaan 10 en 12.

    Gelet hierop en nu de stichtingen geen andere specifieke panden hebben genoemd die volgens hen ten onrechte niet in het plan of de bijlage bij de regels worden genoemd, faalt het betoog.

Kappenlandschap

5.    De stichtingen betogen dat het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" ten onrechte geen waarborg bevat dat de kenmerkende kappen van de cultuurhistorische bebouwing, het zogenoemde kappenlandschap, in het gebied dat is aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht behouden blijven.

5.1.    De raad stelt dat het plan voldoende bescherming biedt aan het kappenlandschap. Hierbij heeft de raad erop gewezen dat het kappenlandschap in het aanwijzingsbesluit tot Rijksbeschermd stadsgezicht niet als typerend is gekwalificeerd. De raad stelt verder dat voor alle gebouwen die een kap hebben op de verbeelding een aanduiding voor de maximale goot- en bouwhoogte is opgenomen. In het plan is ook bepaald dat de bouwhoogte van bijgebouwen in het gebied niet hoger mag zijn dan de bouwhoogte van de begane grondverdieping van het hoofdgebouw. Voorts wijst de raad erop dat artikel 26 van de planregels ertoe verplicht dat een bouwplan wordt afgestemd op het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht.

5.2.    In de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het Rijksbeschermd stadsgezicht Zorgvliet staat onder de kop ‘Nadere typering van de te beschermen waarden’ dat het bebouwingsbeeld van Zorgvliet wordt gekenmerkt door voor Nederlandse begrippen ongekend grote villa’s. De relatie tussen de bebouwing, het groen en het water in zijn parkachtige aanleg in een glooiend terrein heeft hoge landschappelijke waarde en een unieke ruimtelijke kwaliteit. Als typerend is daar, voor zover hier van belang, vermeld: de architectuur en de stedenbouwkundige opzet van monumentale villabebouwing in een weids landschapspark.

5.3.    Het standpunt van de raad dat in het aanwijzingsbesluit tot Rijksbeschermd stadsgezicht het kappenlandschap niet als typerend voor de wijk Zorgvliet is gekwalificeerd, is juist. De Afdeling ziet in de door de stichtingen geuite wens van een verdergaande bescherming van het kappenlandschap geen grond de raad gehouden te achten die bescherming in het bestemmingsplan te waarborgen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in artikel 26, lid 26.2, onder a, van de planregels is bepaald dat het bouwen dient plaats te vinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 26, lid 26.1, die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezig waren. Voorts is in dit artikellid voorgeschreven dat over een aanvraag om een omgevingsvergunning advies moet worden ingewonnen bij de Commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9, van de Monumentenverordening Den Haag.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

177-817.