Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201604453/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 11 september 2017 alsnog een besluit van de raad om definitief geen verklaring van geen bedenkingen te verlenen, overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604453/2/A1.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Residentie Vastgoed Ontwikkeling B.V., gevestigd te Den Haag, en DGG Vastgoed V B.V., gevestigd te Rotterdam, (hierna tezamen en in enkelvoud: Residentie Vastgoed Ontwikkeling)

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2016 in zaak nr. 15/5171 in het geding tussen:

Residentie Vastgoed Ontwikkeling

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1678, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 16 juni 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 11 augustus 2017 heeft de Afdeling op verzoek van het college de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn met drie weken verlengd.

Bij brief van 11 september 2017 heeft het college het besluit van de raad om geen verklaring van geen bedenkingen te verlenen, overgelegd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Residentie Vastgoed Ontwikkeling een zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In haar tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het besluit van 16 juni 2015 heeft genomen zonder dat de raad een oordeel heeft gegeven over de zienswijzen die betrekking hebben op het besluit van de raad om geen ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven. Dit is in strijd met artikel 3.11, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

2.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 11 september 2017 alsnog een besluit van de raad om definitief geen verklaring van geen bedenkingen te verlenen, overgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat daarmee het geconstateerde gebrek in het besluit van 16 juni 2015 is hersteld.

3.    Residentie Vastgoed Ontwikkeling betoogt in haar zienswijze dat het gebrek niet is hersteld, omdat het raadsbesluit van 5 september 2017 niet deugdelijk is genomen. Volgens Residentie Vastgoed Ontwikkeling is slechts besloten kennis te nemen van de zienswijzen, maar is dit niet daadwerkelijk gebeurd. Tijdens de raadsvergadering heeft ten onrechte geen beraadslaging over de zienswijzen plaatsgevonden, aldus Residentie Vastgoed Ontwikkeling. Verder is, zo voert Residentie Vastgoed Ontwikkeling aan, niet gebleken dat de door haar aan de raad gestuurde brief van 29 augustus 2017 bij het besluit is betrokken.

3.1.    Op de website van de gemeente Rijswijk staat welke stukken ter inzage van de raadsleden zijn gelegd voor de raadsvergadering van 5 september 2017. Dit betrof onder meer de ingediende zienswijzen tegen de weigering van de raad van 16 december 2014 om een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven en de brief van Residentie Vastgoed Ontwikkeling van 29 augustus 2017. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de zienswijzen en voornoemde brief niet bij het besluit van de raad zijn betrokken. Dat hier niet expliciet over beraadslaagd is, wat daar ook van zij, en dat in het besluit staat dat de raad besluit kennis te nemen van de zienswijzen, betekent niet dat de raadsleden niet van de zienswijzen en de inhoud van de brief van 29 augustus 2017 op de hoogte waren.

    Het betoog faalt.

4.    Voor zover Residentie Vastgoed Ontwikkeling betoogt dat het gebrek niet is hersteld, omdat het raadsbesluit van 5 september 2017 niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en is medegedeeld, overweegt de Afdeling dat een besluit omtrent een verklaring van geen bedenkingen niet apart van een besluit van het college omtrent vergunningverlening bekend hoeft te worden gemaakt. Het besluit van het college om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, is reeds op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt en medegedeeld en is naar aanleiding van het raadsbesluit van 5 september 2017 niet gewijzigd. Het betoog faalt.

5.    Nu het college alsnog een definitief besluit van de raad heeft overgelegd, is daarmee het bij de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De Afdeling zal thans de hoger beroepsgronden van Residentie Vastgoed Ontwikkeling behandelen, voor zover zij daar in haar tussenuitspraak nog niet aan toe is gekomen.

6.    Residentie Vastgoed Ontwikkeling betoogt dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voert daartoe aan dat uit de massastudie "Geestbrugkade (38-32)" van KuiperCompagnons van maart 2014 niet de conclusie kan worden getrokken dat het naastgelegen appartementencomplex als accent behouden moet blijven en dat voor dit complex nooit een massastudie is opgesteld. Zij voert verder aan dat het bouwplan volgens haar over een hoge mate van architectonische verfijning beschikt, naadloos in het beeld van de bebouwing aan de Geestbrugkade past en het aangrenzende waterknooppunt benadrukt. Het bouwplan is bovendien niet in strijd met de hoogbouwvisie "Hoogbouwvisie Rijswijk", aldus Residentie Vastgoed Ontwikkeling. Zij merkt ten slotte nog op dat het niet rendabel zou zijn om een kleiner appartementencomplex te realiseren.

6.1.    De raad heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Aan deze conclusie is voornoemde massastudie "Geestbrugkade (38-32)" ten grondslag gelegd. De conclusie van deze massastudie is dat het naastgelegen appartementencomplex een zeer prominente plaats in het straatbeeld inneemt en daarmee een stedenbouwkundig accent vormt. Het wordt niet wenselijk geacht om dit accent teniet te doen door een nieuw accent te realiseren of het accent te verbreden. Er is daarom geen verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor de realisering van het bouwplan. Het college heeft daarop geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen.

6.2.    Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […] tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…]."

    Het tweede lid luidt:

"In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is."

    Artikel 2.12, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

[…]

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…]."

    Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht luidt:

"Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is."

    Het tweede lid luidt:

"De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening."

6.3.    De Afdeling stelt voorop dat de raad bij een besluit omtrent het weigeren van een verklaring van geen bedenkingen beleidsruimte heeft.

    De Geestbrugkade bestaat voornamelijk uit laagbouw. Naast de Geestbrugkade 38 bevindt zich een appartementencomplex dat vanwege de omvang en bouwhoogte een stedenbouwkundig accent vormt. In de massastudie is aan de hand van foto’s en illustraties zichtbaar gemaakt welk effect het bouwplan en verschillende varianten daarop op de omgeving zouden hebben. Hieruit is door de raad afgeleid dat het niet wenselijk is om een gebouw te realiseren dat vanwege de omvang en hoogte het accent van het naastgelegen appartementencomplex teniet doet. De foto’s en illustraties bieden voldoende onderbouwing voor deze conclusies. De architectonische verfijning van het bouwplan en de omstandigheid dat het bouwplan het waterknooppunt benadrukt, wat daar ook van zij, leiden niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de hoogte en omvang van het gebouw. Het betoog van Residentie Vastgoed Ontwikkeling dat het bouwplan niet in strijd is met de Hoogbouwvisie maakt dat evenmin anders, reeds nu de Hoogbouwvisie slechts indicatief is. Voorts overweegt de Afdeling dat de gestelde omstandigheid dat voor het naastgelegen appartement vergunning is verleend zonder dat daartoe een massastudie is opgesteld, daargelaten of dat juist is, niet relevant is voor de vraag of de aan de orde zijnde massastudie in deze procedure voldoende onderbouwing biedt voor het raadsbesluit van 5 september 2017. Wat betreft de stelling van Residentie Vastgoed Ontwikkeling dat het bouwen van een lager appartementencomplex niet rendabel is, overweegt de Afdeling dat de raad hieraan niet in redelijkheid dusdanig gewicht had hoeven toekennen dat, ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

    In hetgeen Residentie Vastgoed Ontwikkeling heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren een verklaring van geen bedenkingen te verlenen.

    Het betoog faalt.

7.    Residentie Vastgoed Ontwikkeling betoogt verder dat het college de omgevingsvergunning vanwege gewekt vertrouwen had moeten verlenen. Volgens Residentie Vastgoed Ontwikkeling blijkt uit verschillende stukken dat het college lange tijd bereidheid heeft getoond medewerking te verlenen aan het bouwplan, ook nadat het bestemmingsplan was aangepast.

7.1.    Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, reeds omdat de raad niet gebonden is aan door het college gewekt vertrouwen, wat daar verder ook van zij.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 juni 2015 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 3.11, derde lid, van de Wabo voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd en dat het college geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2016 in zaak nr. 15/5171;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk van 16 juni 2015, kenmerk 15.070343;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk tot vergoeding van bij Residentie Vastgoed Ontwikkeling B.V. en DGG Vastgoed V B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.227,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk aan Residentie Vastgoed Ontwikkeling B.V. en DGG Vastgoed V B.V. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Soede

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

270-811.