Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201601334/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing, dan wel vervallenverklaring van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601334/2/V3.

Datum uitspraak: 2 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 januari 2016 in zaak nr. 15/11739 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing, dan wel vervallenverklaring van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de ongewenstverklaring opgeheven en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.B. Weenink, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep de ongewenstverklaring kan betrekken bij de beoordeling van de thans door de vreemdeling ingediende aanvraag om toelating en verblijf.

2.    Nu de staatssecretaris, los van de ongewenstverklaring, aspecten van openbare orde en/of nationale veiligheid bij zijn beoordeling van bovenvermelde aanvraag kan betrekken en de vreemdeling hem toestemming heeft gegeven de besluitvorming in de procedure van deze aanvraag aan te houden, is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.

3.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek af;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Bakker

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017

395.