Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201705174/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft het college op het verzoek om handhavend op te treden jegens Stichting Exploitatie Eurocircuit (hierna: Eurocircuit) en Motor Vereniging Valkenswaard (hierna: MVV) beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705174/2/A1.

Datum uitspraak: 2 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonende te Valkenswaard,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 mei 2017 in zaken nrs. 16/3244 en 17/57 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft het college op het verzoek om handhavend op te treden jegens Stichting Exploitatie Eurocircuit (hierna: Eurocircuit) en Motor Vereniging Valkenswaard (hierna: MVV) beslist.

Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit zag op voorschrift J2 van de vergunning van 31 augustus 1993, kenmerk 26-1989, en MVV een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2017 heeft de rechtbank het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 oktober 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft bij besluit van 22 augustus 2017 het bezwaar van [verzoeker A] en [verzoeker B] onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

[verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 oktober 2017, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en mr. S.M.P. Looijmans, Eurocircuit, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. S.J.C. van Keulen, advocaat te Den Bosch, MVV, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en Vereniging Groen en Heem Valkenswaard, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang aanwezig.

3.    Op het terrein aan de Victoriedijk worden twee inrichtingen geëxploiteerd. Eurocircuit exploiteert een autorallycircuit en MVV exploiteert een motorcrosscircuit. [verzoeker A] en [verzoeker B] stellen dat zij van de activiteiten die in deze inrichtingen worden verricht hinder ondervinden. Zij betogen dat Eurocircuit en MVV handelen in strijd met de geldende vergunningen. Zij betogen verder dat MVV handelt in strijd met het volgens het bestemmingsplan toegestane gebruik. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een aantal voorlopige voorzieningen te treffen, inhoudende dat geen activiteiten mogen plaatsvinden waar evenementenvergunningen voor moeten worden verleend omdat de activiteiten volgens het college niet onder de vigerende vergunningen vallen, dat het college handhavend op moet treden indien de inrichtingen meer dan acht uur per week geopend zijn en dat jaarlijks niet meer motorcrossactiviteiten mogen plaatsvinden dan voor het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1977" in juni 1986 het geval was.

4.    Ten aanzien van de evenementenvergunningen die het college verleent voor activiteiten die volgens het college niet onder de werking van de vigerende vergunningen vallen, overweegt de voorzieningenrechter dat [verzoeker A] en [verzoeker B] tegen deze evenementenvergunningen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Er bestaat daarom geen aanleiding om in zoverre een voorlopige voorziening te treffen.

5.    Wat betreft de gestelde overtreding van de openingstijden overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In voorschrift J8 van de vergunning van 31 augustus 1993, kenmerk 26-1989, welke vergunning ziet op het motorcrossen, en voorschrift J6 van de vergunning van 31 augustus 1993, kenmerk 27-1989, welke vergunning ziet op de autorallysport, staat dat het verboden is de inrichting acht uren per week of meer open te stellen. Het college stelt zich op het standpunt dat de inrichtingen alleen open zijn gesteld indien een motor wordt gestart. [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen dat de inrichtingen zijn open gesteld indien er activiteiten plaatsvinden, ook indien dit activiteiten betreft die niet inhouden dat een motor wordt gestart.

    Het college heeft zich op het standpunt gesteld handhavend te zullen optreden, indien volgens de uitleg van het college de inrichtingen meer dan acht uur per week geopend zijn. De voorzieningenrechter acht de uitleg die [verzoeker A] en [verzoeker B] aan de voorschriften geven niet op voorhand meer in de rede liggen dan de uitleg van het college. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om het college door middel van het treffen van een voorlopige voorziening op te leggen dat het handhavend moet optreden indien meer dan acht uur per week activiteiten in de inrichtingen plaatsvinden, ongeacht de aard van deze activiteiten.

6.    Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening met betrekking tot het beperken van het gebruik van het motorcrosscircuit tot het aantal activiteiten dat reeds op het motorcrosscircuit plaatsvond voordat het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1977" in juni 1986 onherroepelijk werd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat partijen het niet onaannemelijk achten dat in de jaren voorafgaande aan 1986 op het motorcrosscircuit vijf wedstrijden per jaar hebben plaatsgevonden. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in 2016 op het motorcrosscircuit zes wedstrijden hebben plaatsgevonden. Dit komt erop neer dat indien het door [verzoeker A] en [verzoeker B] gestelde aantal activiteiten juist zou zijn, het gebruik met één wedstrijd per jaar is geïntensiveerd. De voorzieningenrechter acht de hinder die [verzoeker A] en [verzoeker B] van deze ene wedstrijd zullen ondervinden niet dusdanig, dat daarom in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat als uit de bodemuitspraak zou volgen dat het aantal activiteiten op jaarbasis moet worden teruggedrongen, dit naar verwachting nog in 2018 zijn beslag kan krijgen.

7.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van voorlopige voorzieningen af te wijzen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Borman    w.g. Soede

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017

270-811.