Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201607216/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1086, heeft de Afdeling de raad opgedragen het besluit van 29 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2" (hierna: het vaststellingsbesluit) te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607216/2/R3.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente de Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1086, heeft de Afdeling de raad opgedragen het besluit van 29 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2" (hierna: het vaststellingsbesluit) te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd  (hierna: het wijzigingsbesluit).

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben hierover schriftelijk hun zienswijzen naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.    In de tussenuitspraak is overwogen dat het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft de gronden tussen de woningen van appellanten en de in het plangebied voorziene woningen is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat - kort samengevat - de toegekende bestemming meer mogelijkheden bood voor vergunningvrij bouwen bij woningen dan de raad had onderkend.

2.    De raad heeft met het wijzigingsbesluit beoogd de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen op de voor "Groen" bestemde gronden te beperken. Hiertoe heeft de raad artikel 3 van de planregels gewijzigd opdat de betrokken gronden niet langer ten dienste van het gebruik van een woning mogen worden ingericht en aldus niet meer kunnen behoren tot een "erf" van een woning als bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het gewijzigde artikel 3 luidt, voor zover hier van belang:

"Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. paden;

c. water;

d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - schouwstrook' voor een schouwstrook en onderhoudspaden ten behoeve van het hoogwatercircuit;

met daar in ondergeschikte mate bijbehorend:

e. speelvoorzieningen;

f. nutsvoorzieningen;

g. andere bouwwerken."

3.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen in hun zienswijze dat binnen de bestemming "Groen" nog steeds vergunningvrije bouwwerken gebouwd mogen worden, zoals een aanbouw, bijgebouw of schutting. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen dat vergunningvrij bouwen niet te voorkomen is als de voor "Groen" bestemde gronden aan de toekomstige bewoners worden overgedragen.

    [appellant sub 2] voert aan dat het wijzigingsbesluit weliswaar betere garanties biedt tegen bebouwing van de groenstrook, maar na uitgifte van de kavels heeft de gemeente geen verantwoordelijkheid meer voor de invulling daarvan. Bij strijdige activiteiten moeten aanwonenden vertrouwen op de effectiviteit van adequate handhaving door de gemeente. Het zou volgens [appellant sub 2] eenvoudiger zijn als de gemeente eigenaar blijft van de groenstrook en het onderhoud daarvan voor haar rekening neemt.

3.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het wijzigingsbesluit tot gevolg dat de voor "Groen" bestemde gronden niet langer mogen worden ingericht ten dienste van het gebruik van een woning. Dit betekent dat deze gronden niet zullen behoren tot het erf van de in het plangebied voorziene woningen in de zin van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] genoemde aan- en uitbouwen zijn daar dan ook niet toegestaan.

3.2.    Voor zover het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ertoe strekt dat vergunningvrije bouwwerken in de groenstrook in het geheel niet aanvaardbaar zijn, wijst de Afdeling erop dat uit het Besluit omgevingsrecht volgt dat het niet mogelijk is om in een bestemmingsplan vergunningvrij bouwen geheel uit te sluiten. Verder ziet de Afdeling geen redenen waarom de bouwwerken die op grond van het bestemmingsplan nog wel zijn toegestaan in de groenstrook in redelijkheid niet te aanvaarden gevolgen zouden hebben voor omwonenden.

3.3.    De wens van appellanten dat de gemeente eigenaar blijft van de voor "Groen" bestemde gronden kan niet afdoen aan de rechtmatigheid van het wijzigingsbesluit.

3.4.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid het plandeel met de bestemming "Groen" - zoals dat luidt na het wijzigingsbesluit - heeft kunnen vaststellen.

4.    Voor zover [appellant sub 2] stelt dat hem niet duidelijk is in hoeverre de Afdeling zijn zienswijze over het ontwerp-bestemmingsplan heeft meegewogen, wijst de Afdeling op overweging 7 van de tussenuitspraak.

5.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de beroepen tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.

6.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen tegen het vaststellingsbesluit gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft de gronden tussen de woningen van appellanten en de in het plangebied voorziene woningen. Het gebrek is met het wijzigingsbesluit echter hersteld, zodat de rechtsgevolgen van het vaststellingsbesluit in stand kunnen blijven, maar niet voor zover uit het wijzigingsbesluit andere rechtsgevolgen voortvloeien.

7.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart gegrond de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 29 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2";

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 29 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft de gronden tussen de woningen van appellanten en de in het plangebied voorziene woningen;

III.    verklaart ongegrond de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 28 juni 2017 tot wijziging van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2";

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II vernietigde besluit in stand blijven, maar niet voor zover andere rechtsgevolgen voortvloeien uit het besluit van de raad van de gemeente de Fryske Marren van 28 juni 2017 tot wijziging van het bestemmingsplan "Bantega-Jachtkamp fase 2";

V.    veroordeelt de raad van de gemeente de Fryske Marren tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 247,50 (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente de Fryske Marren aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor:

- [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B],

- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B],

- [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B].

Voor elk van de drie paren geldt dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Jacobs

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

717.