Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201700515/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9442, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 voor [wederpartij] definitief berekend en vastgesteld op nihil, en € 20.898,00 aan uitgekeerde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700515/1/A2.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/5445 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 voor [wederpartij] definitief berekend en vastgesteld op nihil, en € 20.898,00 aan uitgekeerde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 9 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 juli 2016 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, en [wederpartij], bijgestaan door mr. A.M.S. van Oversteeg, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [wederpartij] ontving in 2013 kinderopvangtoeslag voor de opvang van haar kinderen via [gastouderbureau]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de toeslag met de in geding zijnde besluitvorming definitief berekend en vastgesteld op nihil. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen het volgende ten grondslag gelegd.

    Allereerst heeft [wederpartij] een overeenkomst overgelegd met [gastouder A], voor de opvang in de maanden januari, februari en maart. Uit het landelijk register kinderopvang blijkt echter dat [gastouder A] niet is gekoppeld via [gastouderbureau]. Daarom is de opvang die volgens [wederpartij] zou hebben plaatsgevonden geen kinderopvang waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden verstrekt. [wederpartij] stelt verder dat haar kinderen de overige maanden van het jaar zijn opgevangen door [gastouder B], maar zij heeft geen overeenkomst met [gastouder B] overgelegd. [gastouder B] heeft bovendien verklaard dat zij de kinderen van [wederpartij] niet kent en hen niet heeft opgevangen.

    Verder stelt [wederpartij] een deel van de kosten contant aan het gastouderbureau te hebben betaald en heeft zij ter staving van die stelling kwitanties en bankafschriften overgelegd. Gelet op de kassiersfunctie van het gastouderbureau was het [wederpartij] echter niet toegestaan contant te betalen, en had zij giraal moeten betalen. Bovendien, ook als alle gestelde contante betalingen in aanmerking zouden worden genomen, kan [wederpartij] daarmee niet aantonen dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad. De gestelde kosten bedragen € 22.210,32 en dat is meer dan het totaal van de gestelde betalingen.

    Tot slot had [wederpartij] een [toeslagpartner], die niet tot de doelgroep voor kinderopvangtoeslag behoorde. [wederpartij] stelt dat [toeslagpartner] tot de doelgroep behoorde omdat zij een erkende opleiding volgde, maar heeft daarvan geen door de school gewaarmerkt bewijsstuk overgelegd.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 9 juli 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

    Allereerst heeft [wederpartij], anders dan de Belastingdienst/Toeslagen stelt, reeds in de bezwaarfase een overeenkomst met gastouder [gastouder B] overgelegd. Doordat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt heeft gesteld dat die overeenkomst ontbrak, is het in beroep bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

    Daarnaast heeft de Belastingdienst/Toeslagen [wederpartij] ten onrechte tegengeworpen dat contante betalingen aan het gastouderbureau niet zijn toegestaan. Artikel 11, derde lid, onder d van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Regeling) richt zich tot het gastouderbureau en niet tot de vraagouder.

    Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen eerst elf dagen voor zitting te kennen heeft gegeven dat [wederpartij] geen door de school gewaarmerkt bewijsstuk heeft overgelegd over de inschrijving van [toeslagpartner]. Niet valt uit te sluiten dat [wederpartij] dat stuk alsnog kan overleggen.

Hoger beroep

3.    De Belastingdienst/Toeslagen komt in hoger beroep niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 9 juli 2016 op grond van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking komt. Daarom dient van de juistheid van dat oordeel te worden uitgegaan. In hoger beroep ligt derhalve slechts de vraag voor of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

4.    De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien omdat [wederpartij] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2013. Daartoe voert de Belastingdienst/Toeslagen het volgende aan.

    Allereerst staan de gestelde contante betalingen van [wederpartij] aan het gastouderbureau in de weg aan kinderopvangtoeslag. De wetgever heeft met de invoering van de zogenoemde kassiersfunctie, neergelegd in artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) beoogd het voor derden - zoals de Belastingdienst/Toeslagen - inzichtelijker te maken of en welke betalingen hebben plaatsgevonden. Ter uitvoering daarvan is in artikel 11, derde lid, aanhef en onder d, van de Regeling de verplichting opgenomen dat het gastouderbureau bankafschriften administreert waaruit de betalingen van de ouder aan het gastouderbureau volgen. In de toelichting op deze wijziging (Staatscourant 2009, nr. 19522, blz. 7) heeft de wetgever vermeld dat dit betekent dat de ouder geen contante betalingen aan het gastouderbureau mag doen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geldt de eis van girale betaling dus ook voor de vraagouder, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

    Daarnaast heeft de rechtbank niet onderkend dat [wederpartij] ook met de gestelde contante betalingen niet kan aantonen dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad. Deze betalingen zijn lager dan de gestelde kosten van € 22.210,32, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1849), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten daadwerkelijk heeft betaald.

4.2.    [wederpartij] heeft eerst ter zitting in hoger beroep gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen uitgaat van een onjuist bedrag aan kosten van kinderopvang, omdat de jaaropgaven waarop de dienst zich baseert volgens haar onjuist zijn. [wederpartij] heeft de jaaropgaven overgelegd in reactie op een verzoek om informatie van de Belastingdienst/Toeslagen. De bedragen op de jaaropgaven komen overeen met de gegevens vermeld op de facturen die [wederpartij] eveneens heeft overgelegd. De jaaropgaven worden bovendien ook onderschreven door de door [wederpartij] overgelegde urenregistraties, waarop zij ter zitting heeft gewezen. Tot slot komt het bedrag aan kosten waarvan de Belastingdienst/Toeslagen uitgaat overeen met het bedrag dat [wederpartij] in een aanvullend bezwaarschrift van 25 december 2015 als het juiste bedrag heeft aangemerkt. Gelet hierop wordt [wederpartij] niet gevolgd in de enkele stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen haar een onjuist bedrag aan te verantwoorden kosten tegenwerpt.

4.3.    Uit de door [wederpartij] overgelegde bankafschriften volgt dat zij voor de opvang in 2013 in totaal € 18.271,00 aan [gastouderbureau] heeft overgemaakt. Uit de door [wederpartij] overgelegde kwitanties volgt dat zij stelt in totaal € 2.266,32 contant aan [gastouderbureau] te hebben betaald. De gestelde betalingen tellen op tot € 20.537,32. Dat is € 1.673,00 minder dan de gestelde kosten. Daargelaten of het [wederpartij] gelet op de kassiersfunctie van het gastouderbureau was toegestaan contant te betalen, voert de Belastingdienst/Toeslagen terecht aan dat de gestelde betalingen onvoldoende zijn om de kosten van kinderopvang te voldoen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2013.

4.4.    Gelet op het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag terecht vastgesteld op nihil. De Afdeling ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 juli 2016 in stand blijven.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 juli 2016 in stand te laten. Nu de Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven, hoeft de Belastingdienst/Toeslagen geen nieuw besluit meer te nemen op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 11 september 2015.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/5445, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 9 juli 2016 in stand te laten;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 juli 2016, kenmerk BOB OH, in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

799. BIJLAGE

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 1.7

1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

    a. de draagkracht, en

    b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

        1º.     het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

        2º.     de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

        3º.     de soort kinderopvang.

[…]

Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 11. Inrichting administratie

[…]

2. De administratie van een kindercentrum bevat de volgende gegevens:

[…]

3. Het tweede lid, onder a tot en met f is van overeenkomstige toepassing op de administratie van een gastouderbureau. De administratie van een gastouderbureau bevat tevens de volgende gegevens:

[…]

    d.     bankafschriften waaruit de betalingen van de vraagouder aan het gastouderbureau blijken,

[…]