Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201606069/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3757, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] tot verwijdering van gegevens uit de Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606069/1/A3.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2016 in zaak nr. 16/1011 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] tot verwijdering van gegevens uit de Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH), afgewezen.

Bij uitspraak van 4 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De korpschef heeft de Afdeling stukken toegestuurd en daarbij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis mag nemen. De Afdeling heeft de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht.

[appellant] heeft de toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat te Bussum, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. L.J. Hamstra en B. Damen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 29 januari 2015 is een melding bij de politie binnengekomen van de ex-partner van [appellant]. Een dag later is hij aangehouden en naar het politiebureau vervoerd. [appellant] heeft een klacht ingediend over het politieoptreden. Hij heeft ook verzocht om inzage in de politieregisters. Op 9 november 2015 heeft [appellant] inzage gekregen in zijn persoonsgegevens, opgenomen in de BVH. [appellant] heeft verzocht om verwijdering van negen registraties.

Besluitvorming

2.    Bij het besluit van 7 januari 2016 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Deze heeft daarbij overwogen dat de registraties betrekking hebben op [appellant], rechtmatig zijn verkregen en correct weergegeven. Ook zijn de gegevens noodzakelijk voor de dagelijkse politietaak teneinde in voorkomende gevallen aan de hand van eerdere gebeurtenissen beter duiding te kunnen geven aan actuele gebeurtenissen en daarop de handelwijze en bejegening te kunnen afstemmen. Daarnaast zijn de gegevens noodzakelijk om achteraf intern en extern verantwoording te kunnen afleggen aan het bevoegd gezag, de geregistreerde burgers, klagers en de Nationale ombudsman, aldus de korpschef.

2.1.    Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld, toegespitst op de registratie met nummer PL1400_2010048779. Deze registratie over een melding van 21 september 2010 maakt volgens [appellant] ten onrechte gewag van moord/doodslag en dient te worden verwijderd.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat niet is gebleken dat de melding onjuist is geregistreerd. Ook acht de rechtbank de gegeven kwalificatie van poging tot moord/doodslag niet feitelijk onjuist, omdat in de melding wordt gesproken over wurging, het meermalen dichtknijpen van de keel en het mogelijke bezit van een vuurwapen. Voor de beoordeling van de juistheid van de melding is het bovendien niet relevant dat de aangever de aangifte in een later stadium heeft ingetrokken of dat is besloten om verder geen strafrechtelijk onderzoek te verrichten. De BVH is een incidentregistratiesysteem. Wat het betoog dat de registratie van de melding van 21 september 2010 bovenmatig was en de aanleiding vormde voor het buitenproportionele politieoptreden van 30 januari 2015 betreft heeft de rechtbank overwogen dat zij geen rechtstreeks verband ziet tussen de betreffende registratie en het politieoptreden.

Geschil in hoger beroep

4.    Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg), worden politiegegevens slechts verwerkt voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.

    Ingevolge artikel 28, eerste lid, kan een ieder over wiens persoon politiegegevens worden verwerkt de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

4.1.    Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde correctierecht niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Het corrigeren van gegevens is alleen mogelijk als de gegevens feitelijke onjuistheden bevatten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2419). [appellant] heeft het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de inhoud van de in de BVH geregistreerde melding, noch de kwalificatie moord/doodslag die aan de melding is gegeven, in hoger beroep bestreden. Wat het betoog dat de registratie van de melding niet terzake dienend is en bovenmatig en dat de betreffende gegevens om die reden in strijd met artikel 3, tweede lid, van de Wpg zijn verwerkt betreft, overweegt de Afdeling dat in de BVH een mutatie is opgenomen van een melding van 21 september 2010. Deze mutatie heeft als omschrijving "Doodslag/moord 17-09-2010". Deze registratie is tot stand gekomen nadat bij de politie een melding was binnengekomen dat op verscheidene momenten sprake zou zijn geweest van een poging tot verwurging. Op 22 september 2010 heeft de meldster aangifte gedaan terzake die mishandeling en poging tot doodslag. Daarbij heeft zij herhaald dat [appellant] mogelijk in het bezit was van een vuurwapen. De korpschef heeft gemotiveerd dat de BVH een incidentregistratiesysteem is, dat bijdraagt aan de informatievoorziening ten behoeve van een goede uitvoering van de politietaak. Registratie van de melding in geding is noodzakelijk voor de dagelijkse uitvoering van de politietaak. Aan de hand van eerdere gebeurtenissen kan beter duiding worden gegeven aan actuele gebeurtenissen en vervolgens kan de handelwijze en bejegening op de gebeurtenis worden afgestemd. Deze registratie leverde, ten tijde van belang, een bijdrage aan een goede uitvoering van voormelde politietaak. Het verwijderen van de registratie zou leiden tot een onvolledige informatiepositie voor de politie, waardoor eventuele opsporingshandelingen negatief kunnen worden beïnvloed. De Afdeling wijst in dit kader op voormelde uitspraak van 6 september 2017. Daarmee is de registratie terzake dienend en, anders dan [appellant] stelt, niet bovenmatig. Verder kan in het kader van de afwijzing van het op grond van artikel 28 van de Wpg gedane verzoek, het antwoord op de vraag of het politieoptreden op 30 januari 2015, als gevolg van de registratie van de melding van 21 september 2010, disproportioneel was, niet aan de orde komen. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de korpschef het verzoek voor zover dat ziet op de registratie met nr. PL1400_2010048779 ten onrechte heeft afgewezen.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

581.