Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201609879/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Boveneind ZZ 7b" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609879/1/R2.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te Hei- en Boeicop, gemeente Zederik en [appellant B], wonend te Benschop, gemeente Lopik,

en

de raad van de gemeente Lopik,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Boveneind ZZ 7b" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2017, waar [appellant A] en [appellant B], in de persoon van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Broeke, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een woonboerderij op het perceel Boveneind ZZ 7b.

[appellant A] heeft een agrarisch bedrijf en agrarische gronden aan de [locatie 1], te Benschop, welke gronden naast [locatie 2] liggen.

[appellant B] heeft een agrarisch bedrijf en woont op het perceel [locatie 3] te Benschop.

Ontvankelijkheid van het beroep voor zover ingediend door [appellant A]

2.    De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep voor zover ingediend door [appellant A], aangezien de afstand van het agrarisch bouwvlak van [appellant A] tot het in het plan voorziene bouwvlak te groot is.

2.1.    Vaststaat dat [appellant A] niet woont op het perceel [locatie 1]. [appellant A] heeft agrarische gronden op een afstand van ongeveer 180 meter van het plangebied. De kortste afstand van de agrarische gronden tot het voorziene bouwvlak van de nieuw te bouwen woonboerderij op het perceel Boveneind ZZ 7b bedraagt ongeveer 340 meter. Vanaf de agrarische gronden is sprake van een zeer beperkt zijdelings uitzicht op het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt is genoemde afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen, nu het niet in de rede ligt dat [appellant A] vanwege deze ruimtelijke ontwikkeling gevolgen van enige betekenis in zijn bedrijfsvoering zal ondervinden.  

    Voorts heeft [appellant A] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat hij ondanks deze afstand rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.  

    De conclusie is dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] voor zover ingediend door [appellant A] is niet-ontvankelijk.

Het beroep voor zover ingediend door [appellant B]

Intrekking

3.    Ter zitting is het beroep ingetrokken, voor zover dat erop zag dat [appellant B] door de in het plan voorziene woning in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Provinciale Ruimtelijke Verordening / Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie

5.    [appellant B] kan zich niet met het plan verenigen. Hij voert daartoe aan dat het plan in strijd is met de provinciale verordening en het provinciale beleid dat is gericht op vermindering van de verstening van het buitengebied.

    [appellant B] wijst erop dat slechts indien wordt voldaan aan de strikte voorwaarden van de zogenoemde ruimte-voor-ruimte-regeling, het mogelijk is om te voorzien in een woning met een inhoud van maximaal 600 m3. Volgens [appellant B] voldoet het plan niet aan deze voorwaarden, hetgeen volgens hem ook blijkt uit een bijlage bij de plantoelichting.

    Volgens [appellant B] betoogt de raad ten onrechte dat de locatie deel uitmaakt van een bebouwingslint in de nabijheid van een (stedelijke) kern, zodat anders dan de raad stelt sprake is van strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013 (hierna: PRV).

     Voorts leidt het plan in strijd met de PRV tot aantasting van de bestaande functie, waaronder de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant B]. Tevens voert [appellant B] aan dat het plan ook voor de gronden aansluitend aan het perceel Boveneind ZZ 7b, achter het perceel Boveneind ZZ 9 beperkingen met zich brengt, omdat deze zijn bestemd voor fruit- en/of sierteelt en in het onderhavige plan geen rekening is gehouden met de daarmee samenhangende spuitzone.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met de provinciale verordening, noch met het provinciale beleid.

PRV

5.2.    Artikel 4.2 van de PRV luidde ten tijde van belang:

"1. Als ‘Verstedelijking landelijk gebied’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landelijk gebied.

2. Een ruimtelijk plan bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan, tenzij de ruimtelijke ontwikkelingen betrekking hebben op en in overeenstemming zijn met de volgende artikelen: (…) artikel 4.4 (…), en plaatsvinden in de daartoe aangewezen gebieden."

5.3.    [appellant B] stelt zich terecht op het standpunt dat de PRV in artikel 4.2 als uitgangspunt hanteert dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied in beginsel geen bestemmingen en regels bevat die verstedelijking toestaan. In artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening wordt gesteld dat dit anders is wanneer de ruimtelijke ontwikkelingen betrekking hebben op en in overeenstemming zijn met een aantal genoemde artikelen, waaronder artikel 4.4 van de PRV.

5.4.    Anders dan [appellant B] betoogt heeft de raad niet de provinciale regels omtrent de ligging in een kernrandzone aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Evenmin is gebruik gemaakt van de zogenoemde ruimte-voor-ruimte-regeling.

5.5.    Artikel 4.4 van de PRV luidde ten tijde van belang:

"1. Als ‘Bebouwingsenclaves en -linten’ wordt aangewezen het (lees: gebied) waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landelijk gebied.

2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. verstedelijking resulteert in verhoging van de ruimtelijke kwaliteit;

b. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten;

c. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.

3. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing."

    Artikel 1.1, tweede lid, van de PRV luidde ten tijde van belang:

"bebouwingslint: aaneengesloten bebouwing in een langgerekte vorm, waarvoor geen rode contour is opgenomen."

5.6.    Het perceel "Boveneind ZZ 7b" heeft op de kaart "Landelijk gebied" waarnaar in artikel 4.4, eerste lid, van de PRV wordt verwezen, de aanduiding "bebouwingsenclaves- en linten". Hetgeen overigens geldt voor alle gronden in het landelijk gebied.

Bebouwing in de omgeving van het perceel Boveneind ZZ 7b ligt in een langgerekte lijn, waarvoor zoals niet in geschil is, geen rode contour is opgenomen. Aan veel percelen in het lint zijn reeds woonbestemmingen toegekend. Ook in de nota "Verkenning mogelijkheden voor verbetering bebouwingsbeeld" van oktober 2012 van de zogenoemde Ervenconsulent van Welstand en Monumenten Midden-Nederland (hierna: nota van de Ervenconsulent) staat dat het Boveneinde onderdeel uitmaakt van een oud boerderijenlint langs de in de middeleeuwen gegraven wetering van IJsselstein tot en met Polsbroek. Het betreft volgens de nota een dubbel boerderijlint van ongeveer 17 kilometer lang dat nog in belangrijke mate herkenbaar de structuur van het gebied en het beeld bepaalt.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat langs het Boveneind ZZ sprake is van een bebouwingslint.

Ingevolge artikel 4.4., tweede lid, van de PRV kan een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden wordt voldaan. Hieronder worden deze voorwaarden besproken.

Verhoging van de ruimtelijke kwaliteit

5.7.    Over de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling als volgt. De plantoelichting vermeldt dat het plangebied thans bestaat uit een achterhuis van een boerderij en het bijbehorende erf. Het voorhuis is in het verleden gesloopt. Bij het achterhuis is er sprake van een vervallen tuinhuis dan wel schuurtje en op het achterterrein is sprake van een kapschuur bedekt met blikken golfplaat. De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het slopen van de huidige bebouwing. Vervolgens wordt ter plaatse van het huidige achterhuis een nieuwe woning gerealiseerd. Volgens de plantoelichting ligt de nadruk bij dit bestemmingsplan op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het terugbrengen van de herkenbaarheid van het oorspronkelijke lint, zoals beschreven in de nota van de Ervenconsulent.

Volgens genoemde nota zal het terugbouwen en verlengen van de boerderij voor een sterke verbetering van de bebouwingskarakteristiek in het landschap zorgen.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Bestaand bebouwingslint

5.8.    [appellant B] heeft ter zitting toegelicht dat voor zover langs het Boveneinde ZZ sprake zou zijn van een bebouwingslint hij niet bestrijdt dat de voorziene bebouwing binnen het bestaande bebouwingslint plaatsvindt.

Zoals hiervoor onder 5.6. is overwogen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat ter plaatse sprake is van een bebouwingslint en is deze voorwaarde derhalve niet bestreden.    

Belangen van bestaande omringende functies

5.9.    De gronden van [appellant B] hebben in het bestemmingsplan "Landelijk gebied" de bestemming "Agrarische doeleinden, grondgebonden veehouderij" zonder de aanduiding bouwvlak en "Agrarische doeleinden, veehandelsbedrijf" met de aanduiding bouwvlak. [appellant B] heeft ook agrarische gronden in gebruik achter perceel [locatie 3]. Deze gronden hebben de bestemming "Agrarische doeleinden, grondgebonden veehouderij" zonder de aanduiding "bouwvlak".

     In de plantoelichting is in paragraaf 4.7 bezien in hoeverre de in het plan voorziene woning gevolgen heeft voor bestaande omringende bedrijven. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en dat de nieuwe woning de aanwezige bedrijven niet zal belemmeren in hun bedrijfsvoering. Uit het beroepschrift, noch uit het verhandelde ter zitting is het de Afdeling duidelijk geworden in welke zin [appellant B] niettemin vreest dat hij onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de belangen van [appellant B] in zoverre niet onevenredig worden aangetast.

5.10.    Voor zover [appellant B] stelt dat het plan ook voor het perceel van [appellant A] en het gebruik van de aan anderen dan [appellant B] in eigendom behorende en gebruik zijnde gronden aansluitend aan het perceel Boveneind ZZ 7b, achter het perceel Boveneind ZZ 9 een beperking met zich brengt overweegt de Afdeling als volgt.

5.10.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

5.10.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.10.3.    Artikel 8:69a van de Awb staat er niet aan in de weg dat belanghebbenden zich in rechte op de norm van artikel 4.4, tweede lid van de PRV kunnen beroepen ten einde een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te bewerkstelligen, voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen.

    Niet in geschil is dat de gronden van [appellant A] en de gronden aansluitend aan het perceel Boveneind ZZ 7b, achter het perceel Boveneind ZZ 9 niet in eigendom, dan wel gebruik zijn bij [appellant B]. In zoverre heeft de ingeroepen norm dan ook geen betrekking op de eigen belangen van [appellant B], zodat het slagen van deze beroepsgrond gelet op artikel 8:69a van de Awb er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Het betoog faalt.

Conclusie PRV

5.11.    Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wegens strijd met artikel 4.4., tweede lid, van de PRV voor vernietiging in aanmerking komt.

Provinciaal beleid

5.12.    De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad met deze beleidsstukken van de provincie rekening te houden, hetgeen betekent dat deze in de belangenafweging dienen te worden betrokken.

In de plantoelichting is ingegaan op de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en hoe het onderhavige bestemmingsplan zich daartoe verhoudt. Gelet hierop heeft de raad de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie in zijn afweging betrokken.

Het betoog faalt.

Gemeentelijke beleid

5.13.    [appellant B] stelt zich op het standpunt dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de nota LopikMEerwaard.

Hij acht niet duidelijk hoe de vaststelling van de vereveningsbijdrage die op grond van de nota LopikMEerwaard moet worden betaald tot stand is gekomen. De anterieure overeenkomst met daarin de vereveningsbijdrage is in het geheel niet in ontwerp ter inzage gelegd. Voorts vrezen zij dat de bijdrage aan het vereveningsfonds niet daadwerkelijk zal worden geleverd en achten zij onduidelijk wie, wanneer en op welke wijze de vereveningsbijdrage zal betalen.

5.13.1.    Volgens de raad is het plan niet in strijd met het gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in de nota LopikMEerwaard.

5.13.2.    In de nota "LopikMEerwaard", zoals door de raad vastgesteld op 16 februari 2010, heeft de raad beschreven dat het in het kader van de gebiedsontwikkeling belangrijk is dat de initiatiefnemer beschrijft wat de tegenprestatie is, waardoor de kwaliteit van het lint of het landschap wordt versterkt. Daarvan zal volgens de nota afhangen of aan het initiatief kan worden meegewerkt.

Voorts staat in de nota dat er zich situaties kunnen voordoen dat deze tegenprestatie niet of niet voldoende kan worden geboden, terwijl er toch redenen zijn om door te gaan met het initiatief. Als daarvan sprake is dan kan het volgens de notitie niet zo zijn dat een initiatiefnemer met een initiatief buiten de zogenoemde rode contour in een economisch voordeliger situatie terecht komt dan iemand die zich binnen de contour vestigt. Derhalve dient dan door de initiatiefnemer een financiële bijdrage te worden betaald. De bijdragen zullen in een daarvoor in te stellen fonds worden gestort.

Door de provincie Limburg zijn voor het berekenen van de bijdrage rekenmodellen opgesteld die de raad heeft overgenomen in zijn beleid. In de nota staan ook de uitgangspunten opgenomen die bij het gebruik van de rekenmodellen gelden.

5.13.3.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat na uitvoering van de beoogde ontwikkeling, met inachtneming van de nota van de Ervenconsulent er op het perceel Boveneind ZZ 7b sprake zal zijn van een kwaliteitsverbetering. Gezien de waardevermeerdering van het perceel vond de raad een extra inspanning van de initiatiefnemer noodzakelijk. Blijkens het verweerschrift is daarom gezocht naar mogelijke kwaliteitsverbeteringen in de directe omgeving. Ook na overleg met de gemeente is de initiatiefnemer er niet in geslaagd om elders een passende tegenprestatie te leveren.

Derhalve heeft de raad op grond van de nota LopikMEerwaard verzocht om een aanvullende tegenprestatie in de zin van een bijdrage aan het zogenoemde "Vereveningsfonds". De bijdrage is bepaald aan de hand van een module waarbij het uitgangspunt is dat de hoogte van de bijdrage een afspiegeling is van de waardestijging van het perceel en de bebouwing. Bij het bepalen van de hoogte van de bijdrage is rekening gehouden met de (financiële) inspanning die de initiatiefnemer al moet leveren om binnen het plangebied de beoogde kwaliteitsverbetering te kunnen realiseren om te voldoen aan de nota van de Ervenconsulent. Met de bijdrage aan het Vereveningsfonds ontwikkelt de gemeente plannen die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit en de fysieke leefomgeving.

De raad heeft bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage aan het zogenoemde Vereveningsfonds verwezen naar de rekenmodellen die als bijlage 6 bij genoemde nota zijn gevoegd.

De betaling van de bijdrage aan het Vereveningsfonds is in een overeenkomst tussen de raad en initiatiefnemer neergelegd. De raad heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat deze overeenkomst reeds met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. In de enkele stelling van [appellant B] dat dit wellicht niet het geval is ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen.

    In artikel 7 van de overeenkomst is bepaald dat ter voldoening aan de uitvoering van de Nota LopikMEerwaard de initiatiefnemer een bedrag van € 75.000,00 minus de legeskosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het herzien van een bestemmingsplan zal betalen aan de gemeente. Het bedrag zal door de initiatiefnemer worden vergoed nadat het plan is vastgesteld en onherroepelijk is geworden.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de Nota LopikMEerwaard niet juist heeft toegepast, dan wel dat de raad onvoldoende inzicht heeft gegeven in de vereveningsbijdrage. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de bijdrage aan het Vereveningsfonds niet zal worden voldaan. Op welke wijze het bedrag zal worden betaald betreft een kwestie van uitvoering en ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet in strijd is met het gemeentelijke beleid.

Planregels

6.    [appellant B] acht artikel 3, lid 3.2.3. van de planregels rechtsonzeker, omdat onduidelijk is wat een bouwplan is dat mede strekt tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

6.1.1.    Artikel 3, lid 3.2.3. van de planregels luidt:

"Een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen wordt slechts verleend, indien het betrokken bouwplan mede strekt tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals nader vastgelegd in het ‘Erfadvies’ in bijlage 1.

6.1.2.    Artikel 3, lid 3.2.3. van de planregels bepaalt dat een bouwplan dient te strekken tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, zoals vastgelegd in het ‘Erfadvies’. Derhalve is duidelijk wat in artikel 3, lid 3.2.3. van de planregels wordt verstaan onder een bouwplan ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het betoog faalt.

Planregels vorige plan

7.     Volgens [appellant B] wordt aan de zogenoemde dubbeltelbepaling uit artikel 40 van het vorige bestemmingsplan "Landelijke gebied" niet voldaan nu gronden die in aanmerking zijn genomen bij de omgevingsvergunning voor bouwen voor Boveneind ZZ7a/7 opnieuw bij de onderhavige aanvraag zijn betrokken.

    Evenmin is het plan in overeenstemming met het uitgangspunt van artikel 24 van het bestemmingsplan "Landelijk gebied", waaruit volgt dat de gronden primair ten dienste staan en moeten blijven staan aan de agrarische bedrijfsvoering, aldus [appellant B].

7.1.    Anders dan [appellant B] veronderstelt, wordt het onderhavige bestemmingsplan niet getoetst aan het voorheen geldende plan.

Ook kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Het betoog faalt.

Besluit omgevingsrecht

8.    [appellant B] voert aan dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en derhalve in strijd is met artikel 6.5, tweede lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

8.1.1.    Artikel 6.5, eerste en tweede lid van het Bor luiden:

"1    Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

2     De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening."

8.2.    Blijkens de tekst hebben de artikelen 6.5, eerste en tweede lid, van het Bor betrekking op het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan of de beheersverordening, terwijl het bestreden besluit de vaststelling van een bestemmingsplan betreft.

Het betoog faalt.

Conclusie/proceskosten

9.    Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

9.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover ingediend door [appellant A]   niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor zover ingediend door [appellant B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Tuit

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

425.