Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2953

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201701357/1/A2 en 201701426/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:72, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:71, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2012 en 2013 herzien en definitief vastgesteld op nihil en in totaal € 41.170,00 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701357/1/A2 en 201701426/1/A2.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te Deventer,

tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2017 in zaken nrs. 16/2296 en 16/2297 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2012 en 2013 herzien en definitief vastgesteld op nihil en in totaal € 41.170,00 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluiten van 15 en 16 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw besloten op de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren en deze ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke uitspraken van 10 januari 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 18 september 2017, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1.    [appellant] heeft in 2012 en 2013 voor zijn twee kinderen gebruik gemaakt van kinderopvang via [naam kinderopvangbureau], waarvoor hij voorschotten kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. [appellant] is tevens de houder van de [kinderopvangbureau].

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de besluiten van 31 juli 2015 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang heeft betaald.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

Verzoek om uitstel

2.    [appellant] heeft bij brief, ingekomen op 7 september 2017, verzocht om de zitting van 18 september 2017 uit te stellen. Dit verzoek is afgewezen omdat [appellant] geen reden heeft opgegeven voor verhindering en geen verhinderdata heeft opgegeven toen de Afdeling hiernaar vroeg.

Hogerberoepsgronden

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij in 2012 € 18.157,00 heeft voldaan voor de kinderopvang in dat jaar en dat hij niet wist hoeveel hij moest betalen voor de kinderopvang, nu hij zelfstandig ondernemer is en zijn inkomen pas bekend wordt rond april tot juni in het jaar na het toeslagjaar. [appellant] stelt, onder verwijzing naar zijn telefoonnotities, dat medewerkers van de Belastingdienst hem desgevraagd telefonisch hebben medegedeeld, op zijn vraag wat zijn maandelijkse bijdrage aan de kosten van kinderopvang is, dat hij daarvan zou worden bericht bij de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, en op de vraag van [appellant] of alles klopte, hebben geantwoord dat de betalingen goed verliepen en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. [appellant] stelt dat hij dan ook ontdaan was door de nihilstelling, te meer nu de dienst hem vooraf niet heeft geïnformeerd dat hij de volledige kosten, waaronder de reeds verstrekte voorschotten kinderopvangtoeslag, zou moeten terugbetalen indien hij niet kon aantonen dat hij de voor zijn rekening komende kosten van kinderopvang heeft voldaan.

    [appellant] voert verder aan dat de kinderopvangtoeslag over 2012 veel te laat is vastgesteld. Indien dit kort na het toeslagjaar was gebeurd, had hij bijtijds de voor zijn rekening komende kosten aan de [kinderopvangbureau] kunnen betalen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2565, en van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2519, nu de omstandigheden hier anders zijn.

    Voor 2013 voert [appellant] tevens aan dat uit de jaaroverzichten over dat jaar blijkt dat de totale kosten van kinderopvang € 29.550,00 bedroegen, de [kinderopvangbureau] in 2013 een bedrag van in totaal € 22.058,00 heeft ontvangen en dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij op 22 april 2014 € 7.079,04 aan de [kinderopvangbureau] heeft voldaan. Hij verwijst hiertoe naar een kopie van het kasboek van de [kinderopvangbureau], waarin een betaling van € 7.079,04 op 22 april 2014 is vermeld, een kopie van het kasboek van [appellant] Groep, waaruit volgt dat dit bedrag aan die onderneming is onttrokken, en een factuur van de [kinderopvangbureau] van 22 april 2014, waarin is vermeld dat op die datum een bedrag van € 7.079,04 contant is voldaan. Het verschil tussen het bedrag van € 7.492,00, dat voor zijn rekening kwam en het bedrag van € 7.079,04 dat hij contant heeft betaald, is zo gering, dat ervan kan worden uitgegaan dat alle kosten zijn betaald, aldus [appellant].

Regelgeving

4.    Artikel 1.7 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) luidt:

"1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

    1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

    3˚. de soort kinderopvang.

2. De uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven." (…)

    Artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt:

"1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn".

    Artikel 26 luidt: "Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd."

Beoordeling

4.1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Zoals volgt uit artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, worden de kosten van de kinderopvang bepaald door het aantal uren kinderopvang, de voor de kinderopvang te betalen prijs en de soort kinderopvang.

    De kinderopvangtoeslag betreft een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De hoogte van de toeslag is, gelet op artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp, afhankelijk van de draagkracht en de kosten van kinderopvang per kind. Uit de tabel neergelegd in bijlage I bij het Besluit kinderopvangtoeslag volgt dat de toeslag nooit 100% van de kosten bedraagt. Een vraagouder of zijn partner dient altijd zelf een deel van de kosten van kinderopvang te betalen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3913), geeft het aandeel dat de ouders, naar draagkracht, van de kosten van kinderopvang dragen, uitdrukking aan de eigen verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding en opvang van hun kinderen en zorgt dit ervoor dat ouders afwegingen maken over de omvang van het gebruik. De wetgever heeft het eigen aandeel in de kosten mede bedoeld als een prikkel om het aantal gedeclareerde uren kinderopvang te beperken, aldus de uitspraak van 23 december 2015.

Kosten

4.2.    [appellant] heeft facturen en facturenoverzichten over 2012 en 2013 overgelegd, waarin het aantal uren kinderopvang is opgenomen en waaruit kan worden afgeleid dat de kosten over die jaren € 24.966,00 onderscheidenlijk € 29.550,00 bedroegen. [appellant] wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat hij niet wist wat hij voor de kinderopvang moest betalen, te meer nu hij houder is van de [kinderopvangbureau]. Dat zijn inkomen pas na het toeslagjaar bekend wordt, laat onverlet dat de kosten van kinderopvang reeds bleken uit de maandelijkse facturen over 2012 en 2013.

Betaling kosten 2012

4.3.    [appellant] stelt dat hij over 2012 een bedrag van € 18.157,00 heeft voldaan. Dit is het bedrag dat de Belastingdienst/Toeslagen aan voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 heeft overgemaakt aan de [kinderopvangbureau]. Nu de kosten over 2012 € 24.966,00 bedroegen, zoals hiervoor is overwogen, moest [appellant] aantonen dat hij een bedrag van € 6.809,00, het verschil tussen de kosten en de voorschotten, heeft betaald aan de [kinderopvangbureau].

4.4.    [appellant] heeft geen betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij het bedrag van € 6.809,00 heeft betaald aan de [kinderopvangbureau].

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de door de rechtbank genoemde uitspraken van 9 juli 2014 en 28 september 2016, bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen kan, indien niet alle kosten volledig zijn betaald, bij de herziening van het voorschot en de terugvordering geen rekening houden met de kosten van kinderopvang die de betrokken vraagouder aantoonbaar heeft betaald en deze kan geen aanspraak maken op een evenredig deel van de kinderopvangtoeslag over het desbetreffende toeslagjaar (zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114 en van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3301). Dit laat onverlet dat bij afrondingsverschillen, dat wil zeggen bij kleine verschillen tussen de totale kosten van kinderopvang en de aantoonbaar betaalde kosten, ervan kan worden uitgegaan dat alle kosten zijn voldaan (zie de uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1610).

    Zo’n afrondingsverschil is hier niet aan de orde. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij alle kosten over 2012 heeft betaald.  

Betaling kosten 2013

4.5.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft een bedrag van € 22.058,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag over 2013 overgemaakt aan de [kinderopvangbureau]. Nu de kosten van kinderopvang over 2013 € 29.550,00 bedroegen, zoals hiervoor is overwogen, moest [appellant] aantonen dat hij een bedrag van € 7.492,00, het verschil tussen de kosten en voorschotten, aan de [kinderopvangbureau] heeft betaald.

4.6.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] in een brief van 9 november 2015 verzocht om aanvullende informatie. In reactie hierop heeft [appellant] de facturen over 2013 overgelegd, waaruit volgt dat de [kinderopvangbureau] hem maandelijks heeft verzocht een bedrag van € 2.462,50 binnen acht dagen over te maken. Uit de door [appellant] overgelegde bankafschriften van de [kinderopvangbureau] over 2013 volgt dat uitsluitend de voorschotten van de Belastingdienst/Toeslagen maandelijks aan de [kinderopvangbureau] zijn overgemaakt.

4.7.    [appellant] heeft in reactie op de brief van 9 november 2015 tevens een kopie uit het kasboek van de [kinderopvangbureau] overgelegd, waarin op 22 april 2014 een door de [kinderopvangbureau] ontvangen bedrag van € 7.079,04 is vermeld voor de kosten van opvang van de kinderen van [appellant] over januari tot en met december 2013.

    In beroep heeft [appellant] over laatstgenoemde betaling gesteld dat dit bedrag contant aan de [kinderopvangbureau] is voldaan via zijn reisorganisatie. Hij heeft geen kwitantie overgelegd waaruit dit blijkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] de gestelde contante betaling niet heeft aangetoond met enkel de kopie uit het kasboek van de [kinderopvangbureau], zonder andere bewijsstukken waaruit volgt dat het bedrag van € 7.079,04 daadwerkelijk is betaald.

    In hoger beroep heeft [appellant] aanvullende stukken overgelegd, namelijk een kopie van het kasboek van de [appellant] Groep, naar de Afdeling aanneemt de in beroep genoemde reisorganisatie, en een factuur van de [kinderopvangbureau] van 22 april 2014 waarin is vermeld dat [appellant] op die datum een bedrag van € 7.079,04 contant heeft voldaan. Nu [appellant] de aanvullende stukken noch in reactie op het verzoek om informatie van 9 november 2015, noch in beroep, maar zonder plausibele verklaring eerst in hoger beroep heeft overgelegd, twijfelt de Afdeling aan de authenticiteit van deze stukken. Zij kent hieraan dan ook niet de betekenis toe die [appellant] hieraan gehecht wenst te zien.

    De rechtbank heeft bovendien terecht overwogen dat de betaling van 22 april 2014, voor zover [appellant] deze zou hebben aangetoond, te laat is om aan 2013 te kunnen worden toegerekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2006, en 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:827), brengen de achtergrond van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het verstrekken van voorschotten daarvoor en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich dat de verschuldigde kosten van kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna worden voldaan. Aan die voorwaarde is niet voldaan. Van door [appellant] gemaakte afspraken over uitstel van betaling noch van andere bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel, is niet gebleken.

    De door [appellant] genoemde telefoongesprekken met medewerkers van de Belastingdienst worden niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid aangemerkt. Gelet op het mondelinge karakter daarvan, kan de Afdeling niet vaststellen wat telefonisch is besproken en of daarbij toezeggingen zijn gedaan. De telefoonnotities van [appellant] geven niet duidelijk weer welke vragen hij heeft gesteld en welk antwoord hij daarop heeft gekregen. Zo is onduidelijk of de in de notities vermelde betalingen betrekking hebben op die van [appellant] of op de betalingen van de voorschotten door de Belastingdienst/Toeslagen. Indien over de door [appellant] te betalen kosten van kinderopvang onduidelijkheid bestond, lag het op zijn weg schriftelijk zekerheid van de Belastingdienst/Toeslagen hierover te verkrijgen.

4.8.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] voor 2013 niet heeft aangetoond dat hij ten tijde van de opvang in dat jaar of uiterlijk kort daarna voormeld bedrag van € 7.492,00 heeft betaald aan de [kinderopvangbureau].

    Het betoog faalt.

Tijdstip vaststelling kinderopvangtoeslag

4.9.    Het betoog over de te late vaststelling van de kinderopvangtoeslag treft geen doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484), vervalt de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 op 31 juli 2015 definitief vastgesteld, derhalve binnen vijf jaar na de laatste dag van die toeslagjaren.

Conclusie

5.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de dienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] over 2012 en 2013 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

615.