Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201605539/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel) ten behoeve van een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op dat perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5633
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7698
AR 2018/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605539/1/A1.

Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld,

2.    [appellant sub 2], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juli 2016 in zaken nrs. 15/4575 en 15/4579 in het geding tussen:

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] wonend te Lieveren, gemeente Noordenveld (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende A]),

[belanghebbende C] en [belanghebbende D], wonend te Lieveren, gemeente Noordenveld (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende C])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel) ten behoeve van een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op dat perceel.

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft het college het door [belanghebbende A] en [belanghebbende C] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [belanghebbende A] en [belanghebbende C] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2015 vernietigd en het besluit van 8 juni 2015 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende A] en [belanghebbende C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college aan [appellant sub 2] opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel) ten behoeve van een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op dat perceel.

[belanghebbende A] en [belanghebbende C] hebben naar aanleiding van dat besluit nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2017, waar het college, vertegenwoordigd door ing. G. Navis en W.M.H. van Heuveln, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.M. Wiechers, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende C], bijgestaan door mr. T. Pothast en mr. D. Schilstra, en [belanghebbende A], bijgestaan door mr. A. Kwint-Ocelikova, advocaat te Groningen, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 2] heeft het voornemen om op het perceel een bedrijf te vestigen, dat op locatie bestratingswerkzaamheden, tuinonderhoud, tuinaanleg, verbouwingswerkzaamheden en woningonderhoud verricht en in eigen beheer geproduceerde tuinhuisjes levert. Daarbij zal onder meer het woonhuis worden gebruikt als woning en kantoor, een bestaande schuur worden gebruikt voor de stalling van caravans en een bestaande kapschuur worden gebruikt voor opslag van materieel. Verder zal een deel van deze kapschuur worden ingericht als werkplaats. Buiten is opslag van materialen en afval voorzien, in verband waarmee een muur is voorzien. Deze zal tevens een geluidsafschermende functie hebben.

    Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Kleine Kernen Noordenveld" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemming "Wonen-Boerderij" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". De vestiging van het beoogde bedrijf en het bouwen van een muur ten behoeve van dat bedrijf is niet in overeenstemming met deze bestemming. Teneinde dit mogelijk te maken heeft het college aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Daartoe heeft het toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van die wet, gelezen in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Voorts heeft het college voor het bouwen van de muur omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. [belanghebbende A] en [belanghebbende C] kunnen zich niet met de omgevingsvergunning verenigen en hebben daartegen beroep ingesteld.

    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het negende lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor geen grondslag bood om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van de Wabo omgevingsvergunning voor de bouw van de muur te verlenen, nu dat artikellid betrekking heeft op het gebruiken van bouwwerken. Ook het derde lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor bood hiertoe volgens de rechtbank geen grondslag, nu de muur een oppervlakte heeft van 125 m2. Nu deze muur mede als geluidsreducerende voorziening is aangemerkt en niet kan worden vergund, moet voorts worden uitgegaan van overschrijding van de in het Activiteitenbesluit milieubeheer voorgeschreven geluidgrenswaarden als gevolg van de voorziene bedrijfsactiviteiten, aldus de rechtbank. Gelet daarop heeft het college zich volgens de rechtbank niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde vestiging van het bedrijf in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft daarom het besluit op bezwaar van 7 oktober 2015 vernietigd en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning herroepen. Het college en [appellant sub 2] kunnen zich niet met deze uitspraak verenigen.

    Op 5 december 2016 heeft [appellant sub 2] een gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Daarbij is de muur in gewijzigde vorm aangevraagd. Verder is een ten opzichte van de eerdere aanvraag op enkele punten aangepast bedrijfsplan bijgevoegd. Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. [belanghebbende A] en [belanghebbende C] kunnen zich daarmee niet verenigen.

De hoger beroepen van het college en [appellant sub 2]

2.    Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende omgevingsvergunning mocht worden verleend op grond van een combinatie van onderdelen van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Voor de bouw van de muur is volgens hen omgevingsvergunning verleend op grond van het derde lid van dat artikel. Dat artikellid biedt daartoe de mogelijkheid, nu het bouwplan voorziet in een muur met een oppervlakte van ongeveer 18 m2 en niet, zoals de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, met een oppervlakte van 125 m2, aldus het college en [appellant sub 2].

2.1.    Artikel 2.1 van de Wabo luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, […]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."

    Artikel 2.12 luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: […]

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen […]."

    Artikel 4 van bijlage II bij het Bor luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: […]

3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m2; […]"

    Artikel 1, tweede lid, van het Bor luidt:

"Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in deze bijlage in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: […]

c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven."

2.2.    Het oorspronkelijke bouwplan waarvoor bij het besluit van 8 juni 2015 vergunning is verleend, ziet op een muur met een lengte van 25 m, met aan de beide uiteinden een haaks geplaatste zijmuur met een lengte van 5 m. Tussen de twee zijmuren zijn twee zijarmen voorzien met dezelfde lengte als de beide zijmuren. Aldus vormt het bouwwerk drie afzonderlijke vakken, die elk aan drie zijden door muren zijn omgeven. De muren meegerekend zijn twee vakken ongeveer 5 m bij 5 m groot, en een vak 15 m bij 5 m. Blijkens het oorspronkelijke bouwplan zijn deze vakken bedoeld voor de opslag van tuinafval en containers.

    Doordat de bewuste ruimten aan drie zijden door muren zijn omgeven, legt het bouwwerk daarop een ruimtebeslag dat maakt dat die ruimten, inclusief de daarvan deel uitmakende vloeren, geheel bij het bouwwerk worden betrokken. Gelet daarop moeten deze vloeren tot de oppervlakte van het bouwwerk worden gerekend. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de oppervlakte van het bouwwerk waarop het bouwplan ziet 125 m2 bedraagt. Dat betekent dat artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Bor geen grondslag biedt om daarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen. Nu voorts niet in geschil is dat het Bor daarvoor ook voor het overige geen grondslag biedt, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college de omgevingsvergunning niet op juiste grondslag heeft verleend.

    Het betoog faalt.

3.    De hoger beroepen van het college en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Het besluit van 14 februari 2017

4.    Op 5 december 2016 heeft [appellant sub 2] een gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning voor een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op het perceel ingediend. Het daarbij gevoegde bedrijfsplan bevat enkele wijzigingen ten opzichte van het bij de oorspronkelijke aanvraag gevoegde bedrijfsplan. Voor wat betreft de muur ziet deze aanvraag op een muur van 25 m lang en 40 cm breed, zonder zijmuren en zijarmen. Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college omgevingsvergunning verleend.

    [belanghebbende A] betoogt dat het besluit van 14 februari 2017 een nieuw besluit is dat onvoldoende samenhang vertoont met het besluit van 8 juni 2015, nu dit besluit is gebaseerd op een nieuwe aanvraag.

    Het college heeft bij het besluit van 14 februari 2017 de gewijzigde aanvraag van 5 december 2016 betrokken. De enkele omstandigheid dat de aanvraag is gewijzigd, is onvoldoende voor het oordeel dat een nieuwe aanvraag is vereist en het besluit daarop een nieuw besluit op een aanvraag betreft. Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3805 overweegt de Afdeling dat indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, daarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Die situatie doet zich hier niet voor, nu met de doorgevoerde wijzingen in de aanvraag geen sprake is van een substantieel ander feitencomplex. Het college heeft zich dan ook in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingen kunnen worden beschouwd als wijzigingen van ondergeschikte aard waarvoor geen nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning behoefde te worden ingediend. Het besluit van 14 februari 2017 op die aanvraag wordt daarom, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht tevens voorwerp te zijn van het geding.

5.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

De beroepen van [belanghebbende A] en [belanghebbende C] tegen het besluit van 14 februari 2017

Het bouwen van de muur

6.    [belanghebbende C] betoogt dat ook de gewijzigde muur een oppervlakte van meer dan 50 m2 heeft. Volgens hem moet de oppervlakte van de sleufsilo waarop de muur is voorzien tot de oppervlakte van het bouwwerk worden gerekend.

6.1.    De muur zoals thans vergund leidt niet langer tot ruimten die aan drie zijden zijn ommuurd. Daarom bestaat geen reden om de bodem rondom de muur tot de oppervlakte van het bouwwerk te rekenen. De omstandigheid dat de muur op een bestaande sleufsilo wordt gerealiseerd, betekent niet dat moet worden aangenomen dat de muur tezamen met de sleufsilo een bouwwerk vormt. Gelet hierop, is de oppervlakte van de muur thans minder dan 50 m2, zodat artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Bor grondslag biedt om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen.

    Het betoog faalt.

7.    [belanghebbende C] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bouw van de muur niet leidt tot verstoring van de archeologische waarde van het terrein. Volgens hem kan niet worden uitgesloten dat door het bouwen van de muur grond met mogelijk archeologische waarde wordt onttrokken aan het perceel. Daarnaast heeft het uiterlijk aanzien van de grond volgens hem invloed op de archeologische waarde van de grond.

7.1.    Artikel 28.2.1 van de planregels, behorende bij de ter plaatse geldende dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2", luidt:

"De aanvrager van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op de in lid 28.1 genoemde gronden, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. […]"

7.2.    De muur zal worden gerealiseerd op een bestaande sleufsilo, zodat voor de bouw daarvan geen grond zal worden onttrokken aan het terrein. Derhalve kan deze bouw niet leiden tot verstoring van de archeologische waarde van het terrein. Het uiterlijk aanzien van de grond kan de archeologische waarden van het terrein, die betrekking hebben op de bodem, niet aantasten.

    Het betoog faalt.

8.    [belanghebbende A] betoogt dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat voor het bouwen van de gewijzigde muur geen watervergunning is verleend. Volgens hem heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: het dagelijks bestuur) slechts een watervergunning verleend voor een muur zoals in de oorspronkelijke aanvraag was voorzien. Het ontbreken van een watervergunning voor de gewijzigde muur leidt er volgens hem toe dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid niet kon verlenen.

8.1.    Omdat de muur is voorzien boven een ondergrondse waterloop, is daarvoor een watervergunning van het dagelijks bestuur vereist. Het dagelijks bestuur heeft de gevraagde watervergunning verleend, waarbij het is uitgegaan van de muur met zijmuren en zijarmen, zoals in de oorspronkelijke aanvraag voorzien. Voor zover van deze watervergunning geen gebruik kan worden gemaakt ten behoeve van de gewijzigde muur zonder zijmuren en zijarmen, bestaat redelijkerwijs geen aanleiding voor het vermoeden dat ten behoeve van de gewijzigde muur geen watervergunning zal kunnen worden verleend. Reeds daarom kan hetgeen [belanghebbende A] in dit verband naar voren heeft gebracht niet leiden tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen.

    Het betoog faalt.

Beoordeling andere afzonderlijke onderdelen aanvraag

9.    [belanghebbende A] betoogt dat in de gewijzigde aanvraag wordt uitgegaan van de plaatsing van een elektrisch verschuifbaar hekwerk. Volgens hem heeft het college ten onrechte nagelaten te bezien of voor dit hekwerk omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist.

9.1.    Op de plattegrond bij het bedrijfsplan dat deel uitmaakt van de aanvraag is aangegeven dat een verschuifbaar, elektrisch te bedienen hekwerk is voorzien om het bedrijfsterrein volledig te kunnen afsluiten.

    Op het aanvraagformulier voor de activiteit bouwen is dit hekwerk niet vermeld en bij de aanvraag is geen bouwtekening van dit hekwerk gevoegd. Het college hoefde dan ook niet te beoordelen of voor de plaatsing van het hekwerk een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist.

    Het betoog faalt.

10.    [belanghebbende C] betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of, en zo ja, waar onderhoudswerkzaamheden aan eigen materieel op het perceel zullen plaatsvinden.

10.1.    In het bij de aanvraag gevoegde bedrijfsplan is vermeld welk materieel op het perceel aanwezig zal zijn. Het onderhoud van dit eigen materieel is een bij de bedrijfsactiviteiten behorende ondergeschikte activiteit. Gelet op de te verwachten beperkte ruimtelijke gevolgen daarvan, was voor een goede beoordeling van de aanvraag niet vereist dat het college nader onderzocht of en waar onderhoudswerkzaamheden op het perceel zijn voorzien.

    Het betoog faalt.

Toetsing aan ruimtelijk beleid

11.    [belanghebbende A] en [belanghebbende C] betogen dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat de bedrijfsactiviteiten waarvoor omgevingsvergunning is verleend, kunnen worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die in bijlage 1 bij het bestemmingsplan en in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-handreiking) onder milieucategorie 2 zijn geschaard. Volgens hen had het college in aanmerking moeten nemen dat de volledige omvang van het perceel van ongeveer 5.600 m2 kan worden benut voor de bedrijfsactiviteiten. Een hoveniersbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 500 m2 wordt geschaard onder categorie 3.1. Volgens hen behoort de houtbewerking verder te worden ingedeeld in de categorie "timmerwerkfabrieken, vervaardigen overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2", die eveneens wordt geschaard onder categorie 3.1. Bij deze categorie geldt een richtafstand tot de dichtstbijzijnde woning van 50 m. Aan die richtafstand wordt niet voldaan, aldus [belanghebbende A] en [belanghebbende C].

11.1.    Bij de beoordeling of de bedrijfsactiviteiten ruimtelijk aanvaardbaar zijn, heeft het college aansluiting gezocht bij de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan. Deze had volgens het college kunnen worden toegepast indien de aanvraag niet mede betrekking had gehad op buitenopslag. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt in geval van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen de vestiging van bedrijven, genoemd in bijlage 1 bij het bestemmingsplan en in de categorieën 1 en 2 als bedoeld in de VNG-brochure, en wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven mogelijk. Volgens het college kunnen deze bedrijfsactiviteiten daarom in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar worden geacht.

    Volgens het college sluiten de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2] aan op de categorieën "plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m2" en "aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m2", die beide onder categorie 2 zijn geschaard. Uitgaande van de afstand van het gedeelte van de kapschuur dat als werkplaats zal worden ingericht, wordt aan de voor categorie 2 geldende richtafstand van 30 m tot de dichtstbijzijnde woning voldaan. De opslag in het gedeelte van de kapschuur dat dichterbij die woning ligt, kan volgens het college worden vergeleken met een bedrijf in categorie 1. Daarvoor geldt een richtafstand van 10 m, waaraan eveneens wordt voldaan.

11.2.    Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college, door aansluiting te zoeken bij de voormelde categorieën, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De aanvraag heeft geen betrekking op het verrichten van bedrijfsactiviteiten op het gehele perceel. In het bij de aanvraag gevoegde bedrijfsplan is geconcretiseerd waar de verschillende bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn voorzien. Het college hoefde dan ook niet uit te gaan van een bedrijfsoppervlakte die het gehele perceel beslaat, zoals [belanghebbende A] en [belanghebbende C] stellen.

    Uit het bedrijfsplan kan worden afgeleid dat de houtbewerking de productie van op maat gemaakte tuinhuisjes betreft, en voorts de productie van onder meer kozijnen in het kader van verbouwingswerkzaamheden en woningonderhoud op locatie. De werkplaats is voorzien in de kapschuur en zal een omvang hebben van ongeveer 100 m2. Nu uit het bedrijfsplan volgt dat geen seriematige productie van tuinhuisjes en onder meer kozijnen is voorzien, hoefde het college voor de indeling daarvan geen aansluiting te zoeken bij de categorie "timmerwerkfabrieken, vervaardigen overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2". Gelet op het incidentele karakter van de houtbewerking kon het in redelijkheid aansluiting zoeken bij de categorie "aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m2". Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college had moeten uitgaan van een richtafstand tot de dichtstbijzijnde woning van 50 m.

    Het betoog faalt.

12.    [belanghebbende C] betoogt dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het perceel is gelegen binnen een in het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe aangewezen milieubeschermingsgebied.

12.1.    Zoals het college heeft toegelicht, is thans de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014 van toepassing. Daarin maakt het perceel geen deel uit van het "Robuust natuursysteem" of het "Robuust watersysteem-beekdalen". Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat het college, door de omgevingsvergunning te verlenen, in zoverre is afgeweken van het provinciaal beleid.

    Het betoog faalt.

13.    [belanghebbende A] betoogt dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan de Omgevingsvisie Noordenveld 2030 (hierna: de Omgevingsvisie).

13.1.    De Omgevingsvisie is op 8 februari 2017 vastgesteld door de raad van Noordenveld. Daarin staat over de ambities voor onder meer de kern Lieveren:

"Waardevolle esdorpen die bijdragen aan het historische karakter van het esdorpenlandschap.

Er is ruimte voor particuliere initiatieven, die bijdragen aan de leefbaarheid en de identiteit van het dorp.

Er is aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit, de cultuurhistorische waarden zijn behouden."

    Verder staat in de omgevingsvisie:

"Er is een goede overgang van dorp naar landschap. Het landschap wordt beleefd aan de dorpsranden.

De dorpsranden hebben ruimtelijke kwaliteit. […]

De entrees zijn het visitekaartje van Noordenveld."

13.2.    [belanghebbende A] betoogt op zichzelf terecht dat de omgevingsvisie relevant was voor de beoordeling van de aanvraag door het college, nu de omgevingsvisie ten tijde van het besluit van 14 februari 2017 tot verlening van die omgevingsvergunning reeds was vastgesteld. De in de Omgevingsvisie opgenomen uitgangspunten zijn echter van zeer algemene aard. Het college heeft in aanmerking genomen dat in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen die ter plaatse een functiewijziging van vrijgekomen agrarische bebouwing naar verschillende vormen van bedrijven mogelijk maakt. Bij de stedenbouwkundige beoordeling heeft het college betrokken dat het ook hier gaat om hergebruik van voormalige agrarische bebouwing met bijbehorend erf, waarbij geen uitbreiding van gebouwen is voorzien, terwijl de buitenopslag beperkt blijft tot een locatie achter bestaande gebouwen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de stedenbouwkundige beoordeling door het college zich niet verdraagt met de in de omgevingsvisie neergelegde uitgangspunten. Voor zover [belanghebbende A] met zijn betoog doelt op de invloed op het woon- en leefklimaat, gaat de Afdeling hierna op dat aspect in.

    Het betoog faalt.

Goed woon- en leefklimaat, geluidbelasting

14.    [belanghebbende A] en [belanghebbende C] betogen dat het college zich, bij de beoordeling van de gevolgen van de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten op het woon- en leefklimaat van omliggende woningen, ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport "akoestisch onderzoek [locatie] te Lieveren" van bureau Meetel van 18 januari 2017. Daartoe voeren zij aan dat dit rapport nagenoeg identiek is aan het rapport dat ten grondslag lag aan de op 8 juni 2015 verleende omgevingsvergunning, terwijl de aanvraag op enkele akoestisch relevante punten is veranderd.

14.1.    [belanghebbende A] en [belanghebbende C] stellen terecht dat de activiteiten die bij het besluit van 14 februari 2017 zijn vergund op enkele punten verschillen van de activiteiten die het college bij het besluit van 8 juni 2015 had vergund. Hierbij is niet alleen de verschijningsvorm van de muur veranderd, maar ook maakt de aanvankelijk vergunde plaatsing van containers bij de muur thans geen deel meer uit van de vergunde activiteiten. Verder is het bedrijfsplan dat deel uitmaakt van de aanvraag zoals vergund op enkele punten gewijzigd. Zo zijn in vergelijking met het aanvankelijke bedrijfsplan de activiteiten tuinontwerp en de levering van fruitbomen toegevoegd. Ook blijkt uit het bedrijfsplan niet langer dat de kapschuur waarin de werkplaats is voorzien zal worden geïsoleerd, terwijl is vermeld dat hierin een roldeur zal worden aangebracht.

    [belanghebbende A] en [belanghebbende C] hebben eveneens terecht naar voren gebracht dat het akoestisch rapport dat aan de vergunning van 14 februari 2017 ten grondslag ligt zo goed als identiek is aan het akoestisch rapport dat aan de vergunning van 8 juni 2015 ten grondslag lag. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat de hiervoor bedoelde wijzigingen, voor zover akoestisch relevant, in het akoestisch onderzoek zijn betrokken. Met dit akoestisch rapport is dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke akoestische gevolgen het project, gelet op de bedoelde wijzigingen in de aanvraag, heeft. Het college heeft de akoestische gevolgen dan ook niet op juiste wijze in zijn afweging ten aanzien van het woon- en leefklimaat in de omliggende woningen, betrokken.

    Dit betoog slaagt.

Goede ruimtelijke ordening, andere aspecten

15.    [belanghebbende C] betoogt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het project waarvoor omgevingsvergunning is verleend economisch uitvoerbaar is, mede gelet op de kosten die daarmee voor [appellant sub 2] zijn gemoeid, voortvloeiend uit de met hem gesloten planschadeovereenkomst.

15.1.    Het college heeft omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van de Wabo. Voor die gevallen schrijft het Bor niet voor dat overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet zijn voorzien in een toelichting waarin onder meer de inzichten over de uitvoerbaarheid zijn neergelegd. Het college heeft geen aanleiding hoeven te vinden voor gerede twijfel over de economische uitvoerbaarheid.

    Het betoog faalt.

16.    [belanghebbende A] betoogt dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of de in de aanvraag voorziene opslag van afvalstoffen in overeenstemming is met artikel 7.7 van het Bouwbesluit 2012.

16.1.    Artikel 7.7, eerste lid, van het Bouwbesluit luidt:

"Bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw dat op grond van hoofdstuk 2 een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen."

16.2.    Uit het bedrijfsplan blijkt dat de opslag van tuinafval is voorzien. Voor zover al aangenomen moet worden dat zich tussen dit tuinafval brandbare stoffen als bedoeld in artikel 7.7 van het Bouwbesluit kunnen bevinden, heeft het college, gelet op de afstand tussen de locatie waar de opslag is voorzien en het dichtstbijzijnde gebouw op een aangrenzend perceel, redelijkerwijs geen aanleiding hoeven te vinden voor twijfel of opslag in overeenstemming met dit artikel mogelijk is.

    Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

17.    Gelet op hetgeen onder 14.1 is overwogen, is het besluit van 14 februari 2017 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om het gebrek in het besluit van 14 februari 2017 binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. Het college dient de te verwachten geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten waarop de verleende omgevingsvergunning van 14 februari 2017 betrekking heeft, nader te bepalen. Aan de hand van de uitkomsten daarvan dient het college te beoordelen of de geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de omliggende woningen. Indien het college de aantasting niet onaanvaardbaar acht, dient het dat te motiveren. Zo nodig dient het college daarbij een of meer voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, ter waarborging dat geen onaanvaardbare overschrijding van de geluidwaarden optreedt. Indien het college de aantasting onaanvaardbaar acht, dient het de gevraagde vergunning alsnog te weigeren.

    Het college dient derhalve binnen de gestelde termijn van twaalf weken na verzending van deze uitspraak het besluit van 14 februari 2017 nader te motiveren, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te stellen. Het college dient de Afdeling en andere partijen de aanvullende motivering mee te delen dan wel het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit de Afdeling mede te delen.

18.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld en [appellant sub 2], handelend onder de naam [bedrijf], ongegrond;

II.    draagt het college van Noorderzijlvest op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

    - met inachtneming van overweging 14.1 en 17, het besluit van 14 februari 2017, kenmerk z40323, alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen, en

    - de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

w.g. Van Roessel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

457-727.