Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
201609172/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:4260, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het planten van wilgen op een perceel gelegen ten noordwesten van het perceel aan de [locatie 1] te Belt-Schutsloot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5895
JOM 2017/1235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609172/1/A1.

Datum uitspraak: 8 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Belt-Schutsloot, gemeente Steenwijkerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 november 2016 in zaak nr. 16/1319 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het planten van wilgen op een perceel gelegen ten noordwesten van het perceel aan de [locatie 1] te Belt-Schutsloot.

Bij besluit van 11 april 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 9 juni 2015 herroepen.

Bij uitspraak van 4 november 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 april 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [partij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college, [partij] en [appellant] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, het college, vertegenwoordigd door G. Klaren en P. Kleine, beiden werkzaam bij de gemeente, en [partij], bijgestaan door mr. R. Scholten, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont aan de [locatie 2] te Belt-Schutsloot. Vanaf de voorkant van zijn perceel had [appellant] vrij uitzicht over een weiland van [partij]. [partij] heeft in februari 2011 aan de rand van dat weiland waarvan hij eigenaar is, tegenover de woning van [appellant], 27 wilgen geplant. [appellant] heeft door de aanplant van de niet geknotte wilgen niet langer vrij uitzicht vanuit zijn woning. Naar aanleiding van een door het college opgelegde last ter verwijdering van de geplante wilgen heeft [partij] ter legalisering van de geplante wilgen een omgevingsvergunning aangevraagd.

    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de aanvankelijk verleende omgevingsvergunning voor het planten van de wilgen dient te worden herroepen, omdat de cultuurhistorische waarden van de bebouwing aan de Havezatherweg door de aanplant van de wilgen worden aangetast. De rechtbank heeft dit besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat ingevolge het ten tijde van het planten van de wilgen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Wanneperveen" geen aanlegvergunning vereist was voor het planten van de wilgen, nu in artikel 19, lid B, van de planvoorschriften een uitzondering op de vergunningplicht is opgenomen voor de in artikel 15, tweede en derde lid, van de Boswet genoemde beplanting. De rechtbank heeft voorts overwogen dat, aangezien de wilgen legaal aanwezig waren ten tijde van de inwerkingtreding van de thans geldende Beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014", een omgevingsvergunning voor het aanplanten van de wilgen niet vereist was. De omgevingsvergunning is naar het oordeel van de rechtbank dan ook, zij het op onjuiste gronden, terecht herroepen.

2.    De relevante bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), de Boswet, alsmede de relevante planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Wanneperveen" en regels van de ter plaatse geldende Beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014", zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

Het hoger beroep van [appellant]

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het planten van de wilgen geen omgevingsvergunning vereist was ingevolge het ten tijde van de aanplant geldende bestemmingsplan "Buitengebeid Wanneperveen". Hiertoe voert [appellant] aan dat de in artikel 19, lid B, van de planvoorschriften vermelde uitzondering op de vergunningplicht zich in dit geval niet voordoet, aangezien geen sprake is van eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, van de Boswet. Volgens [appellant] is er door het kris kras door elkaar planten van wilgen feitelijk een bosperceel ontstaan, dat ernstig afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van het gebied.

3.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de door [partij] geplante wilgen niet kunnen worden aangemerkt als eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, van de Boswet. Aan de hand van de ter zitting door partijen toegelichte foto's van de situatie ter plaatse heeft de Afdeling vastgesteld dat de onderlinge afstand tussen de wilgen weliswaar gering en niet overal hetzelfde is, maar dat de wilgen in een enkele rij van ongeveer 30 meter aan de rand van een weiland zijn geplant. Van een bosperceel is geen sprake. Dat de wilgen niet in een volkomen rechte lijn zijn geplant, leidt niet tot dat oordeel. Nu de Boswet geen voorschriften bevat over de in acht te nemen onderlinge afstand tussen de in een rij geplante wilgen en hierin evenmin is voorgeschreven dat de eenrijige beplanting langs de gehele zijde van een landbouwperceel dient te staan, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de door [partij] geplante wilgen geen beplanting is als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, van de Boswet. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de zonder vergunning geplante niet geknotte wilgen ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening legaal aanwezig waren en dat een omgevingsvergunning voor de aanplant ervan daarom niet was vereist.

    Het betoog faalt.

Incidenteel hoger beroep van [partij]

4.    [partij] heeft in het hogerberoepschrift te kennen gegeven dat het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is en het besluit op bezwaar van 11 april 2016 herleeft. Nu het hoger beroep van [appellant] ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [partij] vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt niet toegekomen.

Conclusie

5.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dat betekent dat de herroeping van de aan [partij] verleende omgevingsvergunning in stand blijft.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017

604. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1 luidt:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

(…).

Boswet

Artikel 15 (zoals dat luidde ten tijde van belang) luidt:

1. De aan andere openbare lichamen toekomende bevoegdheden worden ten aanzien van de onderwerpen, waarin deze wet voorziet, slechts beperkt door hetgeen hierna uitdrukkelijk is bepaald.

2. De provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van:

a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

d. kweekgoed.

3 Voorts zijn de in het vorige lid bedoelde colleges niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden, welke niet gelegen zijn binnen een bebouwde kom als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, behoudens ter bewaring van houtopstanden als bedoeld in de artikelen 1, vierde lid, onderdeel a, en 5, tweede lid.

Bestemmingsplan "Buitengebied Wanneperveen"

Artikel 19 (Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, waarvoor een aanlegvergunning is vereist) luidt:

A. Het is verboden de volgende werken uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning):

1. Op de gronden, welke op de kaart zijn aangeduid met zwarte stippen:

(…)

d. het rooien, verwijderen, planten of aanbrengen van gewassen en houtopstanden;

(…).

B. Het onder 1, sub d. van lid A gestelde geldt niet voor wat betreft gewassen en houtopstanden, bedoeld in artikel 15, lid 2 en 3 van de Boswet.

(…).

Beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014"

Artikel 21.5.1 luidt:

Het is verboden op of in de voor "Natuur" aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

(…)

b. het aanbrengen van opgaande beplantingen, zoals bosschages, houtwallen en singels;

(…).

Artikel 21.5.2 luidt:

Het bepaalde in artikel 21.5.1 is niet van toepassing op:

(…)

d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.