Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201608527/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft het college het bezwaar van [appellante] gedeeltelijk gegrond verklaard en aan [appellante] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 5.860,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/7891 met annotatie van M.G.O. De lange
AR 2017/5537
JOM 2017/1118
JGROND 2019/227 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2017/227 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
OGR-Updates.nl 2017-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608527/1/A2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 10 augustus 2016, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:2211, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juli 2015 in zaak nr. 14/5628 bevestigd, het beroep tegen het besluit van het college van 30 november 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft het college het bezwaar van [appellante] gedeeltelijk gegrond verklaard en aan [appellante] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 5.860,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2013.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.J. Vulpes, vergezeld van S. Weerestein en G.J.P.M. Bosch, beiden werkzaam bij adviesbureau Thorbecke B.V. te Zwolle (hierna: Thorbecke), zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.    [appellante] is sinds 1 december 1975 eigenaresse van een woning aan de [locatie] te Sappemeer. Zij heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van onder meer de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Noorderstraat 172-186" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) op 2 juni 2009.

    Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college, onder verwijzing naar een advies van de Stichting adviesbureau onroerende zaken (hierna: de SAOZ), dit verzoek afgewezen.

    Bij besluit op bezwaar van 19 november 2014 heeft het college, mede onder verwijzing naar een nader advies van de SAOZ, het besluit van 19 november 2014 gehandhaafd.

    Bij uitspraak van 14 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, op 30 november 2015 een nieuw besluit genomen, waarbij het college het bezwaar van [appellante] opnieuw ongegrond heeft verklaard.

3.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 augustus 2016, beslissend op het hoger beroep van het college, de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat het college, in navolging van de adviezen van de SAOZ, is uitgegaan van een onjuiste maximale invulling van de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime, waardoor het besluit op bezwaar van 19 november 2014 onvoldoende is gemotiveerd, zodat de rechtbank het besluit op bezwaar terecht heeft vernietigd en het college terecht heeft opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] te nemen. De Afdeling heeft voorts het besluit van 30 november 2015 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, het van rechtswege ontstane beroep tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

4.    Het college heeft vervolgens, ter uitvoering van de uitspraak van 10 augustus 2016, advies gevraagd aan Thorbecke. In een advies van 23 september 2016 heeft Thorbecke onder meer een vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en de mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan "Boswijk" (hierna: het oude bestemmingsplan).

    Thorbecke heeft in het advies geconcludeerd dat [appellante] als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren. De waarde van de woning van [appellante] is op de peildatum met € 16.000,00 gedaald van € 338.000,00 naar € 322.000,00. Omdat de omvang van het normale maatschappelijke risico, als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), groter is dan het wettelijk forfait van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van deze wet, dient een gedeelte van de schade, gelijk aan drie procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen ervan voor rekening van [appellante] te worden gelaten, te weten € 10.140,00, zodat een tegemoetkoming resteert van € 5.860,00, aldus het advies van Thorbecke.

    Bij het besluit op bezwaar van 11 oktober 2016 heeft het college, onder verwijzing naar dit advies, een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 5.860,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2013 en het door [appellante] betaalde drempelbedrag van € 300,00.

Het beroep van [appellante]

Uitgangspunten advies

5.    [appellante] betoogt allereerst dat het college het advies van Thorbecke niet ten grondslag mocht leggen aan het besluit op bezwaar van 11 oktober 2016, omdat dit advies onjuistheden en tekortkomingen bevat en omdat de uitgangspunten van het advies onjuist zijn.

    Zij voert daartoe allereerst aan dat het advies van Thorbecke blijk geeft van een onjuiste invulling van de maximale mogelijkheden van het oude bestemmingsplan. Volgens haar is in dat advies wat betreft de bouwmogelijkheden er ten onrechte van uitgegaan dat de gehele bouwstrook ten oosten van haar woning mocht worden bebouwd met hoofdgebouwen. Wat betreft de gebruiksmogelijkheden stelt [appellante] zich op het standpunt dat in het advies bij de planvergelijking ten onrechte de mogelijkheid is betrokken om een parkeerplaats te realiseren op de achtererven, die werden ontsloten door de weg genaamd "IJzerwerker".

    [appellante] voert daarnaast aan dat in het advies van Thorbecke nog steeds niet is verduidelijkt hoeveel appartementen zicht hebben op haar woning en haar perceel.

-voorschriften oude bestemmingsplan

5.1.    Artikel 1 Begripsbepalingen:

In deze voorschriften worden verstaan onder:

a. […];

b. […];

c. […];

d. ander werk: een werk, geen gebouw zijnde;

e. bebouwing: één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken;

f. bebouwingsgrenzen: de grenslijnen, welke door de gebouwen naar de wegzijde (voorgevelrooilijn) of naar de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) of zijdelings niet mogen worden overschreden, tenzij in deze voorschriften anders is bepaald;

g. bouwperceel: een aangesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige bebouwing is toegestaan;

h. perceelgrens: de grens van een bouwperceel;

[…].

    Artikel 5 Gemengde bebouwing met bijbehorende erven (GB)    

1. De op de kaart voor "gemengde bebouwing met bijbehorende erven" aangewezen gronden zijn bestemd voor de bouw van woningen, horeca- en andere dienstverlenende bedrijven, kantoren en ambachtelijke bedrijfsgebouwen met bijbehorende woningen, de bij deze hoofdgebouwen behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, met dien verstande dat:

a. de hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de op kaart aangegeven bebouwingsstroken;

b. de breedte van ieder hoofdgebouw ten minste 6 m zal bedragen;

c. […];

d. […];

e. de voorgevel van ieder hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn zal worden geplaatst;

f. bij iedere woning een huishoudelijke berg- of werkruimte met een grondoppervlak van ten hoogste 12 m2 of, indien het achtererf per personenauto bereikbaar is, een garage met daarin opgenomen bergruimte met een grondoppervlak van ten hoogste 30 m2 mag worden gebouwd;

g. bij ieder horeca- en ander dienstverlenend bedrijf, kantoor of ambachtelijk bedrijf het erf tot 40% van de oppervlakte mag worden bebouwd met bijgebouwen;

[…].

- bebouwingsmogelijkheden oude bestemmingsplan

5.2.    Uit paragraaf 2.1 van het advies blijkt dat Thorbecke bij de planvergelijking de mogelijkheid heeft betrokken om de bebouwingsstrook gelegen ten oosten van de woning van [appellante] ("tot aan de hoek"), met een diepte van 15 m en een breedte van 37,5 m en de bebouwingsstrook, gelegen ten zuidoosten van de woning van [appellante] ("om de hoek"), met een diepte van 15 m en een breedte van 37,5 m, te bebouwen met hoofdgebouwen, met een maximale bouwhoogte van 14,5 m en een breedte van maximaal 6 m. Daarachter mocht, voor ieder perceel, het achtererf voor 40% worden bebouwd met bijgebouwen. In paragraaf 3.1.1 van het advies heeft Thorbecke vermeld dat, gelet op de afmetingen van de bebouwingsstroken, 12 woningen konden worden gerealiseerd.   

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft Thorbecke in het advies aldus blijk gegeven van een juiste invulling van de maximale bouwmogelijkheden van het oude bestemmingsplan. Deze invulling is, anders dan [appellante] in haar beroepschrift heeft aangevoerd, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016, waarin slechts met betrekking tot bijgebouwen is overwogen dat het de intentie is geweest van de planwetgever om de bebouwingsmogelijkheden te bezien per afzonderlijk perceel. Voor hoofdgebouwen geldt dat niet. Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan, gelezen in samenhang met de plankaart, volgt immers dat de bebouwingsstroken geheel mochten worden bebouwd met hoofdgebouwen.

    Anders dan [appellante] ter zitting heeft aangevoerd, is in het advies voorts terecht rekening gehouden met 12 woningen. Ter zitting hebben de door het college meegebrachte deskundigen van Thorbecke bevestigd dat, ook ingeval rekening wordt gehouden met de op grond van de gemeentelijke bouwverordening in acht te nemen open ruimte tussen ieder gebouw en ook ingeval rekening wordt gehouden met een breedte van de hoofdgebouwen van ten minste (in plaats van maximaal) 6 m, in ieder geval 12 woningen konden worden gebouwd. Anders dan [appellante] heeft gesteld, is voor het bepalen van dit aantal, terecht ook het mogelijke aantal woningen op de bebouwingsstrook, gelegen ten zuidoosten van de woning, in acht genomen. Deze bebouwingsstrook is immers gelegen binnen het plangebied waarin de nieuwe bebouwing in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, zodat voor het bepalen van de maximale bouwmogelijkheden in de oude planologische situatie eenzelfde gebied in aanmerking moet worden genomen. Dat deze bebouwingsstrook is gelegen op grotere afstand van de woning van [appellante], laat dit onverlet.

-parkeerterrein oude bestemmingsplan

5.3.    Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, is een parkeerterrein aan te duiden als een "ander werk" in de zin van artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan. Gelet hierop liet de bestemming "Gemengde bebouwing met bijbehorende erven (GB)" het toe dat op de erven achter de bebouwingsstrook een parkeerterrein voor meerdere auto’s zou worden gerealiseerd, ten behoeve van horeca- en andere dienstverlenende bedrijven en kantoren.    Het oude bestemmingsplan stond er voorts niet aan in de weg dat automobilisten, rijdend via elkaars erven, de weg "IJzerwerker" zouden bereiken en dat het parkeerterrein aldus via die weg werd ontsloten. Dat in de oude situatie slechts het naastgelegen perceel werd ontsloten door die weg, zoals door [appellante] is aangevoerd, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, overweging 2.1) is voor de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd.

-aantal appartementen nieuwe planologische situatie

5.4.    [appellante] betoogt op zichzelf terecht dat ook uit het advies van Thorbecke niet blijkt hoeveel appartementen zicht hebben op het perceel van [appellante] in de nieuwe planologische situatie. Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat het college op dit punt niet mocht afgaan op het advies. In het advies wordt geconcludeerd dat in de nieuwe planologische situatie op de eerste en tweede verdieping woningen kunnen worden gerealiseerd met gevelopeningen en dat inkijk vanuit die woningen in de achtergevel van de woning van [appellante] mogelijk is. Ter zitting hebben de door het college meegebrachte deskundigen van adviesbureau Thorbecke nader toegelicht dat in het advies niet nader is ingevuld hoeveel appartementen precies zicht hebben op het perceel en de woning van [appellante], maar dat in ieder geval rekening is gehouden met 12 appartementen. Ter zitting heeft [appellante] te kennen gegeven dat zij zich met dit aantal kan verenigen.  

-overig

5.5.    Ook in hetgeen door [appellante] voor het overige is aangevoerd bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat het advies van Thorbecke van 23 september 2016 onjuistheden bevat of dat de uitgangspunten van het advies onjuist zijn en dat het college daarom niet het advies van Thorbecke ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 11 oktober 2016.

    Het betoog faalt.

Schadefactoren

6.    [appellante] betoogt voorts dat de conclusies van Thorbecke over de gestelde schadefactoren, te weten de vermindering van het uitzicht, de toename van hinder door intensivering van gebruik, aantasting van de privacy, toename van geluid-, licht-, verkeers-, en parkeerhinder, afname van de situeringswaarde en een toename van de schaduwhinder, onjuist zijn en dat het college daarom niet of niet zonder meer het advies van 23 september 2016 ten grondslag mocht leggen aan het besluit van 11 oktober 2016.

-uitzicht

6.1.    Thorbecke heeft in het advies geconcludeerd dat de bebouwingsmogelijkheden door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan binnen het plangebied zijn toegenomen en dat, doordat de hoofdbebouwing met een bouwhoogte van 12 m meer naar achter gebouwd kan worden, [appellante] zich in oostelijke richting geconfronteerd ziet met massievere hoofdbebouwing, waardoor de uitzichthinder vanuit de woning van [appellante] toeneemt. De mate van uitzichthinder dient echter als beperkt te worden gekwalificeerd, omdat het aantal hoofdgebouwen in vergelijking met het oude planologische regime niet toeneemt en onder het oude planologische regime hoofdgebouwen met een maximale bouwhoogte van 14,5 m en bijgebouwen met een bouwhoogte van 8,5 m mogelijk waren, aldus het advies.

    In hetgeen door [appellante] is aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de conclusie van Thorbecke op dit punt niet mocht volgen. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uitzicht vanuit de woning op de bebouwing in verdergaande mate is aangetast dan door het college, onder verwijzing naar het advies van Thorbecke, is aangenomen. Anders dan zij heeft aangevoerd is, zoals hiervoor in 5.2 is overwogen, bij de planvergelijking terecht rekening gehouden met de bouw van 12 woningen in de oude planologische situatie. Bovendien is in het advies, anders dan [appellante] stelt, rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de nieuwe planologische situatie, door een toename van de diepte van het bouwvlak, de hoofdgebouwen op een kortere afstand van haar perceel kunnen worden gebouwd.

-toename van hinder door intensivering van gebruik

6.2.    Thorbecke heeft in het advies geconcludeerd dat het gebruik intensiveert als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, doordat het aantal mensen dat zich in het plangebied kan ophopen, toeneemt. Doordat op de begane grond bedrijvigheid en detailhandel kan worden gerealiseerd en de overige bouwlagen kunnen worden gebruikt voor bewoning, zal het aantal mensen dat zich in de nabijheid van de woning van [appellante] kunnen bevinden, toenemen. Thorbecke heeft evenwel geconcludeerd dat de mate van hinder hetzelfde blijft. De mate van hinder die gepaard gaat met het gebruik van detailhandel, zoals een supermarkt, is onder het nieuwe regime niet veel groter dan voorheen onder het oude planologische regime het geval kon zijn, aldus het advies.

    [appellante] heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. Anders dan zij heeft aangevoerd konden in de oude planologische situatie, bij een maximale invulling, alle gebouwen reeds worden gebruikt door horeca- en andere dienstverlenende bedrijven, kantoren en ambtelijke bedrijfsgebouwen op de begane grond met daarboven woningen. Daarnaast gold ter hoogte van de percelen Noorderstraat 180 en 186 de nadere aanduiding "winkels toegestaan". Nu het gehele gebied kon worden gebruikt voor horeca en een deel van het gebied voor winkels, diende [appellante] rekening te houden met eenzelfde mate van bedrijvigheid als in de nieuwe planologische situatie. Haar stelling dat zij slechts rekening diende te houden met één café in de oude planologische situatie, kan, gelet hierop, niet worden gevolgd. Dat, zoals zij stelt, het beleid van de gemeente voor de buurtwinkelcentra is om de huidige situatie met betrekking tot het aantal horecagelegenheden als maximum te accepteren, maakt dit niet anders. Dit beleid stond er niet aan in de weg dat bij een maximale invulling van het oude bestemmingsplan meerdere cafés konden worden gerealiseerd. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, overweging 2.1) is voor de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

-aantasting van de privacy

6.3.    Uit het advies blijkt dat Thorbecke rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om in de oude planologische situatie slechts inkijk te hebben vanaf de voor- en zijkant van de hoofdgebouwen op het perceel en in de woning van [appellante]. Voorts heeft Thorbecke rekening gehouden met de mogelijkheid om in de nieuwe planologische situatie op korte afstand van [appellante] een appartementencomplex te bouwen, waarbij op de begane grond horeca- en winkelpanden en op de twee verdiepingen daarboven woningen kunnen worden gebouwd, waardoor ook inkijk mogelijk is op de achterzijde van de woning van [appellante]. Thorbecke heeft daaruit afgeleid dat [appellante] aanzienlijk wordt aangetast in haar privacy. [appellante] heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie naar voren gebracht. Ter zitting is bovendien door de door het college meegebrachte deskundigen van Thorbecke bevestigd dat met "aanzienlijke aantasting" hetzelfde wordt bedoeld als de door [appellante] gewenste kwalificatie "zeer ingrijpend".

-toename van geluid-, licht-, verkeers-, en parkeerhinder

6.4.    In het advies heeft Thorbecke geconcludeerd dat de licht- en geluidhinder in beperkte mate toeneemt en dat er geen verkeers- of parkeerhinder optreedt als gevolg van de planologische wijziging.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college deze conclusie niet mocht volgen. Anders dan zij heeft aangevoerd, is in het advies rekening gehouden met het intensievere gebruik door de toename van de bebouwingsmogelijkheden en met de ligging van de gronden in het centrumgebied en, wat betreft de lichthinder, met de gewijzigde ligging van de hoofdgebouwen in de nieuwe planologische situatie. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.3 is overwogen, is in het advies voorts terecht rekening gehouden met een parkeerterrein voor meerdere auto’s op de achtererven van de percelen in de oude planologische situatie. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkeers- en/of parkeeroverlast in de nieuwe planologische situatie groter is dan in de oude planologische situatie, bij een maximale invulling, het geval was.

-situeringswaarde

6.5.    In het advies van Thorbecke is rekening gehouden met de toename van de bebouwingsmogelijkheden in het gebied. Ten aanzien van de situeringswaarde is in het advies het volgende vermeld: "de toenemende verstening en de diepere hoofdbebouwing zorgt ervoor dat de woning van aanvrager meer ingebouwd is komen te (zitten), hetgeen afbreuk doet aan het voorheen vrijere karakter van de woning. Het karakter van de directe omgeving van aanvragers woning is door de planologische wijziging niet veranderd. Immers, blijft de woning gelegen in een centrumgebied." In het advies is, gelet hierop, geconcludeerd dat de planologische wijziging zal leiden tot een beperkt nadeel ten aanzien van de situeringswaarde.

[appellante] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

-schaduw en afname zonlicht

6.6.    In het advies van Thorbecke is over de schaduwhinder het volgende vermeld: "In lijn met het voorgaande concludeert de adviseur dat aanvrager onder het oude regime reeds enige schaduwhinder had te dulden vanwege de voorheen toegestane hoofd- en bijgebouwen. Zodoende leidt de toename van de bebouwingsmogelijkheden tot een beperkte toename van schaduwhinder. Hierbij heeft de adviseur tevens rekening gehouden met de baan van de zon en de ligging van aanvragers woning ten opzichte van het plangebied."

    [appellante] heeft in beroep naar voren gebracht dat in de zomermaanden de zonlichttoetreding door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan met 30% is verminderd en dat het schaduwgevend oppervlak met bijna 30% is toegenomen. Volgens haar is de toename van de schaduwhinder en de vermindering van het zonlicht niet als "beperkt" aan te merken. Zij verwijst naar bijlagen 2 en 3 van haar beroepschrift, waarin zij in schematische tekeningen de gevolgen van de mogelijkheden van het nieuwe planologische regime voor de schaduw en de zonlichtinval heeft weergegeven.

    Hetgeen door [appellante] op dit punt naar voren is gebracht biedt aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van Thorbecke, dat de bebouwingsmogelijkheden slechts tot een beperkte toename van schaduwhinder hebben geleid. Zonder een nadere toelichting kan niet worden ingezien dat de schaduwhinder slechts in "beperkte" mate is toegenomen. [appellante] heeft er daarnaast terecht op gewezen dat in het advies is volstaan met de enkele stelling dat "rekening is gehouden met de baan van de zon en de ligging van de woning van [appellante] ten opzichte van het plangebied" en dat documenten, waaruit dit blijkt, ontbreken. Ter zitting hebben de door het college meegebrachte deskundigen van Thorbecke toegegeven dat zij niet zelf de gevolgen van de toegenomen bebouwingsmogelijkheden voor de zonlichtinval in kaart hebben gebracht. Het ter zitting door hen ingenomen standpunt dat een toename van 30% van het schaduwgevend oppervlakte terecht als een "beperkte toename" is aangemerkt, is een onvoldoende toelichting en kan voorts, mede gelet op het feit dat ter zitting is gebleken dat geen kennis was genomen van de bijlagen 2 en 3 van het beroepschrift, zonder een nadere onderbouwing daarvan niet of niet zonder meer worden gevolgd.   

    Gelet hierop mocht het college de conclusie in het advies op dit punt niet of niet zonder meer ten grondslag leggen aan het besluit van 11 oktober 2016. Dit besluit is op dit punt derhalve onvoldoende gemotiveerd.

    Het betoog slaagt.

Tussenconclusie

7.    De tussenconclusie is dat, gelet op hetgeen hiervoor in 6.6 is overwogen, het besluit van 11 oktober 2016 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Normaal maatschappelijk risico

8.    [appellante] betoogt dat het college, in navolging van het advies van Thorbecke, ten onrechte een gedeelte gelijk aan drie procent van de waarde van haar woning onmiddellijk voor het ontstaan van de schade als binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor haar rekening heeft gelaten.

8.1.    Artikel 6.1 van de Wro luidt:

1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:

a. een bepaling van een bestemmingsplan […].

    Artikel 6.2 van de Wro luidt:

1. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.

2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:

a. […];

b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, […].

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, overweging 5.9 en volgend, ECLI:NL:RVS:2016:2543) moet de vraag of schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de benadeelde en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

8.3.    Onder verwijzing naar de uitspraak 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2828, overweegt de Afdeling dat Thorbecke de ontwikkeling terecht heeft aangemerkt als een normale ontwikkeling in een omgeving die behoort tot het centrumdorps milieu. Dat het gaat om lintbebouwing, zoals door [appellante] is aangevoerd, maakt dit niet anders. De ontwikkeling is immers gelegen in het deel van de lintbebouwing, dat kan worden aangeduid als de kern "Sappemeer", in een omgeving waarbij meer centrumfuncties aanwezig zijn. Een supermarkt met daarboven woningen past op zichzelf binnen de ruimtelijke structuur van die omgeving en de komst van een supermarkt met daarboven woningen is op zichzelf een normale maatschappelijke ontwikkeling, die zich voordoet in veel centra van steden en dorpen in Nederland.

8.4.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, onder verwijzing naar het advies van Thorbecke, voorts terecht op het standpunt gesteld dat de planologische ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is die in zoverre in de lijn der verwachtingen lag dat de komst van een supermarkt met daarboven woningen in het centrumgebied te verwachten viel, maar dat het bouwen van een bouwblok met een omvang als waarin het nieuwe bestemmingsplan voorziet, gezien de aard en omvang van de bestaande bebouwing van Sappemeer, een ingrijpende ontwikkeling is, die op deze schaal niet was te verwachten. Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1653, overweegt de Afdeling dat onder die omstandigheden een aftrek van drie procent van de waarde van de woning van [appellante] onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet onredelijk is.

8.5.    Het betoog van [appellante], dat een hoger normaal maatschappelijk risico dan het wettelijk minimum van 2%, gelet op de omvang van de ontwikkeling en de geringe afstand tot hun woningen, niet redelijk is, treft geen doel. Thorbecke heeft in het advies geconcludeerd dat op grond van de voorgaande factoren een verhoging van het normaal maatschappelijk risico tot 3% gerechtvaardigd is. Dat de ontwikkeling leidt tot een wijziging van de ruimtelijke structuur ter plaatse en dat de woning van [appellante] op korte afstand ligt, zodat de ontwikkeling voor haar van ingrijpende aard is, zoals zij stelt, heeft Thorbecke daarbij al in aanmerking genomen. Dat brengt Thorbecke er immers toe niet tot een hoger normaal maatschappelijk risico dan 3% te komen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet de gehele schade voor rekening van [appellante] dient te komen, maar dat een normaal maatschappelijk risico van 3% gerechtvaardigd is.

    Het betoog faalt.

Opdracht

9.    De Afdeling ziet, in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het hiervoor in overweging 6.6 vastgestelde gebrek in het besluit op bezwaar binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen en zo nodig te wijzigen, door dit besluit alsnog toereikend te motiveren. Daartoe dient het college een nader deskundigenadvies bij Thorbecke in te winnen. In dat advies dient de conclusie, dat de toename van bebouwingsmogelijkheden leidt tot een beperkte toename van schaduwhinder, nader te worden gemotiveerd. Ingeval in dat advies wordt geconcludeerd dat de toename van schaduwhinder niet langer slechts als een "beperkte toename" kan worden aangemerkt, dient in dat advies tevens te worden ingegaan op de vraag of dit moet leiden tot een hogere tegemoetkoming in planschade.

Slotopmerking

10.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 11 oktober 2016, kenmerk Bop/MV/13.08386 te herstellen en de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Nales

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

680.