Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201607795/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4828, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0207
AR 2017/5515
JOM 2017/1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607795/1/A2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2016 in zaak nr. 16/1072 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 december 2013 herroepen en [appellante] € 3.418,00 aan nadeelcompensatie toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2014.

Bij uitspraak van 2 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 januari 2016 vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat het college de wettelijke rente vanaf 3 december 2014 vergoedt. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank voorts bepaald dat het college de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2013 vergoedt en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 12 januari 2016. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd [gemachtigden] en mr. K. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door C. Visser en R.C. Kalt, vergezeld door mr. A.L.J.M. Boontjes, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

1. appellante] exploiteert een woonwinkel aan de [locatie] te Soest. Op 23 oktober 2013 heeft zij bij het college een verzoek om nadeelcompensatie ingediend. Aan dat verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat zij omzetschade heeft geleden als gevolg van verkeersbesluiten ten behoeve van de herinrichtingswerkzaamheden in de Van Weedestraat, de Burgemeester Grothestraat, de Koninginnelaan, de Vredehofstraat en het Nieuwerhoekplein in de jaren 2012 en 2013, waarbij de toegangswegen naar en de parkeergelegenheden bij haar woonwinkel gedurende langere tijden niet of nauwelijks bereikbaar waren.

2. Met het in het procesverloop van deze uitspraak vermelde besluit van 5 december 2013 heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Naar aanleiding van het door [appellante] tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het college de SAOZ gevraagd om advies uit te brengen over het verzoek om nadeelcompensatie. De SAOZ heeft het college in een advies van 10 juni 2015 geadviseerd het verzoek toe te wijzen. Het college heeft dat advies ten grondslag gelegd aan het in het procesverloop van deze uitspraak vermelde besluit van 12 januari 2016.

Omvang van het geschil

3. [ appellante] is het niet eens met de hoogte van de aan haar toegekende nadeelcompensatie. Zij stelt zich op het standpunt, voor zover thans van belang, dat de SAOZ bij de berekening van het nadeel de omzetgerelateerde besparing op de loonkosten niet juist heeft vastgesteld.

In dit verband heeft ir. E.J.M. Groenendijk (hierna: Groenendijk), de door [appellante] geraadpleegde adviseur, ter zitting van de rechtbank toegelicht dat de SAOZ er ten onrechte van is uitgegaan dat [appellante] in het jaar 2012 een personeelslid heeft ontslagen. Omdat Groenendijk in de boekhouding nog personeelskosten zag staan, heeft hij, kort vóór die zitting, navraag gedaan bij [appellante]. [appellante] heeft toegelicht dat zij inderdaad op 10 oktober 2012 iemand heeft ontslagen. Omdat de opzegtermijn twee maanden was, is deze persoon per 31 december 2012 uit dienst gegaan. [appellante] heeft echter een overeenkomst met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen gesloten en heeft dezelfde persoon per 1 januari 2013 voor 16 uur per week opnieuw in dienst genomen. Het gaat dus niet om een ontslag, maar om een arbeidsduurverkorting. Over de eerste negen maanden van het jaar 2013 - tot het moment waarop de wegwerkzaamheden zijn geëindigd - heeft een kostenbesparing van € 13.863,00 plaatsgevonden, die in verband kan worden gebracht met de wegwerkzaamheden, aldus Groenendijk.

Groenendijk heeft zijn berekening op papier gezet en [appellante] heeft de rechtbank verzocht om deze berekening aan de gedingstukken toe te voegen. Verder heeft [appellante] ter zitting van de rechtbank gesteld dat de SAOZ had moeten zien dat er in het jaar 2013 nog personeelskosten in de boekhouding voorkwamen en dat de SAOZ had moeten doorvragen waar deze kosten dan vandaan kwamen. Volgens [appellante] heeft de SAOZ onzorgvuldig gehandeld door dit na te laten. Immers, Groenendijk heeft deze kosten wel gesignaleerd en de feitelijke omstandigheden alsnog achterhaald, aldus [appellante].

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet eerder dan ter zitting melding heeft gemaakt van het feit dat zij, na het ontslag van haar personeelslid, deze persoon opnieuw in dienst heeft genomen. Het is primair de verantwoordelijkheid van [appellante] om de juiste financiële gegevens van haar onderneming, waaronder de oorzaak van de besparing op de loonkosten, aan te leveren. De SAOZ heeft, zo heeft zij ter zitting gesteld en dat is door [appellante] als zodanig niet weersproken, tijdens de hoorzitting van 23 juni 2014 navraag gedaan naar de besparing op de loonkosten. Niet is gebleken dat [appellante] toen al heeft gesteld dat er geen sprake was van een ontslag, maar van een arbeidsduurverkorting. In de schriftelijke reactie op het conceptadvies heeft [appellante] expliciet verklaard dat zij een personeelslid heeft moeten ontslaan zonder melding te maken van een nieuw dienstverband. In die reactie is immers uiteengezet dat [appellante] zich als gevolg van de werkzaamheden gedwongen heeft gezien mensen te ontslaan, dat zij dit uit pure noodzaak - om het bedrijf te laten overleven - heeft gedaan, dat dit haar nu in feite wordt tegengeworpen en dat het wel erg ver gaat dat dit volledig wordt afgetrokken van de geleden schade. Zij heeft nergens melding gemaakt van het feit dat zij op enig moment weer iemand in dienst heeft genomen. Het valt de SAOZ in dat licht bezien niet te verwijten dat zij hiervan niet op de hoogte was en er bestaat ook geen aanleiding te oordelen dat de SAOZ op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld en had moeten doorvragen.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij [appellante] niet volgt in het betoog dat zij dit standpunt en de daarbij behorende nadere berekening van Groenendijk nog ter zitting naar voren mag brengen in reactie op het door het college laat ingebrachte aanvullend advies van de SAOZ van 19 mei 2016. Het gaat niet om een nieuw door de SAOZ ingebracht standpunt waar [appellante] niet eerder op had kunnen reageren. De cijfers waar de SAOZ vanuit is gegaan, waaronder de omzetgerelateerde besparing op de loonkosten, zijn genoemd in het advies van 10 juni 2015. Daarin is ook de reactie op het conceptadvies geciteerd. [appellante] had, in reactie op het (concept)advies van de SAOZ, haar standpunt naar voren moeten brengen, ook omdat het gegevens waren waarover alleen zij beschikt. De rechtbank neemt de berekening van Groenendijk dus niet mee, omdat deze in een te laat stadium in de procedure is opgekomen en de SAOZ hierop niet meer heeft kunnen reageren. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde om de berekening van Groenendijk aan de gedingstukken toe te voegen.

Hoger beroep

5. [ appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij voert aan dat tijdens de hoorzitting bij de SAOZ slechts de vraag is gesteld of er personeel is ontslagen als gevolg van de werkzaamheden, maar dat daarna, nadat een bevestigend antwoord op deze vraag was gegeven, niet is besproken wanneer, hoe en onder welke voorwaarden dat is gebeurd. Voorts voert zij aan dat zij in haar reactie op het conceptadvies te kennen heeft gegeven dat zij vindt dat bij het berekenen van het nadeel ten onrechte een aftrek in verband met de besparing op de loonkosten heeft plaatsgevonden. Verder voert zij aan dat de SAOZ had behoren te zien dat de loonkosten nog gedeeltelijk doorliepen en dat dit voor de SAOZ aanleiding had behoren te zijn om nadere vragen te stellen. Omdat het advies van de SAOZ onvoldoende duidelijk en controleerbaar was, kan haar niet worden verweten of tegengeworpen dat zij niet direct heeft ingezien wat de consequenties zouden zijn van dit gegeven. Dat zij dit vervolgens niet meer kan corrigeren, zou onredelijk zijn, aldus [appellante].

Beoordeling van het hoger beroep

5.1. In het advies van 10 juni 2015 heeft de SAOZ uiteengezet dat zij uit de overgelegde jaarrekeningen heeft afgeleid dat [appellante] in de jaren 2012 en 2013 achtereenvolgens € 28.139,00 en € 11.256,00 aan personeelskosten (brutolonen) heeft besteed en dat dit, afgezet tegen de in de referentieperiode gemaakte personeelskosten van € 32.672,00 per jaar, betekent dat [appellante] in die jaren een besparing van respectievelijk € 4.533,00 en € 21.416,00 heeft kunnen realiseren. In dit advies is voorts vermeld dat [appellante] in haar reactie op dit onderdeel van het conceptadvies te kennen heeft gegeven dat zij zich als gevolg van de werkzaamheden gedwongen heeft gezien mensen te ontslaan.

In de reactie op het advies, in het beroepschrift en in de in beroep overgelegde deskundigenrapporten is niet vermeld dat het feitelijk niet om een ontslag gaat, maar om een arbeidsduurverkorting.

In het aanvullend advies van 19 mei 2016 heeft de SAOZ vermeld dat [appellante] tijdens de mondelinge behandeling zelf te kennen heeft gegeven dat zij in 2012, in verband met de lagere omzet als gevolg van de werkzaamheden, een personeelslid heeft ontslagen, maar daarbij niet de exacte datum van de beëindiging van het contract heeft meegedeeld. Uit de overgelegde jaarrekeningen is over 2012 en 2013 een daadwerkelijke besparing van de brutolonen geconstateerd en door of namens [appellante] is, in haar reactie op het conceptadvies, deze aan de werkzaamheden toe te rekenen besparing ook niet ontkend.

5.2. Uit de door of namens [appellante] vóór de zitting van de rechtbank verstrekte gegevens valt niet af te leiden dat het personeelslid op 10 oktober 2012 is ontslagen en op 31 december 2012 uit dienst is gegaan, maar met ingang van 1 januari 2013 opnieuw in dienst is genomen, zodat het feitelijk derhalve niet om een ontslag gaat, maar om een arbeidsduurverkorting. Ter zitting van de rechtbank heeft [appellante] dat alsnog gesteld. Niet valt in te zien dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was om deze stelling eerder aan te voeren. In dit verband is van belang dat deze stelling berust op gegevens waarover alleen [appellante] beschikte, dat [appellante] is bijgestaan door een rechtshulpverlener en dat [appellante] in beroep de bijstand van twee deskundigen heeft ingeroepen. De SAOZ heeft geen rekening kunnen houden met deze stelling. Verder is niet in geschil dat het voor het college niet mogelijk was om daarop ter zitting van de rechtbank op passende wijze te reageren. De rechtbank heeft geen onjuist gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om deze stelling wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

5.3. Daar komt bij dat, gelet op het volgende, deze stelling ook overigens niet tot het door [appellante] beoogde resultaat had kunnen leiden.

5.4. De SAOZ heeft voor de berekening van de uit de omzetdaling voortvloeiende schade een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin de woonwinkel zich tijdens en na de wegwerkzaamheden bevond en de hypothetische situatie waarin de woonwinkel zich zou hebben bevonden als de werkzaamheden zich niet zouden hebben voorgedaan. De omzet die naar redelijke verwachting zou zijn behaald in de schadeperiode, de werkzaamheden weggedacht, is bepaald aan de hand van de in een referentieperiode daadwerkelijk behaalde omzetten. De berekeningsmethode is gebaseerd op door [appellante] aangeleverde omzetgegevens en jaarrekeningen. Op de gemiddelde omzet uit de referentieperiode is een branchecorrectie en een correctie voor andere relevante ontwikkelingen, zoals inflatie, toegepast. Daarbij speelt de feitelijke context van marktontwikkelingen en consumentengedrag een rol.

5.5. De rechtbank heeft overwogen dat de door de SAOZ toegepaste wijze van berekenen binnen het stelsel van nadeelcompensatie een gangbare en geaccepteerde methode is om de schade te berekenen en dat die methode op zichzelf redelijk en aanvaardbaar is. [appellante] is in hoger beroep niet tegen dit oordeel opgekomen.

Ter zitting van de Afdeling heeft de SAOZ onweersproken gesteld dat het niet uitmaakt dat het feitelijk niet om een ontslag gaat, maar om een arbeidsduurverkorting, omdat dat bij toepassing van de door haar gehanteerde berekeningsmethode niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

5.6. Het betoog faalt.

slotsom

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

452.