Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201609675/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostvlietpolder 2016" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5522
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609675/1/R3.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Leiden,

en

de raad van de gemeente Leiden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostvlietpolder 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Ook is beroep ingesteld door [partij].

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar onder anderen [appellant], bijgestaan door ing. J.J. Zwetsloot, en de raad, vertegenwoordigd door R. van Deutekom, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van de raad heeft [appellant] ter zitting nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft op de zitting van 22 augustus 2017 tevens het beroep van [partij] behandeld. Na de zitting heeft de Afdeling de behandeling van het beroep van [partij] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201609675/2/R3

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan betreft een geactualiseerde juridisch-planologische regeling voor een deel van de Oostvlietpolder in Leiden. Het betreft het deel van de Oostvlietpolder waarvoor sinds de vaststelling van het vorige voor de gehele Oostvlietpolder geldende bestemmingsplan uit 2004, nog geen geactualiseerd plan is vastgesteld.

2.    [appellant] is eigenaar van de twee woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Het betreft twee aaneengesloten woningen. In het plan is de bestaande situatie als zodanig bestemd. [appellant] heeft het voornemen om de achterste woning [locatie 2] te slopen en elders op het perceel een vrijstaande woning te bouwen. Het bestemmingsplan maakt dit bouwvoornemen niet mogelijk. [appellant] wil met zijn beroep bereiken dat alsnog een zodanig bestemmingsplan wordt vastgesteld dat hij zijn bouwvoornemen kan realiseren.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bespreking van de beroepsgronden

4.    [appellant] betoogt dat de raad van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan bij de vaststelling van het plan, zodat van een deugdelijke motivering geen sprake is. Hiertoe wijst hij erop dat in de zienswijzennota steeds wordt gesproken over de bouw van een tweede woning, terwijl zijn voornemen het slopen en herbouwen van een woning betreft.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat in de zienswijzennota de strekking van de zienswijze van [appellant] als volgt is samengevat: "Voor de herbouw van de woning [locatie 2] wordt verzocht om aanpassing van het bestaande bouwvlak en opname van een nieuw bouwvlak. Concreet gaat het om het slopen van de aan [locatie 1] gekoppelde woning ten gunste van een vrijstaande woning". Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de raad bij de vaststelling van het plan van een juiste voorstelling van zaken is uitgegaan ten aanzien van het voornemen van [appellant]. Het betoog faalt.

5.    [appellant] maakt een vergelijking met een eerdere procedure omtrent een nieuwe woning tussen [locatie 1] en [locatie 3]. Om de bouw van deze woning mogelijk te maken, heeft de raad volgens [appellant] in 2012 een bestemmingsplan vastgesteld en daarmee een nieuwe woning in dit deel van de Oostvlietpolder ruimtelijk aanvaardbaar gevonden. Anders dan de raad thans stelt, staat het gemeentelijk beleid dus niet in de weg aan de bouw van een nieuwe woning in dit gebied, aldus [appellant].

5.1.    De Afdeling stelt vast dat de raad bij besluit van 14 maart 2013 heeft besloten het bestemmingsplan "Woning tussen [locatie 1] en [locatie 3]" niet vast te stellen. Tegen dit besluit hebben de initiatiefnemers beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraak van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2018, heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de raad wederom besloten geen bestemmingsplan vast te stellen. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

    Anders dan [appellant] aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd, heeft de raad geen bestemmingsplan vastgesteld voor een nieuwe woning tussen [locatie 1] en [locatie 3]. Het betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

6.    [appellant] betoogt dat het gemeentebestuur, zonder dat daaraan een duidelijke wijziging van zijn beleid ten grondslag ligt, is afgeweken van zijn bij brief van 20 september 2011 gedane mededeling dat het bereid is medewerking te verlenen aan het bouwvoornemen. Volgens [appellant] is zowel het beleid als het bouwvoornemen niet gewijzigd sinds 2011.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat de brief van 20 september 2011 van het college van burgemeester en wethouders is en dat hierin staat dat het college bereid is om medewerking te verlenen door van het bestemmingsplan Oostvlietpolder af te wijken, mits voldaan wordt aan een aantal genoemde opmerkingen en voorwaarden. Daarnaast staat in de brief dat dit niet inhoudt dat de vergunning en de afwijking na een formele aanvraag per definitie zal worden verleend. Verder staat in de brief dat het voornemen om medewerking te verlenen een geldingsduur heeft van één jaar na verzenddatum van deze brief.

    De Afdeling overweegt dat aan de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders zich in 2011 positief heeft uitgelaten over het plan, de raad in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen. Het besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan wordt immers niet door het college maar door de raad genomen en de raad heeft nadien op 10 oktober 2013 het "Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen. Uitwerking Structuurvisie Leiden 2025 voor het onderdeel Oostvlietpolder" (hierna: het Toetsingskader) vastgesteld als de toekomstige ontwikkelrichting van de Oostvlietpolder. De raad heeft in het Toetsingskader aanleiding gezien om het bouwvoornemen van [appellant] niet mogelijk te maken. Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in strijd met het Toetsingskader is. Volgens hem is ook met de bouw van de woning de openheid en de beleving van het weidevogelgebied gewaarborgd. Dat de zichtlijnen aangetast worden door de verplaatsing van de woning is ook niet het geval. Verder wijst hij erop dat de mogelijkheden om vergunningvrij te bouwen niet veranderen met dit bouwvoornemen.

7.1.    De raad stelt dat in de Structuurvisie Leiden 2025 en het Toetsingskader staat dat extra verdichting met bouwwerken ter hoogte van het weidevogelgebied niet wenselijk is om de openheid en de beleving van het weidevogelgebied te kunnen waarborgen. Het toevoegen van een nieuw vrijstaand bouwvolume heeft volgens de raad tot gevolg dat het lint wordt verbreed richting de polder, zichtlijnen worden aangetast en extra vergunningsvrije bouwmogelijkheden ontstaan die het voorgaande nog verder kunnen beïnvloeden.

7.2.    De nieuwe woning is blijkens het voornemen dichter op het weidevogelgebied voorzien dan de bestaande woning. Het in de Structuurvisie en het Toetsingskader neergelegde uitgangspunt van beleid om geen nieuwe bebouwing ter hoogte van het weidevogelgebied toe te staan, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Het aangevoerde geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad in redelijkheid aanleiding had moeten zien om van de Structuurvisie en het Toetsingskader af te wijken ten gunste van [appellant]. Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep van [appellant] is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Boer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

745.