Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201700901/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:9503, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700901/1/A2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2016 in zaak nr. 16/4601 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2016 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.M. de Roo, advocaat te Amsterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. M. Zoethout, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De CSG kent uit het fonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

2.    [appellante] heeft op 26 juni 2015 bij de CSG een aanvraag om een uitkering uit het fonds ingediend. Zij heeft in de aanvraag vermeld dat zij tussen 15 februari 2008 en 19 februari 2008 slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting en als gevolg daarvan psychisch letsel heeft. Zij heeft in mei 2008 aangifte bij de politie gedaan. In het bij de aanvraag gevoegde proces-verbaal van aangifte staat dat [appellante] in februari 2008 uit Gambia is gevlucht en door een blanke man naar Nederland is gebracht. Toen zij in Nederland waren aangekomen, heeft hij haar gedwongen in de prostitutie te werken. [appellante] heeft dat geweigerd en is gevlucht. De politie heeft het onderzoek gestaakt, omdat er te weinig opsporingsindicaties waren. [appellante] is onder behandeling bij een psycholoog en psychiater voor een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS).

3.    De CSG heeft de aanvraag afgewezen, omdat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te kunnen achten dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De CSG heeft daarbij betrokken dat alleen de verklaring van [appellante] onvoldoende is. Het onderzoek door de politie heeft geen objectieve informatie opgeleverd die de opgave van [appellante] in haar aanvraag ondersteunt. Ook de door [appellante] overgelegde medische informatie van haar psycholoog en psychiater bevat volgens de CSG geen objectieve informatie om het gestelde geweldsmisdrijf aannemelijk te kunnen achten. Deze behandelaars doen niet aan waarheidsvinding en baseren zich op de verklaring van [appellante]. Zij kunnen alleen iets zeggen over een trauma en wat dit met iemand doet, maar niet over de manier waarop iemand de trauma opliep, aldus de CSG.

Het geschil

4.    In geschil is of de CSG zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te kunnen achten dat [appellante] slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland in de periode tussen 15 februari 2008 en 19 februari 2008.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG zich in redelijkheid op dat standpunt heeft mogen stellen. [appellante] voert aan dat de rechtbank het standpunt van de CSG over de aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf ten onrechte terughoudend heeft getoetst. Zij voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat de CSG er ten onrechte van uitgegaan is dat de bewijslast volledig bij [appellante] ligt. Ook heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat slechts beoordeeld hoeft te worden of aannemelijk is dat zij in februari 2008 in Nederland slachtoffer is geworden van mensenhandel en niet of de PTSS toegeschreven dient te worden aan gebeurtenissen in Gambia dan wel in Nederland. Volgens [appellante] bevat de medische informatie van haar psycholoog en psychiater bij Equator Foundation, mede gelet op hun specialisme in de behandeling van PTSS ten gevolge van mensenhandel, voldoende objectieve aanwijzingen die de gestelde mensenhandel ondersteunen. Zij verwijst onder meer naar een verklaring van Equator van 8 juni 2017, waarin staat dat de traumatische ervaringen in Nederland na de gebeurtenissen in Gambia, hebben geleid tot PTSS. Verder is volgens [appellante] van belang dat zij in de aangifte en anamnese in 2009 zeer gedetailleerd, consistent en geloofwaardig heeft verklaard. Haar verblijf gedurende enige tijd in een "Blijf van mijn lijf huis" objectiveert mede de gestelde gebeurtenissen.

    Ook betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. [appellante] verwijst naar een andere vergelijkbare zaak waarin een aangifte en medische informatie wel toereikend zijn bevonden en een uitkering is toegekend aan een slachtoffer van mensenhandel. Het enige verschil is dat in die andere zaak geen andere gebeurtenissen tot letsel hebben geleid, maar dat is volgens het beleid van de CSG niet relevant. Volgens dat beleid hoeft immers slechts te worden vastgesteld dat zij in Nederland slachtoffer was van mensenhandel, aldus [appellante].

5.1.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven luidt als volgt:

Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

5.2.    Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht terughoudend getoetst of de CSG zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er onvoldoende objectieve informatie is om het geweldsmisdrijf aannemelijk te kunnen achten. De CSG heeft op dit punt beoordelingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven.

    Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel (versie van 15 december 2015) hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. Hiervoor is in principe een aangifte bij de politie door het slachtoffer nodig. Als geen aangifte is gedaan, kan een geweldsmisdrijf alleen in uitzonderlijke gevallen op basis van andere informatie aannemelijk worden gemaakt. Een enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is onvoldoende. Objectieve aanwijzingen moeten die verklaring ondersteunen. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer slechts in beperkte mate ondersteunen, omdat de informatie niet kan helpen om de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken.

5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1446), is het aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachteroffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Dit betekent dat de CSG terecht heeft beoordeeld of [appellante] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland. De CSG heeft bij die beoordeling kunnen betrekken dat het onderzoek door de politie geen objectieve informatie heeft opgeleverd die de opgave van [appellante] in haar aanvraag ondersteunt.

    [appellante] heeft een aantal brieven van Equator met medische informatie overgelegd. In een brief van Equator van 4 februari 2014 (lees: 2015) met medische informatie uit 2009 en 2015 is de diagnose PTSS gebaseerd op gebeurtenissen in Gambia. In een evaluatieverslag van Equator van 10 maart 2016 is voor het eerst vermeld dat de psychische klachten van [appellante] deels ook zijn toe te schrijven aan de gebeurtenissen die zich in januari (lees: februari) 2008 in Nederland hebben voorgedaan. Tot slot is in de brief van Equator van 8 juni 2017 vermeld dat de traumatische ervaringen in Nederland na de gebeurtenissen in Gambia, hebben geleid tot PTSS. Deze stukken maken weliswaar aannemelijk dat schokkende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in het leven van [appellante], maar gaan voor de oorzaak af op wat [appellante] daarover zelf heeft verklaard tegenover de psycholoog en psychiater. De behandelaars doen geen onderzoek naar de gebeurtenissen zelf. Voorts is van belang dat uit die stukken volgt dat de gestelde diagnose PTSS (mede) kan zijn veroorzaakt door schokkende gebeurtenissen in Gambia waarop de aanvraag van [appellante] geen betrekking heeft. Daarbij komt dat in de medische informatie tot 2016 alleen de gebeurtenissen in Gambia in verband worden gebracht met PTSS. Gelet op het voorgaande heeft de CSG in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de medische stukken van Equator geen objectieve informatie bevatten die de verklaring van [appellante] dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland ondersteunen. De stelling van [appellante] dat haar verklaringen in de aangifte en anamnese zeer gedetailleerd, consistent en geloofwaardig zijn en dat de behandelaars bij Equator zich hebben gespecialiseerd in de gevolgen van mensenhandel, maakt niet dat de medische stukken voldoende objectieve informatie bevatten die de verklaring van [appellante] ondersteunt. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [appellante] enige tijd in een "Blijf van mijn lijf huis" heeft gezeten.

5.4.    Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. [appellante] heeft een besluit van de CSG van 2 juni 2016 in een andere zaak overgelegd waarin de CSG op basis van een aangifte en medische stukken voldoende aannemelijk gemaakt geacht heeft dat betrokkene slachtoffer is geworden van mensenhandel en aan deze een uitkering heeft toegekend. In die andere zaak heeft de CSG bij haar beoordeling betrokken dat uit de rapportage van de hulpverlening blijkt dat geen sprake is van eerdere traumatische ervaringen waardoor de stressstoornis zou kunnen zijn veroorzaakt. Aangezien in dit geval uit de medische stukken volgt dat sprake is van eerdere traumatische ervaringen, is van vergelijkbare gevallen geen sprake. Anders dan [appellante] betoogt, is bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het gestelde geweldsmisdrijf van belang of de informatie in de medische stukken (mede) betrekking heeft op andere gebeurtenissen buiten Nederland waarop de aanvraag geen betrekking heeft.

5.5.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te kunnen achten dat [appellante] slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland in de periode tussen 15 februari 2008 en 19 februari 2008.

    De betogen falen.

6.    [appellante] betoogt, voor het geval zij het gestelde geweldsmisdrijf niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de rechtbank heeft miskend dat de CSG op grond van de op haar rustende vergewisplicht nader onderzoek had moeten laten doen in de vorm van een medische contra-expertise. [appellante] verwijst in dit verband naar onder meer uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:621), 16 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5598) en 17 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5421).

6.1.    Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, ligt het op de weg van [appellante] als aanvrager van een uitkering uit het fonds om het gestelde geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. Uit de stukken volgt dat de CSG naar aanleiding van de aanvraag van [appellante] zelf ook is nagegaan of er objectieve aanwijzingen zijn voor het in die aanvraag gestelde geweldsmisdrijf. Daartoe is contact opgenomen met de politie over het onderzoek naar aanleiding van de aangifte door [appellante]. Anders dan [appellante] stelt, is de CSG niet gehouden een nader onderzoek te laten doen in de vorm van een medische contra-expertise. Volgens paragraaf 1.2.5 van de Beleidsbundel kan de CSG, in het geval het geweldsmisdrijf aannemelijk is gemaakt, voor de beoordeling van het letsel haar medisch adviseur inschakelen. Die situatie is hier echter niet aan de orde. Voormelde uitspraken waarnaar [appellante] verwijst leiden niet tot een ander oordeel, omdat die betrekking hebben op vreemdelingenzaken waarin andere regelgeving en andere vragen aan de orde zijn dan hier het geval is.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

609.