Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2876

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201608387/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Hoogwaardig Openbaar Vervoer in het Gooi" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Crisis- en herstelwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5615
JOM 2017/1106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608387/1/R6.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

2.    Vereniging tot behoud van Anna's Hoeve en omgeving, gevestigd te Hilversum,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], en anderen,

4.    International Flavors & Fragrances, Nederland B.V., gevestigd te Hilversum,

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Noord-Holland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Hoogwaardig Openbaar Vervoer in het Gooi" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, de vereniging, [appellante sub 3] en anderen, IFF B.V., en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht (hierna: Stab-verslag) uitgebracht.

[appellant sub 1] en anderen, de vereniging, [appellante sub 3] en anderen, IFF B.V., [appellant sub 5] en provinciale staten hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en anderen, de vereniging, [appellante sub 3] en anderen, IFF B.V., [appellant sub 5] en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden A], de vereniging, vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden B], bijgestaan door mr. K. Markerink, advocaat te Amsterdam, en ing. J.A.M. de Ridder, IFF B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde C], bijgestaan door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te ’s-Hertogenbosch, [appellant sub 5], en provinciale staten, vertegenwoordigd door P.M. Nijmeijer, S.C.J.E. Jansen, A.P. van Dijk, G.A.M. Pieters en F.G. van Kooten, bijgestaan door mr. T.C. Leemans, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het inpassingsplan voorziet in de aanleg van onder meer een zogeheten Hoogwaardige Openbaar Vervoer (hierna: HOV) verbinding in Hilversum. Deze verbinding zal hoofdzakelijk bestaan uit vrij liggende busverbindingen tussen station Hilversum en de A27. Tot het plangebied behoren drie deelgebieden waarbinnen het tracé zal lopen.

    Vast staat dat de Crisis- en Herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op het besluit tot vaststelling van het plan. Dat deze wet van toepassing is, betekent onder meer dat, gelet op artikel 1.6a van die wet, na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd.

Procedurele aspecten

Goede procesorde

2.    [appellante sub 3] en anderen hebben betoogd dat het nadere stuk van provinciale staten van 31 augustus 2017, voor zover dat een onderzoeksrapport naar de parkeerdruk bevat, dusdanig laat is ingediend dat dit wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Verder stellen zij dat het rapport al geruime tijd beschikbaar was en al in mei 2017 is opgevraagd.

    De Afdeling overweegt dat het onderzoeksrapport een feitelijke toelichting is op de parkeerdruk in het plangebied. Provinciale staten hebben eerder in de procedure het standpunt ingenomen dat de parkeerdruk 63% bedraagt. Het rapport omvat een plattegrond en tellingen. Gelet op de geringe omvang van het stuk ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

Ontvankelijkheid [appellant sub 5]

3.    [appellant sub 5] komt op voor de natuurwaarden in het natuurgebied Anna’s Hoeve, waar een van de deelgebieden van het tracé doorheen voert. Hij woont op een afstand van 1,2 km van het natuurgebied.

3.1.    Niet is gebleken dat [appellant sub 5] vanaf zijn perceel zicht op het natuurgebied heeft. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 5] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, noch de specifieke kennis omtrent het natuurgebied die [appellant sub 5] ter zitting heeft gesteld te hebben, is daarvoor voldoende.

3.2.    De conclusie is dat [appellant sub 5] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 5] is niet-ontvankelijk.

Deelgebied 6, onderdoorgang Oosterengweg

Feitelijke situatie

4.    Deelgebied 6 omvat een deel van het tracé dat door Hilversum voert. Het plan voorziet hier onder andere in een onderdoorgang van de Oosterengweg onder de spoorlijn Hilversum - Amersfoort en de aan te leggen weg voor de HOV-verbinding. De Oosterengweg kruist thans gelijkvloers de spoorlijn en wordt hierna aangeduid als de doorgaande Oosterengweg.

    Ten noorden van het spoor en ten westen en ten oosten van de Oosterengweg liggen bedrijven. De bedrijfspercelen van [appellante sub 3] en anderen liggen aan de westelijke zijde van de Oosterengweg. In de huidige situatie worden deze bedrijven ontsloten door een zijstraat van de doorgaande Oosterengweg. Deze zijstraat heet eveneens Oosterengweg. De drie meest westelijke percelen - Oosterengweg 32/32a, 34 en 36 - zijn door middel van een hek afgescheiden van de oostelijke percelen - Oosterengweg 8, 38 en 40. De eerstgenoemde percelen worden hierna aangeduid als Venetapark. Ten noordwesten van het Venetapark ligt het bedrijf van IFF B.V. De percelen Oosterengweg 38 en 40 hebben in de huidige situatie een in- en uitrit en parkeerplaats direct aansluitend op de doorgaande Oosterengweg.

    [appellant sub 1] en anderen wonen aan de Liebergerweg voor zover die in de directe omgeving van de hierboven genoemde bedrijfspercelen en de onderdoorgang ligt. Deze weg is een doorgaande weg in oost-westelijke richting en kruist de doorgaande Oosterengweg op een zogeheten voorrangsplein, waar eveneens twee andere wegen op uitkomen. De doorgaande Liebergerweg (west) heeft nabij het voorrangsplein een zijstraat, eveneens Liebergerweg geheten. Deze zijstraat mondt uit in het deel van de zijstraat Oosterengweg waaraan de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen liggen, ter hoogte van het hek dat het Venetapark scheidt van de andere bedrijven. De zijstraat Liebergerweg en de zijstraat Oosterengweg zijn voor gemotoriseerd verkeer doodlopend gemaakt met paaltjes. Enkelen van de appellanten [appellant sub 1] en anderen wonen aan de zijstraat Liebergerweg.

    Aan de oostzijde van de doorgaande Oosterengweg ligt het bedrijventerrein Werf en Rotor. Aan de zuidzijde van dit terrein, direct ten noorden van het spoor, loopt de Mussenstraat.

    Om de onderdoorgang aan te leggen zal de toegangsweg naar de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen moeten worden verwijderd. Ten einde de bedrijven bereikbaar te houden voor vrachtverkeer, zal een nieuwe toegangsweg worden aangelegd (hierna: de IFF-weg) vanaf de doorgaande Liebergerweg (west). Deze weg zal over een strook grond van het IFF-terrein worden aangelegd.

Planologische regeling

5.    Aan de Liebergerweg, Oosterengweg, de kruising van de Oosterengweg met de Mussenstraat direct langs het spoor, en een strook grond op het oostelijke deel van het perceel van IFF B.V. is, voor zover relevant, de bestemming "Verkeer" toegekend. Verder is aan een deel van de Oosterengweg de aanduiding "onderdoorgang" toegekend. Deze aanduidingen bestrijken aan de noord- en zuidzijde van het spoor een lengte van respectievelijk 150 en 170 m.

    Artikel 4 van de planregels luidt: "De voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. verkeerswegen, met dien verstande dat het aantal rijstroken niet meer mag bedragen dan 1 x 2 rijstroken, alsmede opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;

b. fiets- en voetpaden en oversteekplaatsen;

c. parkeervoorzieningen;

d. ter plaats van de aanduiding "onderdoorgang", tevens voor een onderdoorgang;

(...)."

Bereikbaarheid en aantallen vrachtwagens

6.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat het plan infrastructurele aanpassingen mogelijk maakt die de bereikbaarheid van hun percelen aantasten. Zij stellen dat hun bedrijven thans door de zijstraat van de doorgaande Oosterengweg worden ontsloten en dat met de aanleg van de onderdoorgang deze ontsluitingsweg zal vervallen. Het vrachtverkeer naar de bedrijven zal moeten omrijden via de Liebergerweg (west) en de nieuwe IFF-weg die vanaf de Liebergerweg naar het Venetapark zal leiden. Volgens hen zijn provinciale staten evenwel bij de vraag of de doorgaande Liebergerweg de extra motorvoertuigen (hierna: mvt) kan verwerken, uitgegaan van onjuiste verkeersaantallen. Zij stellen dat de berekende 133 mvt per werkdag niet strookt met de hoeveelheid mvt die bestaat bij een maximale invulling van het bestemmingsplan dat geldt voor hun percelen. Volgens [appellante sub 3] en anderen zou dit, gelet op de kencijfers van het CROW, 603 mvt per werkdag moeten zijn. Ook het aantal vrachtwagens binnen dit aantal mvt is naar hun mening te laag ingeschat. Dit dient 135% hoger te zijn dan het aantal van 70, waarvan provinciale staten zijn uitgegaan. Zij wijzen in dit verband op een opgaaf van transportbewegingen uit 2014 afkomstig van de huurder van het pand op het perceel Oosterengweg 32/32A.

6.1.    Provinciale staten stellen dat zij voor het aantal verkeersbewegingen zijn uitgegaan van elektronische en visuele tellingen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Visuele en elektronische tellingen Oosterengweg Hilversum" van 2 juli 2015, opgesteld door Grontmij Nederland B.V. Omdat er op het moment van de tellingen leegstand was in het pand op het perceel Oosterengweg 32/32A, is een leegstandscorrectie uitgevoerd van 35%. Deze 35% is gebaseerd op het vloeroppervlak van het perceel Oosterengweg 32/32A. Volgens provinciale staten zijn de tellingen een representatieve weergave van het aantal vrachtwagens dat de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen wekelijks aandoet.

6.2.    In het rapport "Visuele en elektronische tellingen Oosterengweg Hilversum" is vermeld dat in het najaar van 2014 op een gemiddelde werkdag 133 mvt van en naar de bedrijven op en naast het Venetapark rijden. Van deze 133 voertuigen zijn er in totaal ongeveer 10 vrachtwagen, bestaande uit 9 middelzware en 1 zware vrachtwagen. Op zaterdagen is gemiddeld 1 vrachtwagen geregistreerd en op zondag geen. Verder is vermeld dat tijdens de tellingen door leegstand geen verkeer van en naar het pand aan de Oosterengweg 32/32A reed. Uit een eerdere opgave van de gebruiker van het pand op dat perceel bleek dat er in de situatie dat het pand wel in gebruik was, het totaal aantal verkeersbewegingen ongeveer 35% hoger lag, waarbij tevens relatief meer zwaar vrachtverkeer plaatsvond. Met deze aanname zou er bij een verhuurd pand aan de Oosterengweg sprake zijn van ongeveer 70 vrachtwagens per week die omgeleid moeten worden (ongeveer 20 extra), aldus het rapport. Mede gelet op hetgeen in het Stab-verslag hierover is vermeld, acht de Afdeling het niet onredelijk dat provinciale staten zijn uitgegaan van het in het rapport genoemde aantal vrachtwagens dat in de toekomstige situatie moet omrijden. In de opgegeven getallen van de huurder van het perceel Oosterengweg 32/32A, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten van een hoger aantal vrachtwagens hadden moeten uitgaan.

    Het betoog faalt.

6.3.    Over het omrijden van het verkeer naar de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen overweegt de Afdeling dat in het Stab-verslag is vermeld dat in de eindsituatie vrachtwagens uit noordelijke richting ongeveer 150 m moeten omrijden als gevolg van het verdwijnen van de toegangsweg. Vrachtwagens uit zuidelijke richting zullen 500 m moeten omrijden. Tijdens de bouwfase zullen volgens het Stab-verslag vrachtwagens die het Venetapark willen bereiken vrijwel niet om hoeven te rijden. Vrachtwagens uit zuidelijke richting zullen, voor zover deze gebruik kunnen maken van de Beatrixtunnel, ongeveer 2 km moeten omrijden. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij een normale doorstroming van het verkeer deze afstanden niet onaanvaardbaar groot zijn in zowel de aanlegfase als de eindfase. Voor zover [appellante sub 3] en anderen hebben gesteld dat hoge vrachtwagens niet door de Beatrixtunnel kunnen rijden, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 3] en anderen met deze enkele stelling niet aannemelijk hebben gemaakt dat een langere omrijdafstand voor die vrachtwagens zodanig is dat provinciale staten het plan niet hadden kunnen vaststellen, mede in aanmerking genomen dat dit een tijdelijke situatie is tijdens de bouwfase. Het betoog faalt.

7.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat de verkeerssituatie ter plaatse van het voorrangsplein Liebergerweg - Oosterengweg en de Liebergerweg (west) in de huidige situatie zodanig is dat met name vrachtverkeer moeilijk kan doorstromen. De extra vrachtwagens die zullen moeten omrijden na het wegvallen van de toegangsweg zullen deze problemen verergeren. Daarmee zal de bereikbaarheid van hun bedrijven afnemen. Verder voeren [appellante sub 3] en anderen aan dat in de toekomstige situatie ook de vrachtwagens van en naar de bedrijven ten oosten van het Venetapark gebruik moeten maken van het binnenterrein van het Venetapark. Volgens hen is er onvoldoende ruimte om al deze vrachtwagens te laten manoeuvreren. [appellante sub 3] en anderen vrezen tot slot dat in de eindsituatie onvoldoende ruimte bestaat voor vrachtwagens uit oostelijke richting om vanaf de Mussenstraat over de onderdoorgang en langs de laad- en losplaats op het perceel Oosterengweg 40 te rijden.

7.1.    Provinciale staten stellen dat de extra vrachtwagens niet zullen leiden tot opstoppingen. Zij wijzen er op dat op de Liebergerweg (west) een stopverbod voor vrachtwagens is ingesteld, ter hoogte van de woningen van [appellant sub 1] en anderen, zodat de doorstroming van verkeer kan worden gewaarborgd. Over de manoeuvreerruimte stellen provinciale staten dat deze minder wordt voor langere vrachtwagens, maar dat door het verplaatsen van de laad- en loszone naar de zijkant van het pand op het perceel Oosterengweg 38, dit perceel en het perceel Oosterengweg 40 bereikbaar blijven voor lange vrachtwagens.

7.2.    Over de doorstroming overweegt de Afdeling dat het aannemelijk is dat de toename van het aantal vrachtwagens dat via de Liebergerweg (west) zal moeten rijden met zich zal brengen dat de doorstroming van het vrachtwagenverkeer op de Liebergerweg en daarmee de bereikbaarheid van de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen enigszins zal afnemen. Ter zitting is gebleken dat verkeersmaatregelen op de Liebergerweg tussen de kruising Liebergerweg - IFF-weg en het voorrangsplein Liebergerweg - Oosterengweg kunnen worden en inmiddels ook zijn genomen ten einde de doorstroming op de Liebergerweg te waarborgen. Zo is onder meer een stopverbod ingesteld voor vrachtwagens. Voorts is door provinciale staten ter zitting verklaard dat een weg zoals de Liebergerweg een capaciteit heeft van 5.000 mvt per etmaal. Blijkens het Stab-verslag is met het verkeersmodel van de gemeente Hilversum berekend dat het aantal mvt op dit deel van de Liebergerweg 4.300 mvt per dag zal bedragen in 2020. [appellante sub 3] en anderen hebben dit aantal niet gemotiveerd bestreden. Gelet op de verwachte toename van 266 mvt-bewegingen per werkdag (133 mvt maal 2 voor de heen- en terugrit), ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan voor een ernstige aantasting van de doorstroming op de Liebergerweg (west) zal zorgen.

    Over het manoeuvreren van vrachtwagens op het onbebouwde deel van het Venetapark en de gronden oostwaarts daarvan overweegt de Afdeling dat in opdracht van de eigenaar van het perceel Oosterengweg 32/32A een memo, gedateerd 14 november 2016, is opgesteld door Arcadis over onder meer dit onderwerp. In het memo is vermeld dat het ontwerp van de IFF-weg in combinatie met het binnenterrein voldoende ruimte biedt voor het keren van een vrachtwagen met een lengte van 18,75 m. Ook bestaat in het schetsontwerp voldoende ruimte voor de boogstraal van vrachtwagens van 18,75 m bij de kruising IFF-weg en Liebergerweg. Over de manoeuvreerruimte voor vrachtwagens bij het perceel Oosterengweg 40 overweegt de Afdeling dat in het Stab-verslag is vermeld dat bij een correct gebruik van de laad- en losplaats de rijbaan niet geblokkeerd hoeft te worden. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze bevinding onjuist is. Gelet op het rapport van Arcadis en hetgeen in het Stab-verslag hierover is vermeld, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet met zich brengt dat de manoeuvreerruimte zodanig afneemt dat de bereikbaarheid van de percelen aan het Venetapark en oostwaarts daarvan onaanvaardbaar wordt aangetast. Het betoog faalt.

Laden en lossen

8.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat het plan tot gevolg heeft dat vrachtwagens die de bedrijven op de percelen Oosterengweg 32/32a, 38 en 40 aandoen onvoldoende ruimte hebben om te laden en te lossen. Zij stellen dat provinciale staten blijkens het schetsontwerp van de eindsituatie bij het bepalen van de benodigde laad- en losruimte zijn uitgegaan van vrachtwagens van 12 meter lang. In de praktijk doen ook langere vrachtwagens deze bedrijven aan. In de toekomst zullen deze vrachtwagens niet meer ter plaatse kunnen laden en lossen.

8.1.    Provinciale staten stellen dat vrachtwagens langer dan 12 m in de huidige situatie vaak langs de doorgaande rijbaan laden en lossen. Dit blijft in de toekomst mogelijk met een laad- en loszone langs het pand op het perceel Oosterengweg 40. Voor het perceel Oosterengweg 38 wordt een laad- en loszone aan de zijkant van het pand gerealiseerd op de toegangsweg naar het Venetapark. Deze is geschikt voor lange vrachtwagens met een lengte van 18,75 m.

8.2.    Gelet op het Stab-verslag acht de Afdeling het aannemelijk dat als gevolg van het plan de laad- en losmogelijkheden voor de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen afnemen, voornamelijk bij het perceel Oosterengweg 40. In het Stab-verslag is vermeld dat het plan voorziet in een laad- en loshaven parallel aan de rijbaan en dat het plan voldoende ruimte biedt voor een rijbaan voor de ontsluitingsweg in de richting van de Mussenstraat met daarnaast een laad- en loshaven. Tijdens de bouwfase zullen vrachtwagens met een lengte van 18,75 gebruik moeten maken van de plek naast het gebouw op het perceel Oosterengweg 38. In het Stab-verslag is geconcludeerd dat als gevolg van het plan het laden en lossen bij de bedrijven aan de Oosterengweg enigszins wordt beperkt, maar niet onmogelijk gemaakt. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met het plan dan aan de belangen van [appellante sub 3] en anderen bij het onaangetast laten van de laad- en losmogelijkheden bij hun bedrijven. Het betoog faalt.

Parkeren

9.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat door het plan parkeerplaatsen op het Venetapark en de omgeving daarvan verloren gaan. Zij wijzen er op dat in de huidige situatie 76 parkeerplaatsen beschikbaar zijn en ook volledig worden benut. Anders dan waarvan provinciale staten uitgaan, gaan niet 11, maar 18 tot 21 plaatsen verloren in de eindfase en in de bouwfase 27 tot 29. Voorts bestrijden zij de parkeerdruk van 63%, waarvan provinciale staten uitgaan. Volgens hen ligt deze op 110%.

9.1.    Provinciale staten betogen dat in totaal 10 à 11 parkeerplaatsen wegvallen en dat, gelet op de gemiddelde parkeerdruk ter plaatse van 63%, het wegvallen van dit aantal parkeerplaatsen geen onaanvaardbare parkeerdruk zal opleveren.

9.2.    Ter zitting hebben provinciale staten aannemelijk gemaakt dat de door hen genoemde parkeerdruk van 63% een gemiddelde is en dat dit is gebaseerd op tellingen die zijn uitgevoerd op representatieve tijdstippen. Gelet op deze gemiddelde parkeerdruk, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbaar parkeertekort met zich zal brengen, ongeacht of het aantal parkeerplaatsen dat uiteindelijk zal verdwijnen 21 of 11 is. Het betoog faalt.

Zichtbaarheid

10.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat provinciale staten onvoldoende rekening hebben gehouden met het verlies van zichtbaarheid van hun bedrijven.

10.1.    In de bij de plantoelichting gevoegde notitie "Bereikbaarheid, zichtbaarheid en bruikbaarheid bedrijven" gedateerd 24 juni 2016, is ingegaan op de zichtbaarheid van de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen en het belang daarvan voor de bedrijfsvoering. In deze notitie is geconcludeerd dat de showroom, de onderhoudsruimte en het kantoor van [appellante sub 3] baat bij enige vorm van zichtbaarheid hebben, maar dat het belang van een zichtlocatie voor motorzaken de afgelopen jaren landelijk is afgenomen. In de toekomstige situatie zal het zicht op de genoemde bedrijfsonderdelen van [appellante sub 3] nihil zijn, aldus de notitie. De overige bedrijven hebben geen of geen evident belang bij zichtbaarheid, voor zover deze zichtbaarheid al wijzigt door het plan. Gelet hierop hebben provinciale staten aanleiding gezien om aan het belang van het plan een groter gewicht toe te kennen dan aan de belangen van [appellante sub 3] en anderen om zicht op hun bedrijven te behouden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Het betoog faalt.

Herbouwplannen Venetapark

11.    [appellante sub 3] en anderen betogen voorts dat hun voornemen om het bedrijventerrein Venetapark te ontwikkelen tot woningen positief is ontvangen door de provincie en de gemeente. Zij stellen dat als dit voornemen tegelijk met het plan ter hand was genomen, geen onnodige investeringen hadden behoeven te worden gedaan om de bereikbaarheid van de bedrijven te garanderen. Ter illustratie van deze plannen hebben zij een inrichtingsschets, gedateerd 25 oktober 2016, overgelegd.

11.1.    Provinciale staten stellen dat ten tijde van het vaststellen van het plan de herbouwplannen nog onvoldoende concreet waren om rekening mee te houden. Bovendien staat het inpassingsplan volgens hen niet in de weg aan herontwikkeling van het Venetapark, nu de gronden waarop de bedrijven zijn gevestigd buiten de grenzen van het plan liggen.

11.2.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

    De Afdeling overweegt dat de inrichtingsschets van 25 oktober 2016, nog daargelaten dat deze dateert van na het nemen van het bestreden besluit, onvoldoende inzicht geeft in de precieze herbouwplannen. Zo zijn op de schets geen bouwhoogtes of woningaantallen weergegeven. Ook anderszins is niet gebleken dat de herbouwplannen ten tijde van het vaststellen van het plan waren vertaald in een voldoende concreet initiatief. Gelet hierop hebben provinciale staten met deze plannen in redelijkheid geen rekening hoeven houden. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid en planschade

12.    [appellante sub 3] en anderen voeren aan dat de financiële uitvoerbaarheid niet is gegarandeerd. Zij stellen dat diverse kostenposten voor bodemsanering, de aanleg van verharding en inpassingsproblemen met de tunnel tot hogere kosten zullen leiden dan in eerste instantie geraamd. Verder stellen zij dat schade wordt en is geleden voorafgaand aan het vaststellen van het plan. Zij wijzen er op dat het college van gedeputeerde staten bij brief van 9 juni 2017 heeft laten weten dat de schaduwschade in de vorm van huurderving die zij lijden niet valt onder de reikwijdte van de nadeelcompensatieregeling die voor het plan is vastgesteld. Volgens hen hadden provinciale staten de schade die vooraf gaat aan de vaststelling van het plan moeten vergoeden.

12.1.    Over de financiële uitvoerbaarheid is in paragraaf 6.1.2 van de plantoelichting vermeld dat provinciale staten hebben besloten om een bedrag van in totaal € 118,5 miljoen te reserveren. Daarbij is ook de kostenpost planschade meegenomen, aldus de plantoelichting. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan mede gelet op het beschikbaar gestelde budget, financieel niet uitvoerbaar is.

    Over de schade die [appellante sub 3] en anderen stellen voorafgaand aan de vaststelling van het plan te hebben geleden, overweegt de Afdeling dat, wat er verder ook van zij, die schade in deze procedure niet aan de orde kan komen, nu de gestelde schade geen gevolg is van de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid verkeersbestemming

13.    [appellante sub 3] en anderen voeren aan dat uit het ontwerp van het onteigeningsbesluit voor het deel van het Venetapark waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend, blijkt dat slechts een deel van die gronden wordt onteigend ten behoeve van de nieuwe ontsluitingsweg. Volgens hen betekent dit dat het plan voor de resterende gronden met de verkeersbestemming niet uitvoerbaar is. [appellante sub 3] en anderen stellen dat de gronden nu voor bedrijfsdoeleinden, zoals laden en lossen en opslag, worden gebruikt en dat zij dit gebruik niet zullen staken.

13.1.    De Afdeling overweegt dat de omvang van het gebied waarop het onteigeningsbesluit betrekking heeft, daargelaten of deze omvang in de visie van [appellante sub 3] en anderen juist is, niet maakt dat het plan op zichzelf onuitvoerbaar is. Reeds om die reden faalt het betoog.

Verkeersveiligheid

14.    [appellant sub 1] en anderen en IFF kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer" voor zover die is toegekend aan de strook grond aan de oostzijde van het IFF-terrein waar de IFF-weg zal komen te liggen. Volgens hen zal de kruising IFF-weg - Liebergerweg (west) leiden tot verkeersonveilige situaties, met name vanwege de toename van het vrachtverkeer. Ook de parallelweg langs de doorgaande Oosterengweg (hierna: de parallelweg), die bestemd is om ander verkeer dan vrachtwagens toegang te verschaffen tot de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen, kan volgens hen niet veilig worden uitgevoerd. [appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat meer verkeer dan waarvan provinciale staten uitgaan, gebruik zal maken van de parallelweg.

    Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat de ontsluiting van het bedrijventerrein Werf en Rotor niet veilig kan worden uitgevoerd. Zij wijzen er op dat de Liebergerweg (oost) en de Mussenstraat in die omgeving woonstraten zijn, met veel kinderen. Volgens hen moet voor deze straten een inrijverbod worden ingesteld.

    [appellante sub 3] en anderen voeren tot slot aan dat de onderdoorgang niet voldoet aan de eisen voor verkeersveiligheid, zoals die tot uitdrukking komen in de ASVV 2012 - Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: ASVV).

14.1.    Provinciale staten stellen dat de IFF-weg geen wezenlijke invloed heeft op het verkeersbeeld. De huidige en toekomstige verkeersbelasting van de Liebergerweg is in beeld gebracht met het regionale verkeersmodel. Volgens hen blijkt uit de modelberekening dat de verkeersdruk geen gangbare grenswaarden voor erftoegangswegen, zoals de Liebergerweg moet worden getypeerd, overschrijdt. Verder stellen zij dat vrachtwagens die uit de IFF-weg de Liebergerweg oprijden, goed zicht hebben op de kruising en dus de tijd hebben om veilig de Liebergerweg op te rijden.

    Over de parallelweg stellen provinciale staten dat het niet de bedoeling is dat hier vrachtwagens zullen rijden. Alleen auto's en fietsers, en dan met name bestemmingsverkeer, zal hiervan gebruik maken.

    Over de verkeersveiligheid op het bedrijventerrein Werf en Rotor stellen provinciale staten dat door het realiseren van een aansluiting Mussenstraat op de verlegde Weg over Anna's Hoeve minder vrachtverkeer door de overige delen van de Vogelbuurt rijdt. Ook zullen de verkeersdrukte, sluipverkeer en de hoeveelheid vrachtverkeer worden gemonitord.

    Over de veiligheid van de onderdoorgang stellen provinciale staten dat in de ASVV richtlijnen zijn opgenomen en dat hiervan kan worden afgeweken. In dit geval is in de ASVV vermeld dat aan de berekening van de afstand voor het stopzicht als uitgangspunt ten grondslag ligt dat een object van 0,20 meter hoogte tijdig zichtbaar moet zijn. Provinciale staten wijzen op een memo van Movares, gedateerd 30 maart 2017, waarin is vermeld dat in het referentieontwerp van de onderdoorgang een topboog van 300 m is opgenomen. Bij deze topboog kan niet worden voldaan aan het uitgangspunt van de ASVV om een object van 0,20 m te zien. Objecten van 0,26 m en hoger zijn wel zichtbaar. Provinciale staten stellen dat gelet op het kleine verschil met de aanbevolen hoogte van 0,20 m, afwijking van de ASVV in dit geval mogelijk is. Verder wijzen zij er op dat automobilisten die uit de onderdoorgang omhoog rijden door verkeersborden op het voorrangsplein kan worden gewezen.

Verkeersveiligheid aansluitingen Liebergerweg

14.2.    In het Stab-verslag is vermeld dat in de huidige situatie op de momenten dat veel vrachtwagenverkeer plaatsvindt, het normale gebruik van de Liebergerweg voor ander verkeer wordt belemmerd. Deze belemmeringen doen zich voor als vrachtwagens bestemd voor verder westwaarts gelegen bedrijven, waaronder een distributiecentrum van Hunkemöller, opgesteld staan op de Liebergerweg. De rijbewegingen die het (vracht)verkeer moet maken om ruimte te bieden aan het vrachtverkeer dat de IFF-weg in of uit wil rijden kunnen leiden tot onoverzichtelijke verkeerssituaties en daarmee tot een toename van de verkeersonveiligheid. De Afdeling stelt vast dat de gronden met de verkeersbestemming ter plaatse van de aansluiting van de voorziene IFF-weg op de Liebergerweg (west) ongeveer 14 m breed zijn. In het Stab-verslag is vermeld dat de bestemming "Verkeer" het realiseren van een bredere (toegang tot) de IFF-weg dan in het inrichtingsontwerp is voorzien, niet in de weg staat. Er is volgens het Stab-verslag daarom een inrichting mogelijk waarbij de manoeuvreerbewegingen op de Liebergerweg minder worden. Voorts kunnen op de Liebergerweg maatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid te waarborgen, waaronder het hiervoor genoemde stopverbod voor vrachtwagens op de Liebergerweg nabij het voorrangsplein. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan voor zover dat voorziet in een aansluiting van de IFF-weg op de Liebergerweg (west) daar niet tot een onaanvaardbare aantasting van de verkeersveiligheid behoeft te leiden. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid parallelweg

14.3.    Over de parallelweg overweegt de Afdeling dat blijkens het schetsontwerp van het gebied deze parallelweg als eenrichtingsweg voor verkeer, niet zijnde vrachtverkeer, zal worden uitgevoerd. Het rechtdoor gaande verkeer op deze parallelweg zal het verkeer dat de onderdoorgang in rijdt kruisen. In een verkeersrapport van Goudappel Coffeng, gedateerd 17 juni 2016, dat behoort bij de plantoelichting, is vermeld dat het aantal verkeersbewegingen ongeveer 200 mvt per etmaal zal zijn. In het Stab-verslag is vermeld dat gelet hierop de kans op ongelukken klein is. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een onaanvaardbare aantasting van de verkeersveiligheid op de aan te leggen parallelweg zal leiden. Voor zover [appellant sub 1] en anderen nog hebben betoogd dat de kans bestaat dat de parallelweg als sluiproute gebruikt gaat worden voor het bedrijventerrein Werf en Rotor aan de oostkant van de doorgaande Oosterengweg en verkeer naar de A1 en Baarn, overweegt de Afdeling dat in het Stab-verslag is vermeld dat ook die kans klein is, omdat snellere routes bestaan. In het aangevoerde ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat een grote hoeveelheid sluipverkeer van de parallelweg gebruik zal gaan maken en dat provinciale staten om die reden het plan in zoverre niet hadden mogen vaststellen. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid Werf en Rotor

14.4.    Over de verkeersveiligheid op het bedrijventerrein Werf en Rotor overweegt de Afdeling dat in het Stab-verslag is vermeld dat het bestemmingsplan dat voor deze gronden geldt het mogelijk maakt dat verkeersmaatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid te waarborgen. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet bestreden. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen grond voor het oordeel dat voor een ernstige aantasting van de verkeersveiligheid op Werf en Rotor dient te worden gevreesd. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid van de onderdoorgang

14.5.    Over de veiligheid van de onderdoorgang overweegt de Afdeling dat ter zitting door [appellant sub 1] en anderen is toegelicht dat zij hiermee doelen op de onveilige situatie voor automobilisten die vanuit de onderdoorgang in de richting van het voorrangsplein rijden. Deze zullen bij een te steile helling van de onderdoorgang geen tijdig overzicht hebben op de complexe verkeerssituatie van het voorrangsplein. Provinciale staten hebben inzichtelijk gemaakt dat bij de uitvoering van het plan de onderdoorgang zodanig ingericht kan worden dat meer ruimte voor een grotere topboog van 400 m ontstaat. Met een topboog van deze afstand kan aan de aanbevelingen van de ASVV worden voldaan. Voorts kunnen verkeersborden worden geplaatst om automobilisten te waarschuwen voor het voorrangsplein aan het uiteinde van de onderdoorgang, in het geval de onderdoorgang met een topboog van 300 m wordt uitgevoerd. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onderdoorgang zodanig kan worden uitgevoerd dat niet voor verkeersonveilige situaties voor automobilisten die de onderdoorgang uitrijden hoeft te worden gevreesd. Het betoog faalt.

Overige gevolgen woon- en leefklimaat

15.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de IFF-weg een aantasting van hun woon- en leefklimaat met zich brengt, met name voor zover het de appartementen tussen de IFF-weg en de zijstraat Liebergerweg betreft. Zij voeren aan dat een weg naast die appartementen zal leiden tot visuele hinder, aantasting van de sociale veiligheid, geluidoverlast en luchtvervuiling. Zij voeren wat betreft de geluidbelasting verder aan dat niet duidelijk is of in de betreffende onderzoeken van een juist aantal verkeersbewegingen is uitgegaan en of de geluidbelasting vanwege het optrekken, afremmen en manoeuvreren van vrachtwagens is meegenomen.

15.1.    Provinciale staten stellen dat de concentraties van schadelijke stoffen in de lucht bij de tunnelmonden voldoen aan de wettelijke grenswaarden. Verder stellen zij dat ten gevolge van de tunnel de geluidbelasting vanwege verkeer afneemt. Ook bij de appartementencomplexen waarin [appellant sub 1] en anderen wonen zal het geluid afnemen, omdat vrachtwagens via de Mussenstraat het gebied kunnen verlaten.

15.2.    Vast staat dat door de aanleg van de IFF-weg het uitzicht van de bewoners van het appartementencomplex dat aan de oostzijde van het IFF-terrein ligt enigszins zal verslechteren. Op de gronden waar de IFF-weg zal worden aangelegd, is immers thans een park aanwezig waar de bewoners op uitkijken. De Afdeling overweegt dat deze aantasting van het uitzicht evenwel niet zodanig is dat provinciale staten niet in redelijkheid deze bestemming aan de gronden van het IFF-terrein hebben kunnen toekennen.

    Over de sociale veiligheid overweegt de Afdeling dat de IFF-weg een openbaar karakter zal hebben en dat met de aansluiting op het Venetapark ook het binnenterrein van het Venetapark openbaar toegankelijk wordt. De enkele omstandigheid dat een openbare weg langs de achtertuinen van het appartementencomplex loopt en dat het binnenterrein openbaar wordt, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat moet worden aangenomen dat de sociale veiligheid dusdanig wordt aangetast, dat het plan niet had kunnen worden vastgesteld. Daarbij merkt de Afdeling op dat het plan er niet aan in de weg staat dat bijvoorbeeld hekwerken worden opgericht teneinde de percelen naast de IFF-weg af te scheiden van de weg. Het betoog faalt.

15.3.    Over het geluid overweegt de Afdeling dat het aannemelijk is dat na de aanleg van de IFF-weg de geluidbelasting van verkeer op de gevels van de woningen aan die weg zal toenemen. In het bij de plantoelichting behorende akoestisch rapport, gedateerd 15 juni 2016, is berekend wat de geluidbelasting op de gevels van de woningen zal zijn als de IFF-weg gereed is. Provinciale staten hebben een geluidbelasting van 48 dB(A) op de gevels als een aanvaardbare waarde gehanteerd, daarmee aansluitend bij de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op dat standpunt konden stellen.

    De waarde van 48 dB(A) wordt volgens het Stab-verslag eerst overschreden bij een etmaalintensiteit van 655 voertuigen, uitgesplitst in 551 lichte, 44 middelzware en 5 zware voertuigen. [appellant sub 1] en anderen hebben deze resultaten niet bestreden. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, hebben provinciale staten in redelijkheid van het berekende aantal voertuigen kunnen uitgaan. Nu de verwachte intensiteiten lager zijn dan de etmaalintensiteiten waarbij nog juist aan de waarde van 48 dB(A) wordt voldaan, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege de IFF-weg behoeft te worden gevreesd. Over het niet meenemen van de extra geluidbelasting vanwege afremmen is in het Stab-verslag vermeld dat zelfs indien hiervoor een toeslag van 1 dB wordt toegepast, niet boven de waarde van 48 dB(A) wordt gekomen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om aan deze conclusie te twijfelen. Het betoog faalt.

15.4.    Over de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat bij de plantoelichting een rapport, gedateerd 16 juni 2016, is gevoegd, waarin de resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek zijn neergelegd. In het rapport is geconcludeerd dat de grenswaarden voor de luchtkwaliteit, zoals die zijn neergelegd in de Wet milieubeheer, niet worden overschreden. [appellant sub 1] en anderen hebben deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Provinciale staten hebben zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat de Wet milieubeheer niet in de weg staat aan de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

Bodemonderzoek

15.5.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat geen bodemonderzoek is gedaan in het kader van de aanleg van de weg op het IFF-terrein. Volgens hen is het terrein vervuild.

    [appellant sub 1] en anderen hebben deze beroepsgrond niet in hun beroepschrift vermeld. Gelet op artikel 1.6a van de Chw dient deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing te blijven.

Gevolgen voor IFF B.V.

16.    IFF B.V. kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer" die aan het oostelijke deel van haar bedrijfsterrein is toegekend. Deze strook is ongeveer 1.150 m2 groot. Zij betoogt dat de parkachtige uitstraling verloren gaat en dat er onvoldoende ruimte overblijft om uitbreidingsplannen uit te voeren. Verder stelt zij dat de begrenzing van het inpassingsplan, voor zover het de IFF-weg betreft, onjuist is, omdat er geen samenhang is tussen de HOV-verbinding en de ontsluiting van het Venetapark.

16.1.    Provinciale staten stellen dat ook na het omvormen van de strook grond tot ontsluitingsweg de parkachtige omgeving van het kantoor van IFF B.V. behouden kan blijven. Verder stellen zij dat IFF B.V. geen concrete uitbreidingsplannen bekend heeft gemaakt.

16.2.    In het hiervoor geldende bestemmingsplan "Over 't Spoor" was aan het perceel van IFF B.V. de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Aan de strook grond waarop de IFF-weg wordt aangelegd was geen bouwvlak toegekend, zodat uitbreiding van het kantoorgebouw bij recht niet mogelijk was. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waren toegestaan.

    Blijkens het Stab-verslag bestaan de uitbreidingsplannen van IFF B.V., voor zover die zien op het deel waar de IFF-weg zal worden aangelegd, uit het aanleggen van parkeerplaatsen. In het Stab-verslag is vermeld dat van het 32.000 m2 grote perceel 1.150 m2 moet worden afgestaan en dat ook met dat verlies nog voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein blijft bestaan. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Voor zover IFF B.V. heeft aangevoerd dat nabijgelegen grond moet worden afgegraven om de weg op maaiveldhoogte aan te leggen en dat onduidelijk is of het plan hierin voorziet, hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat bij het begrenzen van de verkeersbestemming rekening is gehouden met het hoogteverschil en dat binnen de verkeersbestemming ook keerwanden kunnen worden aangelegd. IFF B.V. heeft deze verklaring niet voldoende gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeersbestemming onjuist is begrensd.

    Over het provinciale belang bij de IFF-weg overweegt de Afdeling dat provinciale staten in redelijkheid zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat een samenhang bestaat tussen de onderdoorgang onder de spoorlijn en HOV-verbinding enerzijds en het verminderen van de bereikbaarheid van aan de westzijde van de doorgaande Oosterengweg anderzijds. Zij hebben daarom in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om in een alternatieve ontsluitingsroute te voorzien. Het betoog faalt.

Alternatieven

17.    [appellant sub 1] en anderen, [appellante sub 3] en anderen en IFF B.V. betogen dat alternatieve ontsluitingen mogelijk zijn. Zij wijzen er op dat het dak van de onderdoorgang breder kan worden uitgevoerd zonder dat het verkeer dat daarvan gebruik maakt hinder ondervindt. Op die manier kan een tweerichtingsweg worden aangelegd over het dak. IFF B.V. betoogt dat provinciale staten aan de IFF-weg een tijdelijke bestemming hebben willen toekennen voor de aanlegfase en dat een eenvoudiger alternatieve ontsluiting kan worden aangelegd tussen de twee appartementencomplexen aan de westzijde van Oosterengweg. Tot slot stellen [appellant sub 1] en anderen dat de bebouwing op het perceel Oosterengweg 40 kan worden gesloopt zodat daar meer manoeuvreerruimte ontstaat voor vrachtwagens. Zij wijzen er op dat de eigenaar van het perceel bereid is dit te verkopen.

17.1.    Provinciale staten stellen dat de aangedragen alternatieve ontsluitingsroutes zijn onderzocht en beoordeeld. Een tweerichtingsweg over een breder dak van de onderdoorgang is volgens hen niet mogelijk, omdat de hellingshoek van de onderdoorgang dan te steil wordt. Ook kan zwaar vrachtverkeer niet in twee richtingen over en langs de onderdoorgang rijden omdat daar te weinig ruimte is en er gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Ook de voorgestelde route tussen de appartementencomplexen door is volgens hen onveilig, omdat dit voornamelijk een verblijfs- en parkeergebied is voor de bewoners van de appartementencomplexen. Voorts wijzen zij er op dat tijdens de aanleg van de onderdoorgang zonder IFF-weg de bedrijven in het geheel niet bereikbaar zouden zijn.

18.    Provinciale staten hebben in de reactie op de zienswijze gesteld dat de IFF-weg nodig is in de aanlegfase en de eindfase. Anders dan IFF B.V. ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten van mening zijn geweest dat de IFF-weg tijdelijk moest worden aangelegd en dat daarom een tijdelijke bestemming had moeten worden toegekend. Over de aangedragen alternatieven overweegt de Afdeling dat provinciale staten bij de keuze van een bestemming een afweging moeten maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Provinciale staten hebben de aangedragen alternatieven onderzocht en beoordeeld. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport "Onderzoek alternatieve verkeersafwikkeling Venetapark en effecten Vogelbuurt", gedateerd 16 juni 2016. In het rapport is uiteengezet waarom de aangedragen alternatieven onwenselijk zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de voor- en nadelen van de alternatieven niet in hun belangenafweging hebben betrokken. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat provinciale staten na afweging van de betrokken belangen gelet op de aangedragen alternatieven in redelijkheid niet hadden kunnen kiezen voor de ontsluiting van de bedrijven in zowel de aanlegfase als de eindfase op de manier die thans in het plan is geregeld. Het betoog faalt.

Deelgebied 5, Anna’s Hoeve

19.    Het plan voorziet binnen dit deelgebied in de HOV-verbinding nabij het natuurgebied Anna's Hoeve. Dit gebied ligt direct ten oosten van Hilversum en beslaat een oppervlakte van 46 hectare. De A27 begrenst het natuurgebied aan de oostkant.

    In het plan is aan een strook grond langs de westzijde van de A27 de bestemming "Verkeer - Openbaar vervoer" toegekend. Deze bestemming is eveneens toegekend aan de strook grond langs de spoorlijn Hilversum - Amersfoort. Daar waar de HOV-verbinding in zuidelijke richting het spoor kruist, wordt voorzien in een zogeheten fly-over. Aan de gronden ter plaatse van deze fly-over is tevens de aanduiding "brug" toegekend. Om vanaf het deel van de HOV-verbinding langs het spoor naar het noorden de A27 op te kunnen rijden, moet onder de snelweg worden doorgegaan. In het plan is voor dit deel van de gronden de aanduiding "Overige zone - onderdoorgang A27" toegekend.

    Op een strook grond grenzend aan de noordzijde van het spoor is de bestemming "Verkeer" toegekend. Op deze strook grond zal de verlegde Weg over Anna’s Hoeve worden aangelegd.

    Het plan voorziet tevens in de bestemming "Natuur" voor de gronden ten noorden respectievelijk ten zuiden van de nieuwe Weg over Anna’s Hoeve en de HOV-verbinding, de strook grond ten westen van de A27 en de gronden waar thans de Weg over Anna’s Hoeve ligt. Voorts is voorzien in een ecoduct over het spoor, de verlegde Weg over Anna’s Hoeve en de HOV-verbinding. Aan de gronden ter plaatse van dit ecoduct en de gronden daaromheen is de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend.

20.    Artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels luidt: "De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(...)

d. infrastructurele voorzieningen ten behoeve van verblijf en verplaatsing op deze gronden, waaronder begrepen fiets- en voetpaden;

e. verkeerswegen, ter plaatse van de aanduiding "verkeer" ;

f. geluidwerende voorzieningen, grondwallen en taluds langs wegen".

    Artikel 11 luidt: "De voor "Waarde - Ecologie" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. ecologische verbindingszone;

b. grondwallen, ecoducten en inlooptaluds;

c. behoud, herstel en bevordering van flora en fauna;

d. extensief dagrecreatief medegebruik;

e. faunatunnels, geleidende rasters en - schermen."

    Artikel 13.4 luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "Overige zone - onderdoorgang A27" zijn de gronden mede bestemd voor verkeerswegen met niet meer dan 1 x 2 rijstroken, alsmede een busbaan, in de vorm van een onderdoorgang onder de snelweg A27 en voor het bouwen van de daarvoor benodigde kunstwerken met een hoogte van niet meer dan 12 m."

Alternatief Tergooiboog

21.    De vereniging voert aan dat in deelgebied 5 voor een alternatief tracé had kunnen worden gekozen, namelijk de zogeheten Tergooiboog. Daarbij rijdt de bus via de zuidelijker gelegen Soestdijkerstraatweg en langs het Tergooiziekenhuis. Volgens haar kunnen met dit alternatief veel natuurwaarden worden gespaard.

21.1.    De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van een bestemming een afweging moeten maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Provinciale staten hebben gemotiveerd dat met het aangedragen alternatief de HOV-bussen deels met het overige verkeer moeten meerijden en dat dit een aantasting van de betrouwbaarheid, onder andere met betrekking tot de aansluiting op treinverkeer, met zich brengt. Voorts zullen de bussen een langere afstand moeten afleggen en zal de reistijd met meer dan een minuut toenemen. Onder deze omstandigheden is volgens hen het aangedragen alternatief minder wenselijk dan het thans gekozen tracé langs de spoorlijn. De Afdeling ziet in hetgeen de vereniging heeft aangedragen geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich, gezien de hun toekomende beleidsruimte, niet in redelijkheid op dat standpunt hebben kunnen stellen. Het betoog faalt.

Beschermde natuurmonumenten

22.    De vereniging betoogt dat de aanleg van de HOV-verbinding een toename van de stikstofdepositie in de zes Beschermde Natuurmonumenten, zoals die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit golden, nabij het plangebied met zich zal brengen. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van deze toename. Voorts hadden naar haar mening de gevolgen van de stikstofdepositie vanwege de verbreding van de A27 bij dit plan moeten worden betrokken.

22.1.    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de ecologische effecten van stikstofdepositie ten gevolge van het plan zijn onderzocht. Zij stellen dat de kwaliteit van de aanwezige natuur, zoals heide en grasland, goed en stabiel is. De wezenlijke kenmerken worden duurzaam in stand gehouden. Met het stikstofmodel AERIUS Calculator is bepaald wat de effecten van het plan zijn. Uit de berekening blijkt dat er wel effecten waarneembaar zijn, maar dat die zo gering zijn, dat deze in de praktijk niet tot een merkbaar ecologisch effect zullen leiden. Zij wijzen er op dat gezien de minimale toename van de stikstofdepositie het niet aannemelijk is dat een vergunning op grond van de Nbw 1998 nodig is dan wel, als die nodig is, die niet kan worden verleend.

22.2.    In het rapport "Ecologische effectbepaling HOV in 't Gooi Hilversum" van 27 juni 2016, opgesteld door Tauw, is vermeld welke toenames van stikstof te verwachten zijn in de zes gebieden die als Beschermd Natuurgebied zijn aangewezen. Die toename varieert van 0,07 tot 0,45 mol/ha/jaar. De toename vormt volgens het rapport op zichzelf minder dan 0,1% van de totale achtergronddepositie. In het rapport wordt geconcludeerd dat de toename van stikstofdepositie niet zorgt voor een effect op de wezenlijke kenmerken van de Beschermde Natuurmonumenten en dat er geen vergunningplicht is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998.

22.3.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en Flora- en faunawet (hierna: FFW) ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

22.4.    De vereniging heeft de toename van de stikstofdepositie zoals die is berekend door provinciale staten niet bestreden. Provinciale staten hebben zich, gezien de geringe omvang van deze toename, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, zo er al een vergunning op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 was vereist, niet aannemelijk is gemaakt dat deze vergunning niet zou kunnen worden verleend. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat artikel 16 van de Nbw 1998 aan de uitvoering van het plan in de weg stond. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de gevolgen van de verbreding van de A27 hadden moeten betrekken bij het bepalen van de gevolgen van dit plan, nu de Nbw 1998 hier niet toe verplicht. Voor zover provinciale staten met het oog op een aanvullende toets in het kader van een goede ruimtelijke ordening de toename van stikstof hebben beoordeeld, overweegt de Afdeling dat in het aangevoerde geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet redelijkheid op het standpunt konden stellen dat deze toename zo gering is, dat deze aanvaardbaar kan worden geacht. Voor zover de vereniging ter zitting heeft betoogd dat de voormalige Beschermde Natuurmonumenten voor stikstof gevoelige habitats bevatten en dus net zo beschermd zouden moeten worden als diezelfde habitats voor zover die in Natura 2000-gebieden liggen, overweegt de Afdeling dat de Nbw 1998 hiervoor geen aanknopingspunt bevat. Het betoog faalt.

Lichtuitstraling en geluid

23.    De vereniging betoogt dat de HOV-verbinding een onaanvaardbare lichtuitstraling en geluidbelasting met zich zal brengen in de Beschermde Natuurmonumenten.

23.1.    Provinciale staten stellen dat voor het bepalen van deze effecten door Alterra een onderzoek is uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "HOV Huizen - Hilversum en Natuurbrug Anna’s Hoeve, effectbeschrijving en advies voor mitigatie". Hierin is geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat de breedte van de effectzone van de HOV-verbinding geheel binnen de effectzone van bestaande infrastructuur valt. Voorts hebben provinciale staten aangegeven dat de fly-over zal worden uitgerust met schermen die licht en geluid tegenhouden.

23.2.    In het Stab-verslag is vermeld dat het, gelet op het rapport van Alterra, niet aannemelijk is dat de huidige verstoring van de A27 van het dichtstbij gelegen Beschermde Natuurmonument "Heidebloem", wordt vergroot door het gebruik van de HOV-verbinding. Voorts staat het plan er niet aan in de weg dat op de gronden die liggen tussen het Beschermde Natuurmonument en de gronden met de verkeersbestemming, grondwallen worden aangelegd, waarmee lichtinstraling en geluid kan worden verminderd. De vereniging heeft deze conclusie niet bestreden. Ter zitting hebben provinciale staten voorts aangegeven dat schermen zullen worden aangebracht. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor een onaanvaardbare aantasting als gevolg van licht en geluid in het Beschermde Natuurmonument "Heidebloem" behoeft te worden gevreesd. Het betoog faalt.

Ontheffing beschermde diersoorten

24.    De vereniging betoogt dat in het natuurgebied diverse beschermde diersoorten voorkomen. Voor het verstoren van deze dieren kon volgens hen geen ontheffing worden verleend op basis van de voormalige FFW.

24.1.    Provinciale staten hebben gesteld dat de beschermde diersoorten binnen het plangebied zijn geïnventariseerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Ecologische effectbepaling 2016". Voorts is voor de verstoring van de beschermde diersoorten een ontheffing aangevraagd bij de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris). Ten tijde van het vaststellen van het plan stond niet op voorhand vast dat deze ontheffing niet verleend kon worden, aldus provinciale staten.

24.2.    De Afdeling overweegt dat bij besluit van 10 februari 2017 door de staatssecretaris een besluit is genomen op de aanvraag om de ontheffing. Dat besluit behelst een afwijzing van de aanvraag, omdat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, mits de in dat besluit genoemde maatregelen worden getroffen. Mede in verband hiermee moet worden geoordeeld dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de FFW ten tijde van het vaststellen van het plan niet aan de uitvoering daarvan in de weg stond. Voor zover de vereniging er op heeft gewezen dat in het kader van de bezwaarprocedure een advies is uitgebracht aan de staatssecretaris, overweegt de Afdeling dat in dit advies niet is vermeld dat indien een ontheffing nodig zou zijn, deze niet zou kunnen worden verleend. De Afdeling ziet daarom in het advies geen grond voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand hadden moeten inzien dat geen ontheffing kon worden verleend. Het betoog faalt.

Provinciale verordening

25.    De vereniging betoogt dat de aanleg van de HOV-verbinding in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV). Zij stelt dat diverse cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden aangetast, maar dat de gevolgen daarvan slechts deels worden gemitigeerd door het afwaarderen van de bestaande Weg over Anna’s Hoeve. Volgens haar weegt het afwaarderen van de weg niet op tegen de landschappelijke ingrepen. De vereniging stelt dat artikel 15 van de PRV geen mogelijkheid biedt voor een belangenafweging, maar limitatief is geformuleerd. Uitbreiding in het landelijk gebied is alleen mogelijk indien wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de Leidraad Landschap en cultuurhistorie ten aanzien van de kernkwaliteiten van de landschapstypen en de aardkundige waarden. Nu uit de plantoelichting reeds blijkt dat er een aantasting plaatsvindt die slechts deels wordt gemitigeerd, betekent dit dat het plan in strijd is met artikel 15 van de PRV, aldus de vereniging.

25.1.    Artikel 15, eerste lid, van de PRV luidde ten tijde van het bestreden besluit: "Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12, 13, 13a en 14 in het landelijk gebied, voldoet aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (PS d.d. 21 juni 2010) ten aanzien van:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

    (...)."

    Artikel 1, aanhef en onder ll, van de PRV luidde: "In deze verordening wordt verstaan onder verstedelijking: ontwikkeling van functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover de hiervoor genoemde functies het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken."

    Artikel 8 van de PRV luidde: " In de toelichting van een bestemmingsplan wordt aangegeven in hoeverre rekening is gehouden met de in het gebied, zoals aangegeven op kaart 10 en op de digitale verbeelding ervan, voorkomende bijzondere aardkundige waarden zoals beschreven in het bijlage-rapport Actualisatie Intentieprogramma Bodembeschermingsgebieden (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 12 januari 2004, nr. 68)."

25.2.    De Afdeling stelt vast dat nu het plan voorziet in bovengrondse infrastructuur, gelet op artikel 1, aanhef en onder ll, van de PRV, artikel 15, eerste lid van de PRV van toepassing is. Dit brengt met zich dat de Leidraad van toepassing is. In de Leidraad is het gebied waarin het bestreden deel van het plangebied ligt, aangemerkt als "Aardkundig monument". In hoofdstuk 2.2 van de Leidraad is over aardkundige monumenten gesteld dat deze worden beschermd via de Provinciale Milieuverordening (hierna: PMV). Artikel 6.3 van de PMV biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen voor het aantasten van een aardkundig monument. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het college van gedeputeerde staten ontheffing kan verlenen van het verbod om aardkundige monumenten aan te tasten indien de beoogde handeling het monument minimaal aantast. Anders dan de vereniging betoogt, staat de Leidraad er derhalve niet aan in de weg dat in het kader van het beoordelen of een ontheffing kan worden verleend, een afweging wordt gemaakt. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten ten tijde van het vaststellen van het plan op voorhand hadden moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar was omdat geen ontheffing zou worden verleend. Het betoog faalt.

Strijd met artikel 19 van de PRV

26.    De vereniging betoogt dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 19 van de PRV. Zij voert aan dat ingevolge die bepaling een plan dat in nieuwe activiteiten voorziet in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS, thans: Nationaal Natuurnetwerk, hierna: NNN), alleen kan worden vastgesteld als die activiteiten tot doel hebben de kwaliteit of de kwantiteit van de EHS per saldo te verbeteren. Volgens de vereniging betekent het plan per saldo geen verbetering van de EHS. Zij voert hiertoe de hierna te noemen gronden aan.

26.1.    Artikel 19, eerste lid, luidt: "Voor de gronden aangeduid op kaart 4 en de digitale verbeelding ervan, als Ecologische Hoofdstructuur en als Ecologische Verbindingszone, geldt dat:

a. dat een bestemmingsplan de gronden als "natuur" bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

(...)

c. een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten;

d. een bestemmingsplan het bepaalde in artikel 15 in acht neemt."

    Het tweede lid luidt: "In aanvulling op het eerste lid beschrijft de toelichting van het bestemmingsplan:

a. de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone, zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan;

b. hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd en;

c. hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen."

    Het derde lid luidt: "In afwijking van het eerste en tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in:

a. nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

1. er sprake is van een groot openbaar belang;

2. er geen reële andere mogelijkheden zijn en;

3. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of;

b. een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone per saldo te verbeteren."

26.2.    Ten behoeve van het derde lid is bij besluit van 2 december 2014 een uitvoeringsregeling vastgesteld door het college van gedeputeerde staten, namelijk de "Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland" (hierna: de Uitvoeringsregeling).

    Ter voldoening aan artikel 4 van de Uitvoeringsregeling is een compensatieplan opgesteld, getiteld "Compensatieplan bodem en natuur HOV in ‘t Gooi" van 23 juni 2016. Dit compensatieplan is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.

Verbetering EHS: ecoduct als compensatiemaatregel

26.3.    De vereniging voert in de eerste plaats aan dat de aanleg van het ecoduct niet als compensatiemaatregel als bedoeld in artikel 19, derde lid, mag worden opgevoerd, omdat dit al in het kader van het Meerjarenprogramma Ontsnippering moest worden aangelegd.

26.4.    Het plan voorziet in de eerste planologische regeling die de aanleg van het ecoduct mogelijk maakt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het ecoduct niet als compenserende maatregel zou mogen worden opgevoerd. Dat in het kader van het Meerjarenprogramma de opdracht is gegeven om het ecoduct aan te leggen, maakt op zichzelf niet dat het ecoduct geen compenserende maatregel meer kan zijn in het kader van dit plan. Het betoog faalt.

Verbetering EHS: compensatiegebied Crailo en Uitvoeringsregeling

26.5.    De vereniging betoogt dat het compensatiegebied in Crailo op te grote afstand van het plangebied ligt om als compensatie voor het verlies aan EHS-gebied te kunnen dienen. Als dit gebied wegvalt, ontstaat een negatief saldo voor de compensatie van de EHS. Bovendien dient het gebied waar de compensatie plaatsvindt overeenkomstig artikel 2, lid a, van de Uitvoeringsregeling binnen de EHS te liggen, hetgeen niet het geval is. Voorts voldoet het plan niet aan de eisen in artikel 4 van de Uitvoeringsregeling, omdat geen tijdschema is opgenomen waaruit blijkt dat binnen 2 jaar na de start van de uitvoering de compensatie is gerealiseerd en ook niet is aangegeven op welke momenten het college van gedeputeerde staten de voortgang beoordeelt. Ook ontbreekt een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, aldus de vereniging.

26.6.    In de Uitvoeringsregeling zijn de voorwaarden opgenomen voor de toepassing van de saldobenadering.

    In artikel 2, aanhef en lid a, is vermeld dat uit de plantoelichting bij een bestemmingsplan moet blijken dat de compensatie plaatsvindt in nog niet gerealiseerde delen van de EHS of aansluitend aan al bestaande natuur in de EHS.

    In lid b van het artikel staat dat de compensatie plaatsvindt in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij aantoonbaar is dat dit niet mogelijk is.

    In artikel 4 staat dat de toelichting op een bestemmingsplan een compensatieplan moet omvatten dat aan diverse eisen moet voldoen. Zo dient op grond van het bepaalde onder d het plan een tijdschema voor realisatie van de compensatie te bevatten waaruit blijkt dat initiatiefnemer de compensatie uiterlijk binnen twee jaar na de start van de uitvoering van de compensatieplichtige activiteit realiseert.

    Op grond van het bepaalde in artikel 5 dient een bestemmingsplan een compensatieovereenkomst te bevatten die is aangegaan tussen de initiatiefnemer en de provincie. In dit artikel is een aantal voorwaarden genoemd waaraan die overeenkomst moet voldoen.

    In de toelichting op de Uitvoeringsregeling is vermeld dat artikel 19 van de PRV niet van toepassing is op provinciale inpassingsplannen. Wel geldt dat het NNN en de natuurverbindingen beschermd zijn en dat de genoemde plannen in compensatie dienen te voorzien. Bij het opstellen van de in die plannen voorziene compensatie betrekt het college van gedeputeerde staten deze uitvoeringsregeling.

26.7.    Het compensatiegebied Crailo ligt op 4,8 km ten noorden van de geprojecteerde HOV-verbinding. Het gebied sluit aan op de bestaande EHS.  Provinciale staten hebben aannemelijk gemaakt dat een dichterbij gelegen locatie voor de compensatie niet voorhanden is. Voorts is in de plantoelichting door middel van kaartmateriaal aangegeven dat er binnen het NNN een samenhang bestaat tussen de locatie Crailo en het gebied waar de ingrepen als gevolg van het plan plaatsvinden. Voorts is in de plantoelichting aangegeven dat door inrichtingsmaatregelen en herstructurering van infrastructuur een aaneengesloten natuurgebied ontstaat tussen Anna’s Hoeve en Crailo, zodat het project bijdraagt aan het verbeteren van de Groene Schakel. Verder is ten behoeve van het plan het "Compensatieplan bomen en natuur HOV in ’t Gooi" opgesteld, dat onderdeel is van de bijlagen bij de plantoelichting. In dit compensatieplan is onder meer uiteengezet wat de afname is van het NNN als gevolg van de landschappelijke ingrepen en wat de oppervlakte aan compensatie zal zijn. Blijkens het plan zal na realisatie van de natuurbestemming in Crailo een netto toename van 0,10 ha natuurgebied worden bereikt. Voorts is in paragraaf 3.6 van het compensatieplan de planning van de werkzaamheden weergegeven. Over de compensatieovereenkomst overweegt de Afdeling dat de provincie eveneens de initiatiefnemer is en dat een overeenkomst derhalve niet aan de orde kan zijn. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat bij het opstellen van het plan de hiervoor genoemde artikelen uit de Uitvoeringsregeling onvoldoende zijn betrokken. Het betoog faalt.

Verbetering EHS: ecologische waarde bos

27.    De vereniging voert aan dat bij de compensatie de waarde van de te kappen bomen is onderschat. Deze bomen hebben een hoge leeftijd en zijn daarmee waardevol. Zij wijzen er op dat het bos minstens 130 jaar oud is en zowel cultuurhistorisch als ecologisch als waardevol kan worden aangemerkt. Volgens de vereniging is het gelet op de diverse kenmerken van het bos en de bosbodem niet mogelijk in Crailo een kwalitatief gelijkwaardig bos te realiseren ter compensatie van het te kappen bos en kan daarmee niet aan de Uitvoeringsregeling worden voldaan.

27.1.    In artikel 2, lid d, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat uit de toelichting van een bestemmingsplan moet blijken dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van de EHS de aangetaste wezenlijke kenmerken en waarden compenseren. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat geborgd is dat een kwalitatief gelijkwaardig bos wordt aangelegd, nu op grond van artikel 4, onder b, van de Verordening houtopstanden Noord-Holland bij het herbeplanten de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding moet staan tot het gevelde of tenietgegane. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op artikel 4, onder b, van de Verordening houtopstanden Noord-Holland, artikel 2, lid d, van de Uitvoeringsregeling voldoende bij het opstellen van het plan is betrokken. Het betoog faalt.

Verbetering EHS: versnippering

27.2.    De vereniging voert aan dat de HOV-verbinding zorgt voor een versnippering van de natuurgebieden aan weerszijden van de spoorlijn en de A27. Ook de positieve effecten van het afwaarderen van de Weg over Anna’s Hoeve zijn volgens haar te rooskleurig weergegeven, nu niet is aangetoond dat op deze weg veelvuldig dieren worden doodgereden.

27.3.    Uit bijlage 1 van het rapport "Ecologische effectbepaling HOV in ’t Gooi Hilversum" van 27 juni 2016 is te herleiden dat in de referentiesituatie meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal van de Weg over Anna’s Hoeve gebruik maken. De weg is een 60 km/u-weg. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het afwaarderen van de Weg over Anna’s Hoeve een positief effect heeft op het natuurgebied Anna’s Hoeve en dat dit kan worden betrokken bij de compenserende maatregelen binnen het NNN. Over de versnippering overweegt de Afdeling dat ten oosten van de A27 een natuurgebied van ongeveer 10 ha zal worden doorsneden door de HOV-verbinding die op een afstand van ongeveer 35 m parallel aan de A27 wordt aangelegd. Voorts zal nabij de oostelijke grens van Hilversum een deel van de HOV-verbinding het daar aanwezige bos doorsnijden, waardoor een strook bos van ongeveer 30 m separaat komt te liggen. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat ondanks dat deze smalle stroken natuur door de aan te leggen wegen los komen te liggen van grotere natuurgebieden, het aanleggen van het ecoduct met zich brengt dat de natuurgebieden ten noorden en ten zuiden van de spoorlijn met elkaar worden verbonden. Ook zal met het toekennen van de natuurbestemming aan de Weg over Anna’s Hoeve het natuurgebied Anna’s Hoeve niet langer worden doorsneden. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat over het geheel aan natuurgebieden ten oosten van Hilversum per saldo een verbetering van het NNN optreedt. Het betoog faalt.

Rijksbufferzone

28.    De vereniging stelt dat het plan in een Rijksbufferzone lijkt te liggen. Volgens haar ontbreekt een motivering zoals voorgeschreven in artikel 24, vierde lid, van de PRV en is ten onrechte niet ingegaan op de beleidslijn zoals die op pagina 85 van de Leidraad Cultuurhistorie voor Rijksbufferzones is opgenomen.

28.1.    De Afdeling stelt vast dat het plangebied niet in een door de PRV aangewezen Rijksbufferzone valt. Voorts is in de PRV geen regeling opgenomen voor de bescherming van Rijksbufferzones tegen ontwikkelingen die buiten die Rijksbufferzones vallen. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de PRV. Het betoog faalt.

Slotconclusie beide deelgebieden

29.    Het voorgaande leidt de Afdeling tot de slotsom dat het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De overige beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

30.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de overige beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Van Helvoort

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

361.