Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201603108/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:2587, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603108/1/V2.

Datum uitspraak: 3 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 maart 2016 in zaak nr. 16/3870 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de vreemdeling bij terugkeer naar Afghanistan kan terugvallen op een sociaal netwerk en hij om die reden het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het enkele ontbreken van een sociaal netwerk leidt niet tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), aldus de staatssecretaris.

1.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731, volgt dat humanitaire problematiek als gevolg van een gewapend conflict een schending kan betekenen van artikel 3 van het EVRM. Hoewel een persoon zonder sociaal netwerk in Afghanistan voor problemen kan komen te staan, heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 26 februari 2016 en het voornemen daartoe, evenals in voormelde uitspraak, terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling in Afghanistan geen sociaal netwerk heeft, onvoldoende is om aan te nemen dat hij daardoor een gevaar loopt. De mogelijke problemen die hij als gevolg daarvan kan ondervinden, zijn niet van dien aard dat daarmee is voldaan aan de maatstaf die artikel 3 van het EVRM in dit kader stelt.

De grief slaagt.

2. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 februari 2016 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 maart 2016 in zaak nr. 16/3870;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2017

638-806.