Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
201705800/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705800/1/V3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 in zaak nr. NL17.3543 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 13 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Onder de minister wordt tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

2.    De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 24 april 2017 in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming. De Italiaanse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van de minister op 14 mei 2017 expliciet geaccepteerd. De verantwoordelijkheid van Italië is als zodanig niet in geschil. De rechtbank heeft het besluit van de minister vernietigd omdat niet valt uit te sluiten dat wat betreft Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft zij overwogen dat, nu de vreemdeling in 2016 daags na een overdracht door Zwitserland aan Italië een bevel tot uitzetting heeft ontvangen, niet aannemelijk is dat hij toen de gelegenheid heeft gekregen, en thans na overdracht door Nederland de gelegenheid zal krijgen, om zijn asielmotieven toe te lichten. De rechtbank heeft de minister opgedragen nadere informatie bij de Italiaanse autoriteiten in te winnen.

3.    In zijn grief betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling na de eerdere overdracht door Zwitserland aan Italië is bevraagd omtrent zijn asielmotieven en dat de minister zich ervan dient te vergewissen of de vreemdeling bij overdracht door Nederland zal worden gehoord over zijn asielmotieven. De minister betoogt dat de enkele omstandigheid dat daags na overdracht aan Italië aan de vreemdeling een bevel tot uitzetting is uitgereikt, niet maakt dat de vreemdeling geen gelegenheid heeft gekregen zijn asielmotieven toe te lichten. Of destijds in Italië daadwerkelijk asiel is aangevraagd, is door de vreemdeling niet duidelijk gemaakt. Hij heeft daaromtrent geen stukken ingebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor twijfel dat Italië zich houdt aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus de minister.

4.    Zwitserland heeft de vreemdeling op 31 augustus 2016 overgedragen aan Italië. Het Italiaanse bevel tot uitzetting, gedateerd 1 september 2016, is afgegeven door de Prefect van de Provincie Rome en in persoon aan de vreemdeling overhandigd op dezelfde dag. In dit bevel is vermeld dat na een beoordeling van de status van de vreemdeling is gebleken dat hij onrechtmatig verblijft op het nationaal grondgebied. Voorts is overwogen dat er geen redenen zijn hem een verblijfsvergunning om humanitaire redenen of op andere basis toe te kennen. Vanwege zijn gedrag mag de vreemdeling niet eerder terugkeren op het grondgebied van de Schengenlanden dan nadat vijf jaar zijn verstreken vanaf het moment van zijn daadwerkelijk vertrek. Voorts is vermeld dat tegen het bevel een bezwaarschrift kan worden ingediend bij de Vredesrechter te Rome, binnen dertig dagen na de datum van betekening van de beschikking. Het indienen van een bezwaarschrift doet de werking van het bevel niet teniet. Met een separaat stuk, eveneens gedateerd 1 september 2016, heeft de Hoofdcommissaris van Politie van de Provincie Rome de vreemdeling opgelegd het grondgebied van de staat binnen zeven dagen na betekening te verlaten.

5.    De minister betoogt terecht dat het Italiaans bevel tot uitzetting van 1 september 2016 betrekking heeft op de status van de vreemdeling en geen besluit in een asielprocedure van de vreemdeling inhoudt. Dat in dit bevel is vermeld dat de vreemdeling op 31 augustus 2016 komend vanuit Zwitserland onder Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013, L180; hierna: de Dublinverordening) in Italië is toegelaten, zoals de vreemdeling in de schriftelijke uiteenzetting stelt, is geen aanwijzing dat dit bevel desondanks mede naar aanleiding van een asielaanvraag is gegeven. De vreemdeling heeft voorts niet verklaard dat hij na zijn overdracht door Zwitserland op 31 augustus 2016 in Italië een asielwens heeft geuit. Hij heeft ook geen stukken met betrekking tot een op of na die datum begonnen Italiaanse asielprocedure overgelegd. Daarbij kan hij niet worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn in Zwitserland gedane asielaanvraag geldt als een asielaanvraag die in Italië in behandeling is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289). Ook uit de door de rechtbank in haar oordeel betrokken omstandigheid dat de vreemdeling krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening bij Italië is geclaimd, volgt niet dat daar een asielaanvraag van hem in behandeling is, nu de grondslag van de claim onjuist kan zijn, hetgeen de vreemdeling in de zienswijze op het voornemen ook naar voren heeft gebracht. Daarbij overweegt de Afdeling dat wat betreft de vreemdeling niet is gebleken van registratie in Italië onder een Eurodac-nummer beginnend met een 1. Een dergelijke registratie is gelet op artikel 24, vierde lid, gelezen in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Eurodac-verordening (EU) nr. 603/2013 (PB 2013 L 180) gereserveerd voor personen die verzoeken om internationale bescherming. Voorts valt niet in te zien dat de vreemdeling geen daadwerkelijke kans heeft gehad zijn asielwens in Italië te bevestigen. Het mondeling uiten van een asielwens ten overstaan van de Italiaanse autoriteiten is immers reeds voldoende. Het bevel tot uitzetting stond daaraan niet in de weg. De vreemdeling kon bovendien tegen een dreigende uitzetting uit Italië in rechte opkomen, hetgeen hij naar eigen zeggen ook heeft gedaan. De door de rechtbank betrokken omstandigheid dat het bevel niet de mogelijkheid vermeldt om een verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig te maken, geeft geen aanleiding om ervan uit te gaan dat Italië geen daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een bevel tot uitzetting biedt. De minister heeft daarom terecht in de enkele afgifte van het bevel tot uitzetting geen aanwijzing gezien dat hij ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De rechtbank heeft ten onrechte aanleiding gezien de minister te gelasten bij de Italiaanse autoriteiten nadere informatie op te vragen. De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 juni 2017 alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 in zaak nr. NL17.3543;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bechinka

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2017

371.