Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201707468/1/V3 en 201707468/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 16 augustus 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707468/1/V3 en 201707468/2/V3.

Datum uitspraak: 20 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:

[de vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kinderen, en [de vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2017 in zaken nrs. NL17.7065 en NL17.7067 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 augustus 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 13 september 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven, hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.    De vreemdelingen klagen in de derde grief dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd zonder daarbij de minister te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.

2.1.    De rechtbank heeft in beroep geconstateerd dat de minister in de besluiten van 16 augustus 2017 niet is ingegaan op het beroep van de vreemdelingen op artikel 9 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Pb 2013 L 180; de Dublinverordening) en eerst ter zitting zijn standpunt in dit verband deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, maar heeft afgezien van een proceskostenveroordeling. Gelet op het geconstateerde gebrek, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten.

    De grief slaagt.

3.    Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten te veroordelen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2017 in zaken nrs. NL17.7065 en NL17.7067, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister tot vergoeding van de bij de vreemdelingen met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten te veroordelen;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    wijst het verzoek af;

V.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Gemert

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2017

722.