Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201605667/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4398, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het college aan NSI Development omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van een interne verbouwing in winkelruimten op het perceel Zuiderterras 162 te Rotterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5454
JOM 2017/1104
OGR-Updates.nl 2017-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605667/1/A1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C], wonend te Rotterdam (hierna: [appellanten sub 1]),

2.    NSI Winkels B.V. en NSI Development B.V., gevestigd te Hoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2016 in zaken nrs. 14/8336 en 14/8337 in het geding tussen onder meer:

[appellanten sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het college aan NSI Development omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van een interne verbouwing in winkelruimten op het perceel Zuiderterras 162 te Rotterdam.

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college het door [appellanten sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 9 december 2015 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit op bezwaar van 21 oktober 2014 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 2 februari 2016 heeft het college de motivering van het besluit van 21 oktober 2014 aangevuld.

Bij uitspraak van 14 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellanten sub 1] tegen het besluit van 21 oktober 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] hoger beroep ingesteld. NSI Winkels en NSI Development (hierna: NSI) en het college hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellanten sub 1], NSI en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

NSI en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2017, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. P.A. Visser, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht, NSI, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan voorziet in een inpandige verbouwing van bestaande winkelruimten op de begane grond en verdiepingen in het zuidelijk gedeelte van winkelcentrum Zuidplein. De verbouwing heeft tot gevolg dat in de in dit deel van het winkelcentrum liggende parkeergarage ongeveer 75 parkeerplaatsen zullen vervallen. Na de verbouwing zullen 97 parkeerplaatsen in de parkeergarage overblijven. [appellanten sub 1] zijn bewoners van het aan de parkeergarage grenzende appartementencomplex aan het Zuiderterras. Zij verzetten zich tegen de verleende omgevingsvergunning voor de inmiddels gerealiseerde verbouwing, omdat hierdoor het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de parkeergarage zal afnemen. Zij stellen zich op het standpunt dat het college bij de vergunningverlening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de parkeerplaatsen die bestemd zijn voor de bewoners van het Zuiderterras.

2.    Ter plaatse van het bouwplan gold ten tijde van belang geen bestemmingsplan. Het college stelt zich op het standpunt dat het gehouden was de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) te verlenen, omdat het bouwplan voldoet aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Rotterdam 2010 opgenomen parkeereis en dat zich evenmin andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen.

    Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de parkeerbehoefte van de te verbouwen winkelruimte met twee parkeerplaatsen zal toenemen en dat na realisering van het bouwplan in totaal 55 parkeerplaatsen benodigd zullen zijn. Volgens het college kan ruimschoots in de benodigde parkeerplaatsen worden voorzien, omdat in de parkeergarage 97 parkeerplaatsen beschikbaar zijn.

3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak onder meer overwogen dat voor de beoordeling of de aanvraag voldoet aan de Bouwverordening van belang is of in het verleden met betrekking tot het onderhavige gebouw ten behoeve van (bewoners van) het appartementencomplex een parkeereis is gesteld. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de in het dossier aanwezige stukken niet volstrekt duidelijk is of in het verleden een parkeereis is gesteld met de door [appellanten sub 1] gestelde strekking dat de parkeerplaatsen in de parkeergarage beschikbaar dienen te zijn voor bewoners van het appartementencomplex. De rechtbank is van oordeel dat het college deze gestelde parkeereis niet bij voorbaat geheel buiten de beoordeling heeft mogen laten en dat het besluit daarom niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

    De rechtbank heeft naar aanleiding van de door het college aan het besluit ten grondslag gelegde nadere motivering in de uitspraak van 14 juni 2016 overwogen dat indertijd wel is gesproken over parkeerplaatsen in de parkeergarage ten behoeve van bewoners van het appartementencomplex en dat hierover ook afspraken zijn gemaakt, maar dat die afspraken niet zijn vastgelegd in de in het verleden verleende bouwvergunningen en niet op die wijze publiekrechtelijk afdwingbaar zijn. De rechtbank overweegt dat het college thans afdoende heeft toegelicht dat aan de bouwvergunningen uit 1993 en 1996 niet de parkeereis is verbonden dat 120 parkeerplaatsen voor bewoners van het appartementencomplex zijn bestemd. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning moest worden verleend.

4.    De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Wabo en de Bouwverordening Rotterdam 2010 zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

Belanghebbende

5.    NSI betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten sub 1] belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Hiertoe voert zij aan dat de omgevingsvergunning ziet op louter inpandige werkzaamheden in een gebouw waar [appellanten sub 1] wegens eerdere beëindiging van de huurovereenkomsten ter zake al geruime tijd geen parkeerplaats meer tot hun beschikking hebben. Volgens NSI wordt de door [appellanten sub 1] ondervonden hinder wegens het niet kunnen beschikken over een parkeerplaats in de bewuste parkeergarage niet veroorzaakt door de verbouwing, maar door het feit dat de nieuwe exploitant van de parkeergarage niet bereid is om huurovereenkomsten met hen aan te gaan.

5.1.    Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en rechtstreeks door het besluit wordt geraakt.

5.2.    [appellanten sub 1] zijn eigenaren van appartementen in het appartementencomplex dat grenst aan de te verbouwen winkelruimte en de parkeergarage. Voorheen huurden zij een parkeerplaats in deze parkeergarage, die eigendom is van NSI. De huidige exploitant van de parkeergarage is niet bereid parkeerplaatsen aan de bewoners van het appartementencomplex te verhuren. Naast hun belang als gebruiker van de parkeerplaatsen in de parkeergarage bij behoud van de parkeerplaatsen, hebben [appellanten sub 1] ter zitting van de Afdeling naar voren gebracht dat zij er belang bij hebben dat de volgens hen ter plaatse reeds bestaande problematische parkeersituatie niet zal verslechteren door vermindering van het aantal parkeerplaatsen in de parkeergarage.

    Weliswaar betreft het bouwplan een louter inpandige verbouwing, maar nu dit tot gevolg heeft dat een groot aantal parkeerplaatsen in de parkeergarage komt te vervallen en bovendien de parkeerbehoefte van de te verbouwen winkelruimte - zij het gering - zal toenemen van 53 naar 55 parkeerplaatsen, kan niet worden uitgesloten dat realisering van het bouwplan invloed heeft op de leefomgeving van [appellanten sub 1]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de parkeerdruk in de directe omgeving van de woningen van [appellanten sub 1] kan toenemen door de afname van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de parkeergarage. Zoals [appellanten sub 1] ter zitting van de Afdeling hebben toegelicht, zal daarvan in het bijzonder sprake zijn indien in de nabij gelegen AHOY evenementen plaats vinden. Gelet daarop worden [appellanten sub 1] door de omgevingsvergunning rechtstreeks in hun belangen geraakt. De rechtbank heeft [appellanten sub 1] dan ook terecht als belanghebbenden bij het besluit tot vergunningverlening van 11 juni 2014 aangemerkt.

    Het betoog faalt.

Parkeerbehoefte bouwplan

6.    NSI betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de parkeerbehoefte van de winkelruimte na de verbouwing met twee parkeerplaatsen zal toenemen. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2911, voert zij hiertoe aan dat voor de berekening van de parkeerbehoefte uitsluitend rekening mag worden gehouden met de bedrijfsvloeroppervlakte (hierna: bvo) van de te realiseren winkelruimte. Indien de bvo van het magazijn en de expeditie niet wordt meegerekend, zal de parkeerbehoefte met één parkeerplaats afnemen, aldus NSI.

6.1.    Dit betoog slaagt niet. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college zich gebaseerd op de in de tabel bij Bijlage 1 van de Bouwverordening Rotterdam 2010 opgenomen parkeernorm voor winkels van in dit geval 2,5 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In hetgeen NSI heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de parkeerbehoefte van de bij de winkel behorende opslag- en expeditieruimte niet is verdisconteerd in deze parkeernorm. Dat dat wel het geval was in de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling leidt niet tot dat oordeel. Zoals uit deze uitspraak volgt, was in Bijlage 8 van de Bouwverordening, zoals die destijds luidde, een separate parkeernorm opgenomen voor opslagruimte. In de tabel bij Bijlage 1 van de in dit geval van toepassing zijnde Bouwverordening is met betrekking tot de functie winkelen geen afzonderlijke parkeernorm opgenomen voor bij een winkel behorende functies. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de parkeerbehoefte van de winkelruimte met twee parkeerplaatsen zal toenemen en dat in totaal 55 parkeerplaatsen benodigd zijn.

Hoger beroep van [appellanten sub 1]

7.    [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat, aangezien niet voldaan kan worden aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening opgenomen parkeereis. Hiertoe voeren zij aan dat de parkeerplaatsen die volgens het college moeten voorzien in de parkeerbehoefte van de te verbouwen winkels niet beschikbaar zijn, omdat die parkeerplaatsen bestemd zijn voor bewoners van het appartementencomplex. Hiertoe wijzen zij op artikel 8 van de op de vestiging van erfpacht ziende "Akte vestiging en constatering vervullende opschortende voorwaarde" van 12 juli 1995 en de hierbij als bijlage 4 gevoegde tekening D, waaruit volgt dat parkeergelegenheid aan de bewoners moet worden verschaft.

7.1.    Niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat het college aan de in het verleden voor de winkelruimte verleende bouwvergunningen geen voorschriften of voorwaarden heeft verbonden die ertoe strekken dat de vergunninghouder parkeerplaatsen beschikbaar dient te stellen aan de bewoners van de appartementen aan het Zuiderterras en dat de mogelijk hieromtrent gemaakte afspraken tussen de gemeente en de bewoners derhalve niet publiekrechtelijk afdwingbaar zijn.

    Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de door NSI gevraagde omgevingsvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet deze worden geweigerd. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden, zoals het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering, te weigeren. De door [appellanten sub 1] in dit kader ter zitting van de Afdeling aangehaalde uitspraken van de Afdeling waarin wel is beoordeeld of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan vergunningverlening, hebben betrekking op een met het bestemmingsplan strijdig bouwplan, waarvoor met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan was verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake.

    Voor zover de door [appellanten sub 1] naar voren gebrachte privaatrechtelijke belemmering betrekking heeft op de in artikel 2.10, eerste lid, aanhef onder b, van de Wabo opgenomen weigeringsgrond, begrijpt de Afdeling het betoog van [appellanten sub 1] aldus dat de in de parkeergarage aanwezige parkeerplaatsen vanwege hun aanspraak hierop niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling of aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening vermelde parkeereis is voldaan, zodat het bouwplan in strijd is met de Bouwverordening en zich aldus een weigeringsgrond voor vergunningverlening voordoet.

    De rechtbank heeft in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de 97 in de parkeergarage overgebleven parkeerplaatsen niet in aanmerking heeft kunnen nemen bij de toets aan de Bouwverordening. Nog daargelaten dat het college onweersproken heeft gesteld dat de erfpachtakte geen derdenbeding bevat en derden hieraan aldus geen rechten kunnen ontlenen, kan uit artikel 8 van deze akte en de bij de akte als bijlage 4 gevoegde tekening niet zonder meer worden afgeleid dat de erfpachter van de parkeergarage aan de bewoners van woningen aan het Zuiderterras parkeergelegenheid dient te verschaffen in de parkeergarage. In artikel 8 van de akte van erfpacht is in algemene termen bepaald dat de erfpachter verplicht is een deel van het gebouw te gebruiken voor parkeren en voorts biedt de akte van erfpacht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vermelding "parkeren bewoners" op tekening D in bijlage 4, de door [appellanten sub 1] gestelde betekenis heeft. Nu het college en NSI de door [appellanten sub 1] gegeven uitleg van de akte van erfpacht betwisten en een oordeel hieromtrent van de burgerlijke rechter ontbreekt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de resterende parkeerplaatsen in de parkeergarage niet in aanmerking kon nemen bij de toetsing van het bouwplan aan de Bouwverordening.

    Het college was gehouden de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo te verlenen, nu het bouwplan niet in strijd is met de Bouwverordening en niet is gebleken dat zich andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Voor een nadere afweging van de betrokken belangen was geen plaats. Gelet daarop komt de Afdeling niet toe aan bespreking van hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd over het door de gemeente Rotterdam gevoerde parkeerbeleid.

    Het betoog faalt.

8.    Gelet op vorenstaande is het hoger beroep van [appellanten sub 1] ongegrond.

Incidenteel hoger beroep van het college.

9.    Het college heeft ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellanten sub 1] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellanten sub 1] ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van het college vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt niet toegekomen.

Overige gronden van het incidenteel hoger beroep van NSI

10.    Nu het betoog van [appellanten sub 1] dat het bouwplan niet aan artikel 2.5.30 de Bouwverordening voldoet faalt, behoeft het beroep van NSI op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste geen bespreking.

11.    NSI betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het besluit niet op een goede motivering berust, omdat het college heeft miskend dat na vergunningverlening in beginsel naleving van de in de Bouwverordening neergelegde parkeereis kan worden geëist. Hiertoe voert NSI aan dat de in de Bouwverordening opgenomen parkeereis is uitgewerkt na gereedmelding van het vergunde bouwplan.

    NSI betoogt voorts dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de toets van het bouwplan aan de Bouwverordening de door [appellanten sub 1] gestelde parkeereis voor de woningen in het appartementencomplex niet bij voorbaat geheel buiten de beoordeling heeft mogen laten. Hiertoe voert zij aan dat aan de laatstelijk in het verleden verleende bouwvergunning niet een voorschrift is verbonden dat ertoe strekt dat de parkeerplaatsen in de parkeergarage beschikbaar moeten zijn en blijven voor bewoners van het appartementencomplex en dat een dergelijke eis evenmin anderszins kan blijken uit een bouwvergunning.

11.1.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat zij niet het standpunt van het college volgt dat een parkeereis is uitgewerkt op het moment van gereedmelding van de bouw waarvoor de vergunning is verleend waarin een parkeereis is gesteld. Indien een parkeereis door het college of een rechtsvoorganger van het college is gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank daarvan in beginsel nakoming worden geëist, ook indien aan die eis bij gereedmelding van de bouw was voldaan maar nadien op enig moment niet meer. De Afdeling begrijpt deze overweging aldus dat de rechtbank met de parkeereis het oog heeft gehad op een aan een bouw- of omgevingsvergunning verbonden voorschrift dat ziet op parkeren en niet op de in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening opgenomen parkeereis, zoals NSI veronderstelt. Het betoog mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag.

    Voor de beoordeling of het bouwplan voldoet aan de in de Bouwverordening openomen parkeereis, is van belang of de wegens het bouwplan benodigde parkeerplaatsen feitelijk beschikbaar zijn in, op of onder het gebouw. Nu [appellanten sub 1] naar voren hebben gebracht dat zij aanspraak maken op de in de parkeergarage aanwezige parkeerplaatsen en deze om die reden niet gebruikt kunnen worden ten behoeve van het winkelend publiek, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij de toetsing aan de Bouwverordening niet voorbij heeft kunnen gaan aan deze stelling. Het lag in dit geval op de weg van het college om na te gaan of de beweerdelijke bestaande rechten op de parkeerplaatsen tot strijdigheid met de Bouwverordening zouden leiden. De rechtbank heeft dan ook aanleiding kunnen zien om het college op te dragen om nader onderzoek te doen naar de vraag of in het verleden ten behoeve van bewoners van het appartementencomplex een parkeereis is gesteld.

    Het betoog faalt.

12.    NSI betoogt terecht dat de rechtbank, door te overwegen dat de in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening opgenomen parkeereis ertoe strekt dat de parkeerdruk in het algemeen in de openbare ruimte als gevolg van de omgevingsvergunning niet toeneemt, een te streng criterium heeft gehanteerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4770, strekt artikel 2.5.30 van de Bouwverordening ertoe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om zo parkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen. Nu een toename van de parkeerdruk niet in alle gevallen tot parkeeroverlast zal leiden, heeft de rechtbank een te ruime uitleg gegeven aan de in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening opgenomen parkeereis. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de tussenuitspraak, nu deze uitleg niet van invloed is op de aan de uitspraak van de rechtbank ten grondslag liggende overweging dat met de 97 parkeerplaatsen die na de verbouwing overblijven in de parkeergarage ruimschoots kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van de winkelruimte.

13.    NSI betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de verlening van de voor de herinrichting van de parkeergarage vereiste parkeervergunning goedkeuring van de parkeercommissie benodigd was en dat uit de beschikbare stukken en de nadere motivering van het college is af te leiden dat er indertijd afspraken zijn gemaakt over parkeerplaatsen in de parkeergarage ten behoeve van de bewoners van het appartementencomplex.

13.1.    Dit betoog, wat hiervan ook zij, leidt evenmin tot vernietiging van de einduitspraak. De overweging over de goedkeuring van de parkeercommissie heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning maar op de totstandkoming van een parkeervergunning die los staat van de omgevingsvergunning. NSI heeft dan ook geen belang bij een beoordeling van de door haar tegen dit oordeel voorgedragen beroepsgrond.

    De rechtbank heeft aan haar beslissing ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van publiekrechtelijk afdwingbare afspraken over gebruikmaking van de parkeerplaatsen in de parkeergarage door bewoners van het appartementencomplex. Dat de rechtbank uit de stukken heeft afgeleid dat er indertijd wel afspraken zijn gemaakt over parkeerplaatsen in de parkeergarage ten behoeve van bewoners van het appartementencomplex is niet relevant geweest voor de beslissing van de rechtbank. NSI heeft ook in zoverre geen belang bij een beoordeling van de desbetreffende beroepsgrond.

14.    Gelet op vorenstaande is het incidenteel hoger beroep van NSI ongegrond.

Conclusie

15.    De hoger beroepen van [appellanten sub 1] en van NSI zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Deen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017

604. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2 luidt:

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 8:69a luidt:

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.10 luidt:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

Bouwverordening Rotterdam 2010

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen, luidt:

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw, in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte, bestemd voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen, dan wel, in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en of lossen van goederen, daartoe aanleiding geeft, moet in deze behoefte in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende onbebouwd blijvende terrein in voldoende mate zijn voorzien.

2. Voorschriften met betrekking tot de capaciteit van parkeer- en/of stallinggelegenheid in relatie tot de plaats, de omvang en de bestemming van het gebouw zijn opgenomen in Bijlage 1.

(…).

Bijlage 1

Bijlage als bedoeld in artikel 2.5.30 luidt:

Voorschriften met betrekking tot de capaciteit van parkeergelegenheid in relatie tot de plaats, omvang en de bestemming van gebouwen.

(…)

Artikel 4 Berekening Parkeercapaciteit bij verbouwingen

Bij een verbouwing, niet zijnde sloop/nieuwbouw, waarbij de parkeerdruk toeneemt, wordt het aantal parkeerplaatsen, vereist volgens de in artikel 2, lid 2, bedoelde tabel, verminderd met het aantal parkeerplaatsen dat vereist was of zou zijn voor de verbouwing.