Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201606437/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2015 heeft het college aan vergunninghouder onder meer een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een rundveestal op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6633
AR 2017/5477
JBO 2017/252 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2018/1000
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606437/1/A1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Valkenswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 in zaak nr. 16/471 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2015 heeft het college aan vergunninghouder onder meer een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een rundveestal op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 september 2015 met een aangepaste motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en vergunninghouder hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en vergunninghouder hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2017, waar het college, vertegenwoordigd door H. van Heugten, is verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, gehoord.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 2 november 2011 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van een rundveestal en een mestput op het perceel. Bij uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1553, is deze vergunning onherroepelijk geworden. Het desbetreffende bouwplan is niet gerealiseerd. Op 5 februari 2015 heeft vergunninghouder vergunning gevraagd voor een gewijzigd bouwplan - het betreft wijzigingen aan de inrichting en de indeling van de stal - welke vergunning op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bij besluit van 23 september 2015 is verleend. De stal is overeenkomstig deze vergunning gebouwd. [appellant] woont tegenover de stal en is het niet eens met de vergunningverlening.

2.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

[…]."

    Artikel 2.12 luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

    a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de     beheersverordening:

        1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de             beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

[…]."

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning rekening had moeten houden met artikel 34 van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening Ruimte 2014), op grond waarvan een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. [appellant] stelt dat de omgevingsvergunning ziet op een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen, omdat de bij besluit van 2 november 2011 vergunde mestkelder geen gebouw is. De mestkelder is niet toegankelijk voor personen omdat de roosterbalken alleen kunnen worden verwijderd met een machine. Bovendien is door het gebruik van roosters de mestkelder niet overdekt. Ten slotte is de mestkelder niet onlosmakelijk verbonden met de stal, aldus [appellant].

4.    Artikel 34 van de Verordening Ruimte 2014 luidt:

"1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende voorwaardelijke bepalingen:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij is alleen toegestaan indien:

    I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

[…].

3. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder oppervlakte van bestaande gebouwen in het eerste en tweede lid, verstaan de oppervlakte van de gebouwen die:

[…]

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning;

[…]."

    Op grond van artikel 1.31 wordt onder "gebouw" verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

4.1.    Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is niet in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 6.3, tweede lid, en 7.3, tweede lid, van de Verordening Ruimte 2014. Gelet hierop dient het college rekening te houden met hetgeen is bepaald in artikel 34 van de Verordening Ruimte 2014. Artikel 34 is van toepassing indien sprake is van een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen.

    Het college heeft bij de vergunning van 23 september 2015 een totale oppervlakte van ongeveer 1.190 m2 aan gebouwen vergund. Bij de vergunning van 2 november 2011 is in ieder geval voor 1.130 m2 aan gebouwen vergund. In geschil is of de vergunde mestput ook als gebouw moet worden aangemerkt. De mestput ligt gedeeltelijk onder de rundveestal en gedeeltelijk daarbuiten. Het gedeelte buiten de stal heeft een oppervlakte van ongeveer 60 m2. Indien de mestput als gebouw moet worden aangemerkt, komt het totale oppervlakte aan bestaande gebouwen op ongeveer 1.190 m2, hetgeen zou betekenen dat de vergunning van 23 september 2015 geen toename van de oppervlakte van de al bestaande gebouwen behelst.

4.2.    Voor beantwoording van de vraag of een onderdeel van een bouwplan als zelfstandig bouwwerk kan worden aangemerkt dan wel als onderdeel van een bouwwerk moet worden beschouwd, is van belang of de onderdelen in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3429).

    Bij besluit van 2 november 2011 is vergunning verleend voor een rundveestal met daaronder een mestkelder. Vast staat dat deze stal een gebouw is. De mestkelder bevindt zich grotendeels onder de rundveestal en voor een klein gedeelte daarbuiten. De mest van het vee wordt vanuit de stal direct in de onderliggende mestkelder geschoven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de mestkelder zowel functioneel als bouwkundig één geheel vormt met de rundveestal en daarom onderdeel uitmaakt van die stal. In de stelling van [appellant] dat alleen de mestkelder is gerealiseerd, daargelaten of die stelling juist is, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De oppervlakte van het gebouw beslaat dus de oppervlakte van de rundveestal plus de oppervlakte van het gedeelte van de mestkelder dat zich buiten de stal bevindt. De totale oppervlakte van de bij het besluit van 2 november 2011 vergunde gebouwen komt daarmee op ongeveer 1.190 m2. Gelet hierop behelst de vergunning van 23 september 2015 geen toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen en is artikel 34 van de Verordening Ruimte 2014 niet van toepassing. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een grondgebonden bedrijf. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, toont de Gecombineerde Opgave 2015 voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland volgens hem niet aan dat de inrichting grondgebonden is. Hij wijst er in dat kader op dat niet wordt voldaan aan het beleid van de provincie Noord-Brabant zoals dat is uitgewerkt in de "Nadere regels Verordening Ruimte 2014 - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij".

5.1.    Indien door de vergunningverlening het bedrijf niet langer grondgebonden is, maar moet worden aangeduid als een intensieve veehouderij, bestaat er strijd met artikel 5.2.2, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied", op grond waarvan bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij niet mag worden uitgebreid.

5.2.    Op grond van artikel 1.43 van de planregels wordt onder "grondgebonden agrarisch bedrijf" verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: grondgebonden veehouderij, akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant.

    Op grond van artikel 1.44 wordt onder "grondgebonden veehouderij" verstaan: een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op het houden van vee, waarbij het gebruik van agrarische grond noodzakelijk is voor het functioneren ervan.

    Op grond van artikel 1.52 wordt onder "intensieve veehouderij" verstaan: een niet-grondgebonden agrarisch(e) bedrijf(stak) waarbinnen het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is.

5.3.    De "Nadere regels Verordening Ruimte 2014 - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij" verwijzen voor hun toepassingsbereik naar de artikelen 6.3, 7.3 en 25.1 van de Verordening Ruimte 2014. Ook in de versies die golden ten tijde van het indienen van de aanvraag en het nemen van de besluiten van 23 september 2015 en 5 januari 2016 wordt voor het toepassingsbereik naar die artikelen verwezen. De artikelen 6.3, 7.3 en 25.1 zien op de inhoud van bestemmingsplannen. In artikel 2 wordt onder een bestemmingsplan een aantal plannen, besluiten of vergunningen begrepen, maar niet een omgevingsvergunning als hier in geding, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de "Nadere regels Verordening Ruimte 2014 - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij" niet van toepassing zijn.

5.4.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1553, over de vergunning van 2 november 2011, het oordeel dat de inrichting een grondgebonden agrarisch bedrijf is, bevestigd. De Afdeling heeft daarbij onder meer van belang geacht dat de inrichting ruim 48 hectare grond ter beschikking had.

    Niet in geschil is en uit de bij de rechtbank overgelegde Gecombineerde Opgave 2015 blijkt dat de inrichting op 15 mei 2015 ruim 55 ha, waarvan 53 ha open grond, ter beschikking had. Met de omgevingsvergunning van 23 september 2015 is het toegestane aantal stuks rundvee uitgebreid van 200 naar 215. Door de uitbreiding van het aantal dieren en de beschikbare grond is de verhouding tussen beide niet kleiner geworden ten opzichte van de in 2011 vergunde situatie. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de inrichting nog steeds een grondgebonden bedrijf is en dat vergunningverlening daarom niet in strijd is met artikel 5.2.2, onder c, van de planregels.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017

190-811.