Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201607696/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 27 juli 2015 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast op het perceel [locatie] te Putten wegens het lekken van een mestsilo. Deze beslissing heeft het college bij besluit van 30 juli 2015 op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7553
AB 2018/122 met annotatie van T.N. Sanders
JBO 2017/244 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2017/1102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607696/1/A1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Putten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

Procesverloop

Op 27 juli 2015 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast op het perceel [locatie] te Putten wegens het lekken van een mestsilo. Deze beslissing heeft het college bij besluit van 30 juli 2015 op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college [appellant] naar aanleiding van het lekken van de mestsilo op het perceel onder aanzegging van bestuursdwang gelast om binnen twee uur maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om herhaling of de gevolgen van dit ongewone voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Daarbij heeft het college vermeld dat indien bestuursdwang wordt toegepast de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college zijn beslissing om op 30 juli 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door de openstaande kraan in de mestsilo op het perceel dicht te draaien, de op het perceel aanwezige installatie te verzegelen en cameratoezicht in te stellen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

Bij besluit van 5 januari 2016, verzonden op 13 juni 2016, heeft het college de door [appellant] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het college de door [appellant] in verband met de spoedeisende bestuursdwang van 27 juli 2015 verschuldigde kosten vastgesteld op € 1884,05.

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college de door [appellant] in verband met de spoedeisende bestuursdwang van 30 juli 2015 verschuldigde kosten vastgesteld op € 8888,66.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college de door [appellant] verschuldigde kosten in verband met de bij besluit van 28 juli 2015 aangezegde bestuursdwang vastgesteld op € 44.329,44.

Tegen het besluit van 5 januari 2016 alsmede de besluiten van 6, 7 en 19 januari 2017 heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2017, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A. Hofman, advocaat te Barneveld, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Stokreef en ing. P. Hennekeij, zijn verschenen.

Overwegingen

De bestuursdwangbesluiten

Inleiding

1.    Op het perceel bevindt zich een kleinschalige biogasinstallatie, primair ten behoeve van de (warm)watervoorziening van het op enige afstand gelegen openbaar zwembad. Tot deze inrichting behoren twee mestsilo’s met bijbehorend ondergronds leidingwerk en een opvangput voor mest.

2.    Op 27 juli 2015 heeft [appellant] conform artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer gemeld dat één van de mestsilo’s op het perceel lekkage vertoonde. Het college heeft vervolgens geconstateerd dat het gasdak van die mestsilo was ingezakt door het losraken van een ventilatiebuis die er voor zorgt dat het gasdak op druk blijft. Door het ingezakte gasdak en het daarin opgehoopte regenwater is druk uitgeoefend op de in de mestsilo opgeslagen mest. Mede als gevolg van deze druk is de mestsilo ter hoogte van de doorvoeren van de roerwerken gaan lekken. Langs de silo en op het terrein van de inrichting is mest en/of digestaatmengsel op de bodem terecht gekomen.

    Nu [appellant] geen maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om herhaling of de gevolgen van dit ongewone voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, de nadelige gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken alsmede gezien de mededeling van [appellant] dat hij geen maatregelen zal nemen, heeft [appellant] volgens het college in strijd gehandeld met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. Omdat de toenemende drukopbouw in de silo ten gevolge van het ongewone voorval een zodanige bedreiging voor het milieu vormde, heeft het college op 27 juli 2015 direct ingegrepen door middel van de inzet van een mobiele kraan waardoor het opgehoopte regenwater uit het ingezakte gasdak kon worden opgezogen en het gasdak weer op druk kon worden gebracht door de ventilatiebuis te bevestigen.

    Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het college zijn beslissing om op 27 juli 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen op het perceel op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

3.    Het college heeft vervolgens op 28 juli 2015 een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat door [appellant] geen maatregelen zijn getroffen om herhaling of de nadelige gevolgen van het op 27 juli 2015 plaatsgevonden ongewoon voorval te voorkomen of te beperken en ongedaan te maken. Met de op 27 juli 2015 toegepaste spoedeisende bestuursdwang was de overstroomde mest nog niet opgeruimd en nieuwe overstromingen dienden te worden voorkomen, aldus het college. In de last van 28 juli 2015 is daarom besloten dat [appellant] binnen twee uur uitvoering dient te geven aan de last door het peil van de mest en/of digestaatmengsel in de lekkende mestsilo tot ruim onder het punt van de doorvoeren van de roerwerken te verlagen en het peil zodanig laag te houden dat overstroming van de mestsilo ter hoogte van de doorvoeren van de roerwerken wordt voorkomen alsmede door de uit de lekkende silo vrijgekomen mest en/of digestaatmengsel van de bodem en uit de mestkelder bij de lekkende silo te verwijderen en het als gevolg van het verwijderen vrijgekomen materiaal op te ruimen. Indien niet aan de last wordt voldaan gaat het college over tot het dusdanig legen van de lekkende silo dat het peil van de mest en/of digestaatmengsel zich onder het punt van de doorvoeren van de roerwerken bevindt, zodat zich niet opnieuw een ongewoon voorval kan voordoen. De mest en/of digestaatmengsel zal uit de silo, van de bodem en uit de mestkelder in extra mestzakken of andere opslagmogelijkheden worden overgebracht. In het besluit heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald. De mestsilo is uiteindelijk in opdracht van het college gedeeltelijk leeg gepompt.

4.    Op 30 juli 2015 is door een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat het niveau in de op 29 juli 2015 gedeeltelijk geleegde mestsilo met 3 tot 4 centimeter was gestegen. Middels het kijkvenster in de mestsilo en na bestudering van de technische tekening van de mestsilo is vastgesteld dat via een openstaande kraan water in de lekkende mestsilo stroomde. Voorts bestond bij het college het vermoeden dat de silo van buitenaf werd gevuld. Onder deze omstandigheden was volgens het college het risico op herhaling van het ongewoon voorval groot. Daarom heeft het college op 30 juli 2015 besloten op grond van onder meer de artikelen 5.7, 5:28 en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) spoedeisende bestuursdwang toe te passen door het onmiddellijk dichtdraaien van de openstaande kraan, en, om vulling van de silo van buitenaf te voorkomen, het verzegelen van de beide binnen de inrichting aanwezige mestsilo’s inclusief aansluitingen en kranen alsmede het instellen van cameratoezicht op basis van een bewegingsdetectiesysteem via het bedrijf BouWatch Tijdelijke Beveiliging te Assen. Hierdoor wordt volgens het college voorkomen dat [appellant] in strijd dreigt te handelen met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. Deze beslissing is op 5 augustus 2015 op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de hieraan verbonden kosten op [appellant] worden verhaald.

5.    De hiervoor vermelde besluiten zijn bij besluit op bezwaar van 5 januari 2016 in stand gelaten.

Regelgeving

Artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt:

"Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om herhaling of de gevolgen van dat voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken."

Spoedeisende bestuursdwang van 27 juli 2015, op schrift gesteld op 30 juli 2015

6.    [appellant] betoogt dat de door het college op 27 juli 2015 uitgevoerde spoedeisende bestuursdwang niet noodzakelijk was ter voorkoming van een milieubedreigende situatie. Nu niet concreet is vastgesteld dat het ingevallen regenwater in het gasdak de overstroming veroorzaakte en nadien is gebleken dat door een openstaande kraan in de mestsilo water werd toegevoegd aan de silo, is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.

6.1.    In het besluit van 30 juli 2015 is door het college uiteengezet wat een toezichthouder van de gemeente Putten op 27 juli 2015 op het perceel heeft geconstateerd, zoals hiervoor onder 2 is weergegeven, en dat dit een spoedeisende situatie opleverde die direct optreden noodzakelijk maakte. Dat nadien bleek dat er in de desbetreffende mestsilo ook een kraan openstond, waardoor water aan de mest werd toegevoegd, maakt de situatie zoals het college die op 27 juli 2015 ter plaatse heeft aangetroffen niet minder spoedeisend. Het college heeft zich gelet op de druk op de mest vanwege het ingezakte en met regenwater volgelopen gasdak op het standpunt kunnen stellen dat dit op 27 juli 2015 mede de oorzaak was van het lekken van de mestsilo.

    Het betoog faalt.

De last onder bestuursdwang van 28 juli 2015

7.    [appellant] heeft ter zitting de beroepsgrond gericht tegen de last onder bestuursdwang van 28 juli 2015, inhoudende dat het college door het opleggen van deze last in strijd heeft gehandeld met artikel 5:6 van de Awb, ingetrokken.

8.    [appellant] betoogt dat het college een te korte begunstigingstermijn aan de last onder bestuursdwang van 28 juli 2015 heeft verbonden. Het was voor hem onmogelijk om binnen twee uur aan de last te voldoen. Nu er geen toereikende begunstigingstermijn is gegeven, dient volgens [appellant] de last onder bestuursdwang te worden herroepen voor zover daarbij is bepaald dat de kosten van bestuursdwang op hem zullen worden verhaald.

8.1.    Artikel 5:24, tweede lid, van de Awb luidt: "De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd".

8.2.    Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Echter, bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag voorts niet korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.

8.3.    In het besluit van 28 juli 2015 zijn de maatregelen opgenomen die [appellant] moet treffen om aan de last te kunnen voldoen alvorens het college zelf tot het treffen van die maatregelen over gaat en de daarvoor gemaakte kosten verhaalt op [appellant]. Gelet op de aard van deze maatregelen, zoals hiervoor onder 2 weergegeven, acht de Afdeling een begunstigingstermijn van twee uur om de desbetreffende maatregelen te treffen ontoereikend. Het college heeft ter zitting ook erkend dat de in het besluit gegeven begunstigingstermijn van twee uur te kort was om aan de last onder bestuursdwang te voldoen. Gelet op het vorenstaande heeft het college niet in redelijkheid een begunstigingstermijn van twee uur aan de last onder bestuursdwang van 28 juli 2015 kunnen verbinden.

    Nu de gestelde begunstigingstermijn te kort was en in een nieuw besluit op bezwaar niet alsnog een nieuwe begunstigingstermijn kan worden gesteld omdat het college reeds uitvoering heeft gegeven aan het besluit van 28 juli 2015, betoogt [appellant] terecht dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang redelijkerwijs niet op hem kunnen worden verhaald.

    Het betoog slaagt.

Spoedeisende bestuursdwang van 30 juli 2015, op schrift gesteld op 5 augustus 2015

9.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Nu de kraan in de desbetreffende mestsilo was dichtgedraaid en gezien de stijging van het niveau van de mest in de mestsilo met 3 á 4 cm gedurende 16 uur, bestond er geen gefundeerde aanwijzing voor nog een andere van buiten komende oorzaak voor de stijging van het niveau van de mest. Evenmin was sprake van een gefundeerde aanwijzing dat de kraan opzettelijk was opengedraaid en weer opengedraaid zou kunnen worden. Het had volgens [appellant] op de weg van het college gelegen om na het dichtdraaien van de kraan nogmaals te controleren of het niveau van de mest in de silo was gestegen en of de kraan nog dicht was. Niet valt in te zien waarom een dergelijke controle niet kon worden afgewacht. Onder deze omstandigheden bestond volgens hem geen spoedeisend belang bij het instellen van permanent en kostbaar cameratoezicht, zodat de kosten voor het instellen van cameratoezicht niet op hem kunnen worden verhaald.

9.1.    Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] niet betwist dat de desbetreffende kraan open stond en dat het dichtdraaien van de openstaande kraan spoedeisend was. Ook betwist [appellant] niet de verzegeling van de mestsilo’s, inclusief aansluitingen en kranen, door het met waarschuwingslint afzetten van het gedeelte terrein waarop de mestsilo’s zich bevinden.

    Daargelaten of de op 30 juli 2015 door toezichthouders van de gemeente op het perceel aangetroffen situatie aanleiding kon geven tot preventief optreden op grond van artikel 5:7 van de Awb, bestond er naar het oordeel van de Afdeling op dat moment geen spoedeisend belang bij het terstond toepassen van bestuursdwang door het instellen van cameratoezicht. Het aan deze spoedeisende bestuursdwang ten grondslag gelegde vermoeden dat de desbetreffende mestsilo van buitenaf wordt gevuld, is niet met feiten onderbouwd. Bovendien is het enkele vermoeden van een oorzaak van buitenaf, onvoldoende voor het oordeel dat de situatie zodanig spoedeisend is dat dit direct optreden door het college vergt. Dat de mestsilo eerder meerdere keren is volgelopen, maakt evenmin dat er een spoedeisend belang bestond bij het instellen van cameratoezicht. Daarbij is van belang dat het gasdak van de mestsilo ten tijde van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op 30 juli 2015 reeds was hersteld en de kraan in de mestsilo was dichtgedraaid, waarbij is geconstateerd dat het borrelen in de mestsilo stopte, zodat er in zoverre geen aanwijzingen bestonden dat de mestsilo nogmaals zou vollopen en gaan lekken met wederom een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer tot gevolg. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling de aan de spoedeisende bestuursdwang verbonden maatregel tot het instellen van cameratoezicht te vergaand, mede gelet op de kosten die daarmee gepaard gaan. Dit betekent voorts dat de kosten voor het instellen van cameratoezicht niet op [appellant] kunnen worden verhaald.

    Het betoog slaagt.

Conclusie bestuursdwangbesluiten

10.    Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 5 januari 2016, voor zover het ziet op het besluit van 30 juli 2015, waarbij het zijn beslissing om op 27 juli 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen op schrift heeft gesteld, ongegrond is.

    Het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 5 januari 2016, voor zover het ziet op de besluiten van 28 juli 2015 en 5 augustus 2015, waarbij het zijn beslissing om op 30 juli 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen op schrift heeft gesteld, is gegrond.

    Het besluit van 5 januari 2016 dient, voor zover het betreft het besluit van 28 juli 2015, te worden vernietigd. Nu evenwel vast staat dat het college ter zake bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden, bestaat gelet daarop naar het oordeel van de Afdeling slechts aanleiding het besluit van 28 juli 2015 te herroepen, voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang op [appellant] worden verhaald. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1268.) De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

    Het besluit op bezwaar van 5 januari 2016 dient voorts te worden vernietigd, voor zover het betreft het besluit van 5 augustus 2015. De Afdeling ziet gelet op hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen aanleiding het besluit van 5 augustus 2015 te herroepen, voor zover daarbij is bepaald dat het uitvoeren van de spoedeisende bestuursdwang het instellen van cameratoezicht op basis van een bewegingsdetectiesysteem via het bedrijf ‘BouWatch Tijdelijke Beveiliging’ te Assen omvat en voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, voor zover dat ziet op het instellen van voormeld cameratoezicht, op [appellant] worden verhaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De kostenbeschikkingen

11.    Bij besluiten van 6, 7 en 19 januari 2016 heeft het college de door [appellant] verschuldigde kosten vastgesteld in verband met de spoedeisende bestuursdwang van 27 juli 2015 onderscheidenlijk 30 juli 2015 alsmede van de bij besluit van 28 juli 2015 aangezegde bestuursdwang.

12.    Artikel 5:25 van de Awb luidt:

"1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.

5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.

6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast."

13.    Artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb luidt:

"Het beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist."

14.    Het betoog van [appellant] over het besluit van 19 januari 2016 slaagt, reeds gelet op hetgeen hiervoor onder 8.3 en 10 is overwogen. Aan de overige beroepsgronden inzake de kostenbeschikking van 19 januari 2016 wordt derhalve niet toegekomen.

15.    Het betoog van [appellant] over het besluit van 7 januari 2016 slaagt, gelet op hetgeen hiervoor onder 9.1 en 10 is overwogen, voor zover het ziet op het instellen van cameratoezicht.

16.    [appellant] betoogt dat voorbereidingskosten die gemaakt zijn na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet op hem kunnen worden verhaald en dat het college de in rekening gebrachte ambtelijke uren niet nader heeft onderbouwd.

16.1.    De Afdeling zal mede gelet op hetgeen hiervoor onder 14 en 15 is overwogen dit betoog slechts beoordelen, voor zover het betreft de besluiten van 6 en 7 januari 2016.

16.2.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0587, inzake de kosten van voorbereiding van bestuursdwang gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:25, derde lid, van de Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101) waarin - samengevat weergegeven - staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund omdat de uitoefening van bestuursdwang spoedeisend is, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan. Deze situatie doet zich hier voor aangezien het college de situatie op 27 juli en 30 juli 2015 zo spoedeisend heeft geacht dat een besluit niet kon worden afgewacht maar achteraf met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb is bekend gemaakt. Het college heeft derhalve de kosten van voorbereiding van deze bestuursdwang niet op [appellant] mogen verhalen. Bovendien heeft het college de in de kostenbeschikkingen vermelde ambtelijke uren niet toegelicht.

    Het betoog slaagt.

17.    [appellant] betoogt dat uit de kostenbeschikkingen van 6 en 7 januari 2016 niet blijkt wat het verband is tussen de verrichte werkzaamheden en de uitgevoerde bestuursdwang en of die werkzaamheden noodzakelijk waren voor de toepassing van bestuursdwang.

17.1.    Ten aanzien van de kostenbeschikking van 6 januari 2016 overweegt de Afdeling dat gelet op hetgeen hiervoor onder 16.2 is overwogen slechts de kosten, die in de bijlage bij de kostenbeschikking zijn aangeduid met de nrs. 151504053 en 151504907 met een bedrag van in totaal € 312,64, dienen te worden beoordeeld. De Afdeling acht voldoende aannemelijk dat deze kosten, die zien op de huur en aan- en afvoer van een roterende verreiker alsmede het aansluiten van een stroomvoorziening, verband houden met het ontdoen van het ingezakte gasdak van ingevallen regenwater en het weer op druk brengen daarvan.

    Ten aanzien van de kostenbeschikking van 7 januari 2016 overweegt de Afdeling dat gelet op hetgeen hiervoor onder 9.1, 10 en 16.2 is overwogen slechts de kosten, die in de bijlage bij de kostenbeschikking zijn aangeduid met nr. 151504053 ‘advies vergister’ met een bedrag van € 580,36, dienen te worden beoordeeld. Blijkens de bij de kostenbeschikking behorende factuur is het advies gevraagd op 28 juli 2017. De kostenbeschikking van 7 januari 2016 ziet echter op de op 30 juli 2017 uitgevoerde spoedeisende bestuursdwang, zoals deze op 5 augustus 2016 op schrift is gesteld. Uit dat besluit blijkt niet dat voor de op 30 juli 2017 uitgevoerde spoedeisende bestuursdwang advies is gevraagd dan wel nodig was. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze kosten in redelijkheid niet op [appellant] kunnen worden verhaald.

    Het betoog slaagt.

18.    [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college niet in redelijkheid de kosten van bestuursdwang op hem kan verhalen, ingetrokken.

Conclusie kostenbeschikkingen

19.    Het beroep tegen de besluiten van 6, 7 en 19 januari 2016 is gegrond.

    Het besluit van 6 januari 2016 dient, gelet op overweging 16.2, te worden vernietigd, voor zover op [appellant] meer dan € 312,64 aan kosten van de toepassing van bestuursdwang is verhaald. Dit betekent dat op [appellant] € 312,64 aan kosten van de toepassing van bestuursdwang kan worden verhaald en dat de kosten die betrekking hebben op de ambtelijke uren, die blijkens het bij het besluit van 6 januari 2016 opgenomen kostenoverzicht neerkomen op een totaalbedrag van € 1571,41, niet kunnen worden verhaald.

    Het besluit van 7 januari 2016 dient, gelet op de overwegingen 9.1, 10, 15, 16.2 en 17.1, in zijn geheel te worden vernietigd.

    Het besluit van 19 januari 2016 dient, gelet op de overwegingen 8.3, 10 en 14, in zijn geheel te worden vernietigd.

20.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 januari 2016 alsmede tegen de besluiten van 6, 7 en 19 januari 2016 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 5 januari 2016, kenmerk 417055, voor zover het ziet op de besluiten van 28 juli 2015 en 5 augustus 2015;

III.    herroept het besluit van 28 juli 2015, voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang op [appellant] worden verhaald;

IV.    herroept het besluit van 5 augustus 2015, voor zover daarbij is bepaald dat het uitvoeren van spoedeisende bestuursdwang het instellen van cameratoezicht op basis van een bewegingsdetectiesysteem via het bedrijf ‘BouWatch Tijdelijke Beveiliging’ te Assen omvat en voor zover daarbij is bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, voor zover dat ziet op het instellen van voormeld cameratoezicht, op [appellant] worden verhaald;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 6 januari 2016, voor zover op [appellant] meer dan € 312,64 aan kosten van de toepassing van bestuursdwang is verhaald, van 7 januari 2016 en van 19 januari 2016;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Putten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Putten aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Montagne

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017

374.