Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201607524/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2016 heeft het college zijn beslissing om op 23 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang tot een bedrag van € 160,00 voor rekening van [appellant] komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/1007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607524/1/A1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft het college zijn beslissing om op 23 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang tot een bedrag van € 160,00 voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, het bedrag van het gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang dat wordt verhaald verlaagd naar € 126,00 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, is verschenen.

    Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 23 maart 2016 op de Beeklaan, ter hoogte van nummer 318, te Den Haag is aangetroffen naast de daar aanwezige inzamelvoorziening. Omdat op de doos een adresdrager/adressticker met daarop de naam- en adresgegevens van [appellant] is aangetroffen, is het college ervan uitgegaan dat de doos van [appellant] afkomstig is, dat hij deze in strijd met de Afvalstoffenverordening anders dan in de daarvoor aangewezen inzamelvoorziening heeft aangeboden en dat de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op hem als overtreder kunnen worden verhaald. Nu bij besluit van 7 april 2016 per abuis de kosten die zijn verbonden aan de uitoefening van bestuursdwang voor een tweede overtreding in rekening zijn gebracht, heeft het college, omdat sprake is van een eerste overtreding, deze kosten bij het bestreden besluit teruggebracht naar € 126,00.

2.    [appellant] betoogt dat de kosten van bestuursdwang hem redelijkerwijs niet of niet geheel in rekening kunnen worden gebracht. Hij voert hiertoe aan dat de manier waarop door de gemeente informatie wordt verstrekt over tijdelijk onbruikbare inzamelvoorzieningen erg te wensen overlaat. Bovendien zijn de containers vaak vol.

2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4488), kan voor het maken van een uitzondering op het beginsel van kostenverhaal onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen.

2.2.    Het college heeft in het bestreden besluit erop gewezen dat op 29 februari 2016 door de gemeente een bewonersbrief is verstuurd. Anders dan [appellant] betoogt, wordt in deze brief duidelijk aangekondigd dat in verband met de werkzaamheden aan de riolering een andere manier van inzamelen van het huisafval zal plaatsvinden. Daarbij is ook een bijlage met een kaartje meegestuurd, waarop de huisvuilaanbiedplaatsen in de buurt zijn weergegeven. Dat [appellant] deze brief mogelijk niet goed heeft gelezen, dan wel dat brieven van de gemeente waarin informatie over huisvuil wordt verschaft veelal ongeadresseerd zijn en onopgemerkt tussen reclamemateriaal terecht kunnen komen, komt voor het risico van [appellant]. Nu het college via deze brief kenbaar heeft gemaakt dat de manier waarop huisafval wordt ingezameld, tijdelijk is gewijzigd, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Ook de stelling van [appellant] dat de containers vaak vol zijn en dat dit overlast veroorzaakt, leidt niet tot het oordeel dat kostenverhaal in dit geval achterwege had moeten blijven. Deze omstandigheden ontslaan [appellant] niet van de verplichting om zijn huisvuil op juiste wijze ter inzameling aan te bieden. Het college heeft dan ook de kosten voor verwijdering van de doos in redelijkheid op hem kunnen verhalen. Dat het besluit op bezwaar enige tijd op zich liet wachten, maakt dat, wat daar ook van zij, niet anders.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017

374-842.