Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201701703/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 april 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] te kennen gegeven geen aansprakelijkheid te aanvaarden voor de door [appellant] gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701703/1/A2.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 februari 2017 in zaak nr. 16/1673 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij brief van 26 april 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] te kennen gegeven geen aansprakelijkheid te aanvaarden voor de door [appellant] gestelde schade.

Bij besluit van 20 juni 2016 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zich voor het overige onbevoegd verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1.    De Nationale Ombudsman heeft in een rapport van 19 oktober 2011 vastgesteld dat de staatssecretaris zich onbehoorlijk heeft gedragen tegenover [appellant]. Het onbehoorlijke gedrag betreft het niet informeren van [appellant] over een advies dat een medisch adviseur op 16 oktober 2009 over de gezondheidssituatie van [appellant] heeft uitgebracht, het niet verzenden van een nieuwe oproep aan [appellant] om zich te melden voor het uitzitten van zijn gevangenisstraf, terwijl dit hem wel was toegezegd, en het slordig omgaan met de brieven van [appellant] van 5 en 7 april 2010, waarin hij schrijft uitstel te hebben gekregen voor het uitzitten van zijn straf.

2.    Bij brieven van 11 en 18 april 2016 heeft [appellant], onder verwijzing naar het rapport van de Nationale Ombudsman, een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de staatssecretaris.

3.    In zijn brief van 26 april 2016 geeft de staatssecretaris [appellant] te kennen dat hij bij herhaling, voor het laatst in een brief van 29 december 2015, kenbaar heeft gemaakt geen aansprakelijkheid te aanvaarden voor de door [appellant] gestelde schade en dat hij niet meer op brieven over dit onderwerp zal reageren. De reden dat de staatssecretaris toch reageert op de brieven van [appellant] van 11 en 18 april 2016, is dat [appellant] hierin stelt dat hij in een verkeerde inrichting is geplaatst en dat hij in aanmerking zou zijn gekomen voor elektronische detentie.

4.    Aan zijn besluit van 20 juni 2016 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat zijn brief van 26 april 2016 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Verder wijst de staatssecretaris erop dat de rechtbank Overijssel in haar uitspraak van 7 april 2016 in zaak nr. 16/180 de gedragingen waarvan de Nationale Ombudsman in zijn rapport van 19 oktober 2011 melding maakt heeft betrokken. Volgens de rechtbank vallen de gedragingen waarover de Nationale Ombudsman heeft gerapporteerd onder artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb. Deze uitspraak staat in rechte vast. Ingeval [appellant] zich niet wil neerleggen bij de weigering van de staatssecretaris om aan hem een schadevergoeding toe te kennen, rest hem, zoals de staatssecretaris [appellant] ook op 23 en 29 december 2015 te kennen heeft gegeven, een gang naar de burgerlijke rechter. [appellant] dient dan de Staat te dagvaarden, aldus de staatssecretaris.

5.    [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank de staatsecretaris in haar uitspraak van 22 februari 2017 ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de gedragingen die in het rapport van de Nationale Ombudsman als onbehoorlijk zijn aangemerkt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris gehouden was een besluit te nemen op zijn verzoek om een schadevergoeding, omdat het een bestuursrechtelijke kwestie betreft. De rechtbank had de staatssecretaris verder een dwangsom of een boete moeten opleggen vanwege het niet nemen van een besluit, aldus [appellant].

5.1.    De drie gedragingen waarover de Nationale Ombudsman heeft gerapporteerd hebben plaatsgevonden in 2009 en 2010. Uit artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten volgt dat, omdat het handelen plaatsvond vóór 1 juli 2013, op het verzoek van [appellant] het oude recht van toepassing is. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat alleen bezwaar en beroep openstaat tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding als het schadeveroorzakend handelen of nalaten moet worden aangemerkt als besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762). Dit is niet het geval, omdat, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, de drie gedragingen waarover de Nationale Ombudsman heeft gerapporteerd onder het bereik van artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb vallen. Volgens deze bepaling zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er bestaat dan ook geen grond voor het opleggen van een dwangsom of een boete. Hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd kan hem niet baten. Met de staatssecretaris en de rechtbank wijst de Afdeling [appellant] erop dat hij zich tot de burgerlijke rechter kan wenden om de vordering die hij meent te hebben op de staatssecretaris ter beoordeling voor te leggen.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Altena    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017

735.