Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201702914/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:3186, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702914/1/V1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 maart 2017 in zaak nr. 17/4539 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 29 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de aanvraag van de vreemdeling afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

Ontvankelijkheid

2.    Aan de aangevallen uitspraak is een rechtsmiddelenclausule toegevoegd, waarin een hogerberoepstermijn van vier weken is vermeld. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2079, volgt dat, nu de minister het hoger beroep binnen de termijn van vier weken heeft ingesteld, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de minister in verzuim is geweest. Het betoog van de vreemdeling dat het hoger beroep van de minister wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk is, faalt om die reden.

Inleiding

3.    De vreemdeling heeft de Tunesische nationaliteit en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn broer bij een ruzie iemand op zijn hoofd heeft geslagen en deze persoon als gevolg daarvan is komen te overlijden. De vreemdeling vreest dat de familie van die persoon zich wil wreken en hem zal vermoorden.

    De minister heeft deze aanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst en niet aannemelijk heeft gemaakt dat Tunesië voor hem niet veilig is.

    De rechtbank heeft de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst onverbindend verklaard, het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 februari 2017 vernietigd en bepaald dat de aanvraag wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

     De vreemdeling heeft geen hoger beroep ingesteld en daarom niet het oordeel bestreden dat hij zijn problemen niet aannemelijk heeft gemaakt.  

4.    Bij regeling van 11 oktober 2016, nummer 750970, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: de regeling respectievelijk het VV 2000; Stcrt. 2016, 55444), heeft de minister Tunesië aangemerkt als veilig land van herkomst in de zin van artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000, maar niet voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (hierna: LHBTI's).

    In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst. Deze uitspraak heeft daarom ook betekenis voor andere vreemdelingen uit Tunesië van wie de minister de asielaanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. De Afdeling ziet daarin aanleiding het 'Tunisia 2016 Human Rights Reports' van het US Department of State, waarnaar de minister in het hogerberoepschrift heeft verwezen, te betrekken bij de beoordeling van de grieven.

5.    Bij uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, (onder 3.1 tot en met 3.5) is de Afdeling op het rechtskarakter en de toetsing van de regeling ingegaan en heeft zij de vereisten voor het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst uiteengezet. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat voor een dergelijke aanwijzing als norm geldt dat in het desbetreffende land algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76; hierna: het Vluchtelingenverdrag) en de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU; PB 2011 L 337), of behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) plaatsvindt. Bij uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:209 (onder 5.3 en 5.4), is de Afdeling nader ingegaan op het onderzoek naar en de beoordeling van een land als veilig land van herkomst. De Afdeling verwijst hier kortheidshalve naar.

De grief

6.    De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit zijn toelichting onvoldoende blijkt dat hij heeft onderzocht dat in Tunesië een daadwerkelijk beschikbaar systeem van rechtsmiddelen bestaat tegen schending van mensenrechten. Daartoe voert hij aan dat uit de toelichting bij de wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 blijkt dat hij dit wel degelijk heeft onderzocht en dat uit de informatiebronnen die hij heeft gebruikt bij zijn onderzoek of Tunesië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en uit de door hem gegeven toelichting ter zitting van de rechtbank, kan worden afgeleid dat in Tunesië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. De rechtbank is daarom ten onrechte tot onverbindendverklaring overgegaan, aldus de minister.

Onderzoek en beoordeling Tunesië

6.1.    De minister heeft de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst gemotiveerd in de bijlage van zijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 oktober 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 19637, nr. 2241). In die bijlage heeft hij verwezen naar informatie afkomstig uit het 'Amnesty International report 2015/2016. The state of the world's human rights', de Fragile States Index 2016 van The Fund for Peace, berichten van 28 september 2015, 16 december 2015 en 4 februari 2016 van Human Rights Watch over Tunesië, het rapport 'Tunesia: counterterror law endangers rights. Legislate safeguards against abuse' van Human Rights Watch en het rapport 'Freedom in the world 2016' van Freedom House. In zijn verweerschrift in beroep heeft de minister verwezen naar onder meer de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16228, over de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst, waarin hij de juridische en feitelijke situatie in Tunesië nader heeft toegelicht onder verwijzing naar het 'World report 2016' van Human Rights Watch. In hoger beroep heeft de minister wederom de juridische en feitelijke situatie in Tunesië nader toegelicht onder verwijzing naar voormelde rapporten en naar het onder 4 vermelde rapport van het US Department of State.

Juridische situatie (artikel 3.37f van het VV 2000)

6.2.    De minister heeft uit de door hem betrokken informatie terecht afgeleid dat er in Tunesië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt en het voor de autoriteiten van dat land mogelijk maakt om hiertegen bescherming te bieden. In die informatie staat dat Tunesië partij is bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het daarbij behorende (eerste) Facultatief Protocol, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het daarbij behorende Protocol.     Voorts staat in de door de minister betrokken informatie dat de grondwet bepaalt dat alle burgers gelijk zijn - zonder onderscheid - in rechten, vrijheden en algemene verplichtingen en dat discriminatie op grond van ras, geslacht, handicap, taal of sociale status verboden is. Daarbij is wel opgemerkt dat LHBTI's en vrouwen te maken hebben met wettelijke en sociale discriminatie. Ook staat in die informatie dat de grondwet voorziet in het recht op een eerlijk proces en onafhankelijke rechtspraak. Corruptie, mishandeling en marteling zijn strafbaar. Voor verdachten van een strafbaar feit geldt de presumptie van onschuld. De wet verbiedt willekeurige arrestatie en detentie en voorziet erin dat verdachten bij hun arrestatie worden gewezen op hun rechten en worden geïnformeerd over de feiten waarvan zij verdacht worden. Verdachten kunnen hun arrestatie of detentie aanvechten bij een rechtbank. Bij onwettige detentie bestaat recht op compensatie, al is de procedure daarvoor complex. Verder hebben verdachten recht op een eerlijk proces en bijstand van een advocaat, zo nodig op kosten van de staat, en recht op medische bijstand. Verdachten hebben in een procedure voor een militair gerecht dezelfde rechten als verdachten in een procedure voor een gewoon gerecht.

    Over de juridische situatie in Tunesië is ook gerapporteerd dat op 25 juli 2015 nieuwe antiterreurwetgeving is aangenomen die verstrekkender is dan de voorgaande wetgeving uit 2003 en die voorziet in verdergaande bevoegdheden voor de politie wat betreft toezicht en detentie, het gebruik van anonieme getuigen en het berechten van verdachten van terrorisme achter gesloten deuren.

    Ook volgt uit de gebruikte informatie dat huiselijk geweld, verkrachting buiten het huwelijk en seksuele intimidatie strafbaar is en dat er een wettelijk verbod is op dwangarbeid en kinderarbeid. Verder is vrijheid van religie neergelegd in de grondwet, al is de islam als staatsgodsdienst aangewezen en moet de president moslim zijn. Homoseksuele gedragingen zijn strafbaar.

Feitelijke situatie (artikel 3.37f van het VV 2000)

6.3.    Volgens het rapport van het US Department of State zijn de belangrijkste mensenrechtenproblemen in Tunesië de langzame en ondoorzichtige onderzoeken en vervolgingen van vermeende schendingen van mensenrechten door veiligheidsdiensten, willekeurige arrestaties en detenties van verdachten onder de antiterreurwetgeving en de inbreuk op rechten van LHBTI's. Dit rapport vermeldt dat er berichten zijn over overmatig geweld door veiligheidsdiensten en politie en over mishandelingen in politiebureaus en detentiecentra, veelal tijdens ondervraging in de eerste dagen na arrestatie, en dat de overheid de rechten van verdachten niet altijd respecteert. Ook blijkt daaruit dat de situatie in detentiecentra en gevangenissen onder de internationale norm ligt, vooral door overbevolking en slechte infrastructuur. Daarnaast staat in de door de minister betrokken informatie dat Tunesië op plaats 76 van de 168 plaatsen staat in de Transparency International 2015 Corruption Perceptions Index en dat 'kleine' corruptie veelvuldig voorkomt, vooral op het terrein van onroerend goed, landbouw, energie, mijnbouw, openbare aanbesteding, belastingontduiking, vervalsing van documenten en omkoping van het maatschappelijk middenveld. Voor vrouwen blijft huiselijk geweld problematisch. Verkrachting blijft taboe en vrouwen zien vanwege sociale druk vaak af van het doen van aangifte. Vrouwen en kinderen lopen risico slachtoffer te worden van sekshandel en gedwongen huishoudelijk werk, zowel binnen als buiten Tunesië. LHBTI's worden gediscrimineerd en onvoldoende beschermd tegen geweld.

    Tegelijkertijd vermelden de door de minister betrokken informatiebronnen dat er een systeem van rechtsmiddelen is. Volgens het rapport van het US Department of State respecteert de overheid over het algemeen de rechterlijke onafhankelijkheid en het recht op een eerlijk proces. Gevallen van onrechtmatig optreden van politie en veiligheidstroepen worden strafrechtelijk vervolgd, hoewel in enkele gevallen veiligheidsfunctionarissen niet meewerkten in het onderzoek. Ook vermeldt dit rapport dat het Committee Against Torture van de Verenigde Naties vooruitgang heeft geconstateerd in de aanpak van mishandeling en misbruik, ngo's worden toegelaten in gevangenissen, en de regering werkt aan verdergaande maatregelen om mishandeling in detentiecentra en gevangenissen te voorkomen, waaronder trainingen voor rechtshandhavers en rechters. Daarnaast bestaat een Independent National Authority for the Prevention of Torture, waarvan de leden - die zijn aangewezen door het parlement - onaangekondigd detentiecentra en gevangenissen inspecteren om beschuldigingen van mishandeling en marteling te onderzoeken. Ook kunnen zij verzoeken om strafrechtelijk onderzoek en aanbevelingen doen over maatregelen. Uit de door de minister betrokken informatie blijkt verder dat een High Committee for Human Rights and Fundamental Freedoms belast is met het toezicht op mensenrechten, in 2014 een Truth and Dignity Commission is ingesteld om onderzoek te doen naar mensenrechtenschendingen en politieke, sociale en economische misdaden die hebben plaatsgevonden tussen 1955 en 2013 en dat verschillende andere mensenrechtenorganisaties actief zijn. Verder is vermeld dat internationale en nationale mensenrechtenorganisaties zonder overheidsrestricties onderzoek hebben gedaan naar en hebben gepubliceerd over mensenrechtenschendingen en dat de overheid over het algemeen welwillend tegenover de bevindingen stond. In de gebruikte informatie staat ook dat de overheid stappen heeft ondernomen om wetgeving die corruptie strafbaar stelt te implementeren, al is dit nog niet altijd effectief. De grondwet van 2014 voorziet in de invoering van een Good Governance and Annti-Corruption Commission en er is een National Commission to Combat Corruption ingesteld met als taak corruptie te onderzoeken en te voorkomen.

    De overheid handhaaft over het algemeen de wetgeving tegen verkrachting. Ook respecteert de overheid over het algemeen het verbod op discriminatie en dwangarbeid. Er zijn geen meldingen van politieke gevangenen. Verder staat in de toelichting bij de aanwijzing dat Freedom House Tunesië heeft aangemerkt als een 'electoral democracy' en als een 'vrij land' waarbij het op een schaal van 1 tot 7 (1 meest vrij en 7 minst vrij) een score van 1 heeft voor 'political rights' en een score van 3 voor 'civil liberties'.

6.4.    Weliswaar blijkt uit de betrokken informatiebronnen dat in Tunesië het functioneren van politie en veiligheidsdiensten verbetering behoeft, de situatie in gevangenissen zorgelijk is en corruptie, huiselijk geweld en discriminatie voorkomen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat Tunesië om die reden in het algemeen niet veilig is. Dit kan anders zijn in individuele gevallen. Uit de informatiebronnen kan niet worden afgeleid dat de bestaande rechtsmiddelen zodanig gebrekkig zijn dat niet daadwerkelijk bescherming wordt geboden tegen eventuele vervolging of onmenselijke behandeling door overheidsfunctionarissen of derden. Evenmin kan uit de informatiebronnen worden afgeleid dat deze problemen op een dermate grote schaal voorkomen dat geconcludeerd moet worden dat Tunesië geen veilig land van herkomst is.

Conclusie toetsing van de aanwijzing

6.5.    Uit het vorenstaande volgt dat de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat er in Tunesië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. De minister heeft zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat in Tunesië algemeen gezien geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het ERVM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het VV 2000, waardoor zijn aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst aan de wettelijk voorgeschreven vereisten voldoet. De totstandkoming van de regeling, die onlosmakelijk verbonden is met de motivering over de juridische en feitelijke situatie in Tunesië, geeft geen aanleiding de regeling voor wat betreft de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst onverbindend te verklaren, aangezien de door de minister betrokken informatiebronnen, gelet op de onder 5 vermelde uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, voldoen aan de daaraan wettelijk gestelde vereisten. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van diezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2017:210, dat de gemaakte uitzondering voor LHBTI's niet in de weg staat aan die aanwijzing.

6.6.    Gelet hierop heeft de rechtbank de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst ten onrechte onverbindend verklaard.

    De grief slaagt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 februari 2017 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 februari 2017 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 maart 2017 in zaak nr. 17/4539;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2017

412-827.