Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201605686/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3062, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de opstallen op het perceel [locatie 1] te Elburg in afwijking van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605686/1/A1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Elburg,

tegen de uitspraak van de Gelderland van 9 juni 2016 in zaak nr. 15/1611 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de opstallen op het perceel [locatie 1] te Elburg in afwijking van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 10 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning gewijzigd.

Bij uitspraak van 9 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het college de aan [vergunninghoudster] verleende omgevingsvergunning opnieuw gewijzigd.   

[appellant] heeft daartegen gronden ingediend.  

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. oude Egbrink, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door H. Deenen, mr. J.D. Post en A. Bosman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.R. Koster, rechtsbijstandsverlener te Apeldoorn, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [vergunninghoudster] heeft op 19 juni 2014 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het gebruik van de opstallen op het perceel [locatie 1] ten behoeve van een indoorspeeltuin en (bedrijfs)feesten, onder de naam ‘[speeltuin]’. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan "Elburg & Oostendorp" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Sport-Manege". Het beoogde gebruik is in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] woont op de [locatie 2], dit is op korte afstand van [speeltuin] en de parkeerplaats aan de westzijde ervan. Hij vreest voor geluidsoverlast en dat een eventuele nieuwe exploitant op basis van de verleende vergunning nog meer overlast kan veroorzaken omdat de voorschriften van de vergunning onduidelijk zijn. Met het besluit van 8 juli 2014, zoals gewijzigd bij het besluit van 10 februari 2015, heeft het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht verleend voor het gebruiken van de huidige opstallen ten behoeve van de indoor speelfaciliteiten en het houden van bedrijfsfeesten.

2.    De rechtbank heeft het besluit van 10 februari 2015 vernietigd omdat in de verleende vergunning is voorgeschreven dat de bedrijfsfeesten een koppeling moeten hebben met de indoorspeeltuin, terwijl de vergunning volgens de rechtbank ook voor zelfstandige bedrijfsfeesten is aangevraagd. De rechtbank heeft het besluit voorts vernietigd omdat niet kan worden vastgesteld of de vergunde oppervlakte binnen de 1.500 m2 blijft, omdat niet duidelijk is of de plattegrond met parkeerplaatsen deel uitmaakt van de vergunning, omdat de voorschriften 2, 6, 8 en 9 onduidelijk zijn dan wel te ruim geformuleerd en omdat onduidelijk is of het akoestisch onderzoek van L. Groenewold van 2 oktober 2015 op juiste uitgangspunten berust.  

Beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank in overweging 17 tot en met 21 impliciet lijkt te hebben overwogen dat bedrijfsfeesten op het perceel zijn toegestaan mits er een duidelijker geformuleerd voorschrift is. Hij stelt dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn betoog dat bedrijfsfeesten op het perceel in ieder geval niet toelaatbaar zijn omdat een binding tussen de indoorspeeltuin en de bedrijfsfeesten onlogisch en niet handhaafbaar is.

3.1.    De rechtbank is in de overwegingen 17 tot en met 21 ingegaan op het betoog van [appellant] dat de voorschriften 6, 8 en 9 onduidelijk en daardoor niet handhaafbaar zijn. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat dit betoog slaagt. Uit het beroepschrift en het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat [appellant] in beroep primair heeft betoogd dat bedrijfsfeesten op het perceel in geen geval toelaatbaar zijn omdat deze geen binding hebben met de indoorspeeltuin.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank het besluit van 8 juli 2014 ten onrechte niet heeft herroepen. Hij stelt dat uit de beoordeling door de rechtbank niet blijkt dat de verleende omgevingsvergunning overeenkomt met hetgeen is aangevraagd.

4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college [appellant] (de Afdeling begrijpt [vergunninghoudster]) in de gelegenheid dient te stellen om haar aanvraag aan te passen. Anders dient het college de gevraagde vergunning te weigeren. De rechtbank heeft geoordeeld dat er verschillende gebreken aan de verleende omgevingsvergunning kleven. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het besluit op bezwaar voor vernietiging in aanmerking komt en dat de gebreken ter zitting voldoende met partijen zijn besproken, zodat het college in staat moet worden geacht een nieuwe besluit te nemen waarin de gebreken worden hersteld.

Hetgeen [appellant] aanvoert, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat het de rechtbank op voorhand duidelijk had moeten zijn dat de geconstateerde gebreken niet in een nieuw te nemen besluit op bezwaar konden worden hersteld. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 8 juli 2014 te herroepen.

    Het betoog faalt.      

5.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond.    

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 10 mei 2017  

6.    [vergunninghoudster] heeft op 30 december 2016 een aanvulling op haar aanvraag ingediend. Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het college [vergunninghoudster] een gewijzigde omgevingsvergunning verleend. Met het besluit wordt ook vergunning verleend voor het gebruik van het op de bij het besluit gevoegde situatietekening 1 aangeduide buitenterrein als parkeerterrein. Het besluit van 10 mei 2017 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

7.    [appellant] betoogt dat met het besluit van 10 mei 2017 geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank omdat de aanvraag nog steeds ziet op bedrijfsfeesten die geen binding hebben met de indoorspeeltuin. De door [vergunninghoudster] ingediende aanvulling is hiervoor, aldus [appellant], niet voldoende.

7.1.    In de op 30 december 2016 door [vergunninghoudster] ingediende aanvulling is toegelicht dat bij de te houden (bedrijfs)feesten, jubilea enz. een compleet arrangement aangeboden wordt, waarbij zowel kinderen als volwassenen gebruik maken van de indoorspeelhal en de te organiseren spelactiviteiten en daarnaast van de horeca-activiteiten. Voor volwassenen zullen in dat geval specifieke spellen worden geplaatst. Hierbij valt, aldus de aanvulling, te denken aan diverse krachtspellen, oud-Hollandse spellen, voetbalspel enz. De aanvulling maakt deel uit van de op 11 juni 2014 ingediende aanvraag en geeft een nadere invulling daaraan. In het besluit van 10 mei 2017 is toegelicht dat uit de aanvulling blijkt dat [vergunninghoudster] niet beoogt om (bedrijfs)feesten te organiseren los van de indoorspeelhal. De (bedrijfs)feesten zijn steeds gekoppeld aan de indoorspeelhal / de indoor speelfaciliteiten.

7.2.    De Afdeling is van oordeel dat de aanvraag om omgevingsvergunning, gelet op de op 30 december 2016 ingediende aanvulling, alleen ziet op (bedrijfs)feesten die een binding hebben met de indoorspeelhal/indoor speelfaciliteiten. Uit het besluit van 10 mei 2017 blijkt dat overeenkomstig deze aanvraag alleen (bedrijfs)feesten met een dergelijke binding op het perceel zijn toegestaan.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de verleende vergunning innerlijk  tegenstrijdig is omdat horeca-activiteiten integraal onderdeel uitmaken van een (bedrijfs)feest en er dus niet aan ondergeschikt kunnen zijn. Volgens [appellant] kan voorschrift 5 van de vergunning om die reden niet in stand blijven. Hij betoogt verder dat voorschrift 5 van de vergunning niet duidelijk is en daarom niet handhaafbaar. Volgens [appellant] is onvoldoende duidelijk wat wordt bedoeld met horeca-activiteiten die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de indoor speelfaciliteiten omdat niet duidelijk is hoe lang er van de speelfaciliteiten gebruik moet worden gemaakt. Ook voorschrift 6 van de vergunning is volgens [appellant] onvoldoende duidelijk omdat daaruit niet blijkt of consumpties, die alleen in de bijeenkomstruimten 1 en 2 mogen worden verstrekt, ook alleen daar mogen worden genuttigd.

8.1.    Voorschrift 5 van de vergunning luidt: "De horeca-activiteiten moeten ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de indoor speelfaciliteiten in de hal en de (bedrijfs)feesten, waarbij gebruik wordt gemaakt van die indoor speelfaciliteiten. Er mogen geen zelfstandige horeca-activiteiten worden ontplooid. Onder zelfstandige horeca-activiteiten verstaan wij horeca-activiteiten los van de indoor speelfaciliteiten in de hal en los van de (bedrijfs)feesten, waarbij gebruik wordt gemaakt van die indoor speelfaciliteiten."     

    Voorschrift 6 luidt: "Er mogen geen horeca-activiteiten ontplooid worden in de indoorspeelhal waar de indoor speelfaciliteiten staan. De horeca-activiteiten mogen alleen worden ontplooid in de bijeenkomstruimten 1 en 2, één en ander overeenkomstig de bij deze vergunning behorende en gewaarmerkte situatietekening 2."

8.2.    In de vergunning van 10 mei 2017 is toegelicht dat het begrip ondergeschikte horeca in artikel 1.54 van het bestemmingsplan is gedefinieerd als:

"het in verband met een andere hoofdactiviteit op een perceel verstrekken van eten en drinken tegen betaling voor gebruik ter plaatse, in die mate dat duidelijk herkenbaar is dat die hoofdactiviteit de kernactiviteit is die op het perceel plaatsvindt en het verstrekken van dat eten en drinken alleen plaatsvindt als beperkt en ondergeschikt onderdeel van en voortvloeiende uit de hoofdactiviteit."

Volgens de vergunning zijn de horeca-activiteiten passend bij het aangevraagde gebruik en kan er mee worden ingestemd indien deze ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de indoor speelfaciliteiten in de hal en de bedrijfsfeesten, waarbij gebruik gemaakt wordt van die  speelfaciliteiten, en mits die horeca-activiteiten beperkt blijven tot de bijeenkomstruimten 1 en 2. Horeca-activiteiten in de indoorspeelhal zelf, buiten de bijeenkomstenruimten 1 en 2 zijn niet toegestaan. Gelet op de aard en de inrichting van de voormalige rijhal, waaronder de grootte en de situering van de bijeenkomstruimten 1 en 2, de duur van de openingstijden van de indoorspeelhal en het horecabedrijf en het besloten karakter van de te organiseren (bedrijfs)feesten, acht het college het aannemelijk dat de horeca-activiteiten in dit geval ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de indoor speelfaciliteiten in de hal en de te organiseren (bedrijfs)feesten, waarbij gebruik gemaakt wordt van de indoor speelfaciliteiten.

8.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is met het besluit van 10 mei 2017 voldoende geborgd dat horeca op het perceel alleen in ondergeschikte vorm is toegestaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de twee bijeenkomstruimten een gezamenlijke oppervlakte hebben van 140 m2, terwijl de speelhal een oppervlakte heeft van 950 m2. Ter zitting heeft het college toegelicht dat voorschrift 6 van de vergunning zo moet worden begrepen dat consumpties alleen in de bijeenkomstruimten mogen worden genuttigd en niet in de speelhal, [vergunninghoudster] heeft dit bevestigd. Uit voorschrift 5 vloeit voort dat een te organiseren (bedrijfs)feest in ieder geval gekoppeld dient te zijn aan het gebruik van de speelfaciliteiten in de hal. Gelet op die voorwaarde is de Afdeling van oordeel dat het in dit geval niet innerlijk tegenstrijdig is dat horeca-activiteiten ondergeschikt dienen te zijn aan een (bedrijfs)feest. Ter zitting heeft het college desgevraagd nader toegelicht dat uit de voorschriften voortvloeit dat een (bedrijfs)feest alleen is toegestaan indien de gasten daadwerkelijk van de speelfaciliteiten gebruik maken. Indien een groep voor het grootste deel uit volwassenen bestaat, betekent dit dat deze volwassenen moeten deelnemen aan de spellen die voor hen in de speelhal worden georganiseerd en/of geplaatst, het is dan niet voldoende dat alleen de aanwezige kinderen deelnemen. Zelfstandige horeca-activiteiten zijn derhalve niet toegestaan en daarop zal volgens het college ook worden gehandhaafd. Dat de vergunning niet bepaalt hoe lang er van de speelfaciliteiten gebruik moet worden gemaakt, betekent niet dat voorschrift 5 van de vergunning onvoldoende duidelijk en om die reden niet handhaafbaar is.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt dat voorschrift 7 van de verleende vergunning onvoldoende rechtszekerheid biedt omdat hierin de openingstijden worden gekoppeld aan het houden van een (bedrijfs)feest. Het is echter niet duidelijk wanneer er een (bedrijfs)feest wordt gehouden omdat het college niet in staat is om te controleren of een feest door een bedrijf wordt georganiseerd.

9.1.    Voorschrift 7 van de vergunning luidt: "Indien er geen (bedrijfs)feest wordt gehouden dan gelden voor de indoor speelhal en de bijeenkomstruimten 1 en 2 de volgende openingstijden: woensdag tot en met zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur. Ingeval van een (bedrijfs)feest (waarbij gebruik wordt gemaakt van de indoor speelfaciliteiten) gelden de volgende openingstijden voor de indoor speelhal en de bijeenkomstruimten 1 en 2: woensdag en donderdag van 10.00 tot 18.00 uur, vrijdag van 10.00 uur tot zaterdag 1.00 uur en op zaterdag van 10.00 uur tot 24.00 uur. De indoor speelhal en bijeenkomstruimten 1 en 2 zijn op zondagen gesloten.

9.2.    Het onderscheid tussen het tegen betaling voor publiek opengestelde gebruik van de indoorspeelhal door kinderen en het gebruik van de indoor speelhal, al dan niet door kinderen, in het kader van een besloten (bedrijfs)feest is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk. In hetgeen [appellant] zonder nadere motivering heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het voor het college niet controleerbaar is of in de speelhal en de bijeenkomstruimten een (bedrijfs)feest wordt georganiseerd. Niet valt in te zien dat dit voorschrift onvoldoende rechtszekerheid biedt.

    Het betoog faalt.

9.3.    [appellant] betoogt dat de openingstijden niet duidelijk zijn omdat de maandag, de dinsdag en feestdagen niet zijn geregeld. Daarnaast is alleen bepaald dat alle bedrijfsfeesten waarbij gebruik wordt gemaakt van de indoorspeelhal aan de openingstijden zijn gebonden. Voor een bedrijfsfeest waarbij dit niet het geval is, gelden deze openingstijden kennelijk niet, aldus [appellant].

9.4.    In voorschrift 7 van de vergunning staan de openingstijden van [speeltuin]. Dat de maandag, de dinsdag en feestdagen daarbij, anders dan de andere dagen, niet expliciet zijn genoemd, betekent dat [speeltuin] op die dagen niet geopend mag zijn. In voorschrift 5 van de vergunning is bepaald dat bedrijfsfeesten alleen zijn toegestaan als daarbij gebruik wordt gemaakt van de indoorspeelhal.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt dat geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank omdat uit de vergunning niet blijkt hoeveel vierkante meter er wordt vergund. Hij stelt verder dat de opslag op situatietekening 2 ontbreekt.

10.1.    In het besluit van 10 mei 2017 staat dat de vergunning wordt verleend voor een indoorspeelhal met een oppervlakte van 950 m2, een bijeenkomstruimte met een oppervlakte van 60 m2, een bijeenkomstruimte met een oppervlakte van 80 m2, een keuken van 12 m2, een toiletlokaal en een entree annex geluidsluis. Al deze ruimten zijn ingetekend op situatietekening 2, die deel uitmaakt van de verleende vergunning. Een opslag is niet vergund omdat die in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag en faalt om die reden.    

11.    [appellant] voert verder aan dat verlening van de vergunning in strijd is met artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheden van de gemeente Elburg (hierna: de Beleidsregels). Hij betoogt dat na 18.00 uur niet wordt voldaan aan het criterium dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost omdat in de vergunning is bepaald dat het westelijk deel van het parkeerterrein in de avonduren niet mag worden gebruikt.

11.1.    Voorschrift 1 van de vergunning luidt: "U dient minimaal 98 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en in stand te houden, één en ander conform de van de omgevingsvergunning deel uitmakende gewaarmerkte situatietekening 3."

    Voorschrift 2 luidt: "U dient het parkeren op het westelijk gedeelte van het parkeerterrein (zie situatietekening 1) gedurende de openstelling tegen te gaan door middel van een afsluitbare voorziening. Het westelijk terrein mag alleen in gebruik worden genomen in de dagperiode, tot 18.00 uur, als er meer dan 50 van de aan de voorzijde van het pand gelegen parkeerplaatsen in gebruik zijn genomen door voertuigen van bezoekers.

    Artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels luidt: "Voor het verlenen van medewerking aan een afwijking van het bestemmingsplan geldt als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost dient te worden zonder gebruik te maken van het gemeentelijk parkeerfonds."

11.2.    In het besluit van 10 mei 2017 staat dat voor de indoorspeeltuin is uitgegaan van een norm van 7,6 parkeerplaats per 100 m². Dit leidt, inclusief de parkeerbehoefte die hoort bij de ook op het perceel voorziene opslag, tot een parkeerbehoefte van 98 parkeerplaatsen. De Afdeling stelt vast dat uit de situatietekeningen 1 en 3 blijkt dat het westelijk deel van het parkeerterrein 37 van de in totaal 98 parkeerplaatsen omvat. Na 18.00 uur zijn er dus 61 parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de voorwaarde dat het westelijk deel van de parkeerterrein in de avond niet mag worden gebruikt in de vergunning is opgenomen om de geluidsoverlast voor de omwonenden zoals [appellant] te beperken. De parkeerbehoefte van 98 parkeerplaatsen is gebaseerd op het gebruik van de gehele indoorspeelhal, terwijl het te verwachten is dat na 18.00 uur nog slechts een gedeelte van de speelhal in het kader van een (bedrijfs)feest zal worden gebruikt. Gelet op de relatief geringe omvang van de bijeenkomstruimten van in totaal 140 m2, is het niet te verwachten dat de parkeerbehoefte na 18.00 uur groter is dan de 61 parkeerplaatsen die beschikbaar zijn. [appellant] heeft ter zitting desgevraagd erkend dat het niet vaak voorkomt dat er onvoldoende parkeergelegenheid is op dat gedeelte van het terrein. Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook voor het parkeren na 18.00 uur wordt voldaan aan het in de Beleidsregels verwoorde uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost.

12.    [appellant] betoogt verder dat verlening van de vergunning ook in strijd is met de Beleidsregels omdat de verkeersveiligheid wordt aangetast. Hij stelt dat niet wordt voldaan aan de door de provincie Gelderland gestelde criteria en dat uit de stukken niet blijkt dat er daadwerkelijk overleg met de provincie heeft plaatsgevonden, zoals in het besluit van 10 mei 2017 is gesteld.

12.1.    Over de verkeersveiligheid is in het besluit van 10 mei 2017 gesteld dat er, hoewel niet verplicht, op ambtelijk niveau overleg met de provincie Gelderland heeft plaatsgevonden omdat de Zuiderzeestraatweg Oost en de belangrijkste hierop aansluitende wegen in beheer zijn bij de provincie. Vanuit de provincie is aangegeven dat aanpassing van de huidige uitweg naar de Zuiderzeestraatweg Oost niet noodzakelijk is. Hetgeen [appellant] betoogt vormt geen aanleiding om te betwijfelen dat het in het besluit genoemde ambtelijk overleg daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Evenmin wordt daarin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een situatie waarin de verkeersveiligheid onevenredig wordt aangetast, zodat artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels zich niet tegen medewerking verzet. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat het beoogde gebruik wat betreft aard en intensiteit uit oogpunt van verkeersveiligheid niet wezenlijk verschilt van het thans ingevolge het bestemmingsplan toegestane gebruik.    

    Het betoog faalt.    

13.    Over het aspect geluid betoogt [appellant] dat het akoestisch onderzoek van L. Groenewold van 26 april 2017, dat aan de verlening van de vergunning ten grondslag is gelegd, is gebaseerd op de veronderstelling dat er geen muziek wordt gedraaid in de indoor speelhal, terwijl in de vergunning geen voorschrift is opgenomen dat dit verbiedt. Hierdoor is met de vergunning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat  geborgd. Verder betoogt [appellant] dat ten onrechte niet is gemotiveerd waarom wordt afgeweken van de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG (hierna: de brochure). Volgens [appellant] kan de speelhal worden vergeleken met een sporthal, waarvoor een richtafstand van 50 m geldt. De afstand van zijn woning tot de speelhal is 40 m, de afstand tot het parkeerterrein bedraagt 20 m. [appellant] stelt verder dat het onvoldoende is dat in voorschrift 4 van de vergunning alleen is geborgd dat vergunninghoudster na 23.00 uur dient zorg te dragen voor een adequaat toezicht op het ordelijk vertrek van de bezoekers.

13.1.    Het college en [vergunninghoudster] hebben ter zitting toegelicht dat er geen vergunning is gevraagd voor het draaien van muziek in de indoor speelhal en dat de verleende vergunning daar dus ook niet op ziet. Het akoestisch onderzoek is om die reden terecht gebaseerd op de veronderstelling dat er in de indoor speelhal geen muziek zal worden gedraaid. In het akoestisch onderzoek van 26 april 2017 is toegelicht dat op grond van de brochure voor een overdekte speelhal voor geluid kan worden uitgegaan van een richtafstand van 30 m. Verder is toegelicht dat de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet worden overschreden. Om ook aan de normen uit het Activiteitenbesluit voor het maximaal geluidsniveau te voldoen, is in de vergunning bepaald dat langs de westzijde van het perceel een scherm van 2 m hoogte moet worden opgericht. Daarnaast is in de vergunning voorgeschreven dat in de avond en nacht niet mag worden geparkeerd op het westelijk deel van het parkeerterrein. Gelet op het verrichte akoestisch onderzoek en de daarin voorgeschreven maatregelen, ziet de Afdeling, ook indien voor een overdekte speelhal zou moeten worden uitgegaan van een richtafstand van 50 m, geen aanleiding voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om de vergunning te weigeren. Daarbij is van belang dat de in de brochure genoemde afstanden richtafstanden zijn, waarvan op basis van de lokale omstandigheden kan worden afgeweken. De Afdeling volgt [appellant] ook niet in zijn betoog dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de in voorschrift 4 opgenomen verplichting van vergunninghoudster om na 23.00 uur zorg te dragen voor toezicht op het ordelijk vertrek van de gasten. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit voorschrift onvoldoende waarborg biedt dat de in het Activiteitenbesluit gestelde geluidsnormen niet zullen worden overschreden.

    Het betoog faalt.

14.       [appellant] betoogt dat het college het besluit van 10 mei 2017 op basis van een onjuiste belangenafweging heeft genomen. Hij stelt dat niet is onderkend dat het gebruik van de opstallen op het perceel ten behoeve van [speeltuin] intensiever is dan het gebruik ten behoeve van de voormalige manege.

14.1.    In het besluit van 10 mei 2017 is toegelicht dat het gewijzigde gebruik naar het oordeel van het college niet leidt tot een in ruimtelijk opzicht ingrijpende, voor derden nadelige wijziging van de bestaande bestemming. Het gewijzigde gebruik van de rijhal en de voormalige manege is volgens het college minder intens dan in de oude situatie. In de nieuwe situatie vinden alle activiteiten inpandig plaats. Alleen in geval van een besloten (bedrijfs)feest vinden op vrijdag en zaterdag ook ’s-avonds activiteiten plaats. Een functie zoals aangevraagd wordt bij voorkeur aan de rand van de kernen gesitueerd, zoals hier het geval is. De nieuwe functie leidt tot een doelmatig gebruik van bestaand vastgoed, waardoor leegstand wordt voorkomen.      

14.2.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] betoogt geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vergunde afwijking van het bestemmingsplan niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het college heeft voldoende onderzoek verricht naar de nadelige gevolgen van de verleende vergunning voor de omwonenden. Om deze nadelige gevolgen te beperken is een aantal beperkende voorschriften in de vergunning opgenomen.

    Het betoog faalt.

15.    Het beroep tegen het besluit van 10 mei 2017 is ongegrond.

16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep ongegrond.

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van burgmeester en wethouders van Elburg van 10 mei 2017, nr. 2014-0655, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017

357-845.