Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201706672/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:3891, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706672/1/V2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 juli 2017 in zaak nr. 17/5771 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 24 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. der Bedrosian, advocaat te Enschede, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Onder de minister wordt tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

2.    De minister klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd heeft gehandeld met Werkinstructie 2015/9 (hierna: WI 2015/9), door fotomateriaal dat de vreemdeling heeft ingebracht niet onverwijld en uit eigen beweging te retourneren en dat fotomateriaal te betrekken bij de beoordeling. Hij betoogt hiertoe dat overgelegd seksueel getint beeldmateriaal weliswaar in de regel onverwijld wordt geretourneerd, maar dat er in dit geval aanleiding bestond af te wijken van WI 2015/9. Dit heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet gedaan om het materiaal bij zijn beoordeling te betrekken, maar om het materiaal aan te bieden aan opsporingsdiensten voor onderzoek naar mogelijk strafbare feiten.

2.1.    Het overgelegde beeldmateriaal is seksueel getint. Weliswaar moet de minister dergelijk materiaal, zoals hij zelf ook aangeeft, gelet op WI 2015/9, in beginsel onverwijld retourneren, maar hij voert terecht aan dat hij hiertoe in dit geval niet verplicht was. Op het door de vreemdeling overgelegde beeldmateriaal waren immers mogelijk minderjarigen en derhalve strafbare feiten te zien. De minister kan in dat geval het materiaal aan opsporingsinstanties aanbieden voor nader onderzoek. De rechtbank heeft de minister dan ook ten onrechte verweten dat hij het materiaal niet onverwijld heeft geretourneerd. Nu voorts uit het onderzoek is gebleken dat er op het beeldmateriaal inderdaad strafbare feiten te zien zijn, bestond voor de minister geen aanleiding het materiaal op een later moment alsnog te retourneren. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat de minister het beeldmateriaal bij zijn beoordeling heeft betrokken. Zoals de minister terecht aanvoert, heeft hij geen standpunt ingenomen over de inhoud van het beeldmateriaal en dit materiaal niet betrokken bij de beoordeling of de door de vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid geloofwaardig is, maar heeft hij zich alleen op het standpunt gesteld dat het gezien de risico's vreemd is dat de vreemdeling in een land als Irak in het bezit was van beeldmateriaal van homoseksuele handelingen. Hiermee handelt hij niet in strijd met WI 2015/9. Een dergelijk standpunt kan hij ook innemen bij beeldmateriaal dat hij retourneert of als een vreemdeling slechts over het bezit van dat materiaal heeft verklaard.

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 juli 2017 in zaak nr. 17/5771;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2017

802.