Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2775

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201706089/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerklaan-Postlaantje" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706089/2/R6.

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd te Ermelo,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Ermelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerklaan-Postlaantje" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door T. van Essen en ir. K. Mol, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Stichting Uwoon, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van de gronden tussen de Kerklaan en het Postlaantje te Ermelo met 62 appartementen en 363 m2 aan commerciële ruimte. Initiatiefnemer is Woonstichting Uwoon.

    In de bestaande situatie zijn aanwezig een voormalige school 'De Wegwijzer', die later als activiteitencentrum en gezondheidscentrum in gebruik was, een aantal appartementen en een aantal garageboxen.

3.    [verzoeker] en anderen zijn omwonenden van het plangebied. Hun verzoek strekt tot schorsing van het plan om onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

4.    Uwoon heeft ter zitting te kennen gegeven zo spoedig mogelijk met de uitvoering van het plan een aanvang te willen maken en een aanvraag omgevingsvergunning in te dienen, mede in verband met een verleende provinciale subsidie, zodat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

5.    [verzoeker] en anderen, die hun belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving benadrukken, voeren aan dat in het plangebied nesten van huismussen aanwezig zijn die jaarrond zijn beschermd. Voor de verstoring/vernieling daarvan kan enkel op basis van een in de Vogelrichtlijn genoemd belang ontheffing worden verleend, welk belang zich in dit geval volgens [verzoeker] en anderen onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling niet voordoet. Volgens hen zijn de voorgestelde maatregelen onvoldoende om de huismus te beschermen, zodat het plan in strijd is met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en derhalve niet uitvoerbaar is. Ook wijzen zij er op dat het college van burgemeester en wethouders het onderzoek naar de huismus van 9 mei 2017, waaruit is gebleken dat zich in het plangebied nesten van huismussen bevinden, ten onrechte niet aan de raad heeft gestuurd, waardoor de raad onvolledig is geïnformeerd.

5.1.    In het onderzoek van 9 mei 2017 staat dat de planontwikkeling een negatief effect heeft op de voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaats en een deel van het leefgebied van de strikt beschermde huismus. Door voldoende mitigerende maatregelen te treffen worden negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van deze soort echter voorkomen.

    De te treffen maatregelen zijn als volgt omschreven:

"1. Plaatsen van 12 tijdelijke nestlocaties nabij huidige nestlocaties;

2. Slopen van de gebouwen buiten het broedseizoen (dus buiten 15 maart -15 augustus);

3. Inbouwen van 12 permanente nestlocaties in de nieuwe woningen;

4. Optimalisatie van het inrichtingsplan t.b.v. leefgebied voor de huismus.

Deze maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder begeleiding van een deskundige op het gebied van (huis)mussen."

    Voorts is vermeld dat in verband met de tijd die de soort nodig heeft om aan de nieuwe verblijfplaatsen te wennen, de tijdelijke nestlocaties minimaal drie maanden voorafgaand aan de sloop geplaatst dienen te worden.

    Op basis van dit onderzoek is inmiddels een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb bij het bevoegd gezag ingediend, waarop nog niet is beslist.

5.2.    De nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Dit betekent dat de nesten op grond van de Wnb ook buiten het broedseizoen niet zonder meer mogen worden aangetast. Dat is slechts toegestaan als is geconstateerd dat de nesten niet meer in gebruik zijn. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar overweging 7.8 van de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836.

    Ter zitting heeft Uwoon toegezegd het schoolgebouw, waar de nesten zich bevinden, niet eerder te slopen dan nadat een ecoloog heeft vastgesteld dat de nesten niet meer in gebruik zijn. Volgens [verzoeker] en anderen is dit onvoldoende om vast te stellen dat de als permanente verblijfplaatsen te kwalificeren nesten definitief zijn verlaten. Nu onduidelijk is op welk moment moet worden vastgesteld dat de nesten niet meer in gebruik zijn en niet valt uit te sluiten dat het eerstvolgende broedseizoen geheel moet worden afgewacht om zeker te zijn dat de voorgestelde maatregelen doeltreffend zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het plan gedurende de bodemprocedure te schorsen. Bij deze beslissing speelt ook een rol dat voorshands niet is uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat het onderzoek van 9 mei 2017 aan de raad had moeten worden voorgelegd. De door de raad gestelde omstandigheid dat het plan al op 4 april 2017 door het college van burgemeester en wethouders aan de raad was aangeboden maakt dat niet anders, nu niet valt in te zien dat het onderzoek gelet op de vaststellingsdatum van 8 juni 2017 niet alsnog aan de raad had kunnen worden voorgelegd.

6.    [verzoeker] en anderen betogen ook dat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. Daarbij voeren zij aan dat bij de parkeerberekening ten onrechte is uitgegaan van het verschil tussen de bestaande en de nieuwe situatie, nu de bestaande situatie grotendeels al langer geleden is beëindigd en het plangebied geheel opnieuw zal worden ingericht. Voorts wordt hierbij ten onrechte uitgegaan van een theoretisch bestaande situatie op grond van het voorgaande plan. Verder is ten onrechte van slechts 8 bestaande parkeerplaatsen uitgegaan, nu feitelijk veel meer parkeerplaatsen aanwezig zijn. Daartoe behoren de parkeerplaatsen bij het gezondheidscentrum en de parkeerplaatsen in de garageboxen, aldus [verzoeker] en anderen.

6.1.    In de plantoelichting staat dat het benodigde aantal parkeerplaatsen is berekend door de behoefte van de bestaande situatie (41,1) af te trekken van de parkeerbehoefte van het bestemmingsplan (85,6). Volgens die berekening moeten derhalve 44,5 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Bij dit aantal zijn de 8 huidige parkeerplaatsen in het plangebied die komen te vervallen opgeteld. Dat resulteert dan in een aantal van (afgerond) 52,5 te realiseren parkeerplaatsen bij een maximale, representatieve invulling van het plangebied. Zoals in het stedenbouwkundig plan is aangegeven is in het plangebied ruimte voor 54 parkeerplaatsen, aldus de plantoelichting.

6.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1426, stelt de voorzieningenrechter voorop dat, anders dan bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een concreet bouwplan, de raad in het kader van de vaststelling van een bestemmingplan dient te beoordelen of zich reeds een parkeertekort voordoet en in hoeverre door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkelingen zich daartoe verhouden.

    Voorts betwijfelt de voorzieningenrechter of bij het bepalen van de parkeerbehoefte in de bestaande situatie kan worden afgegaan op een maximale invulling van de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan, indien de feitelijk bestaande parkeerbehoefte daarvan afwijkt.

    Verder acht de voorzieningenrechter onvoldoende inzichtelijk dat alle bestaande parkeerplaatsen bij de vergelijking zijn betrokken. Zo valt niet uit te sluiten dat de parkeerplaatsen bij het gezondheidscentrum, die als gevolg van het plan zullen verdwijnen, ook voor het parkeren ten behoeve van andere functies worden gebruikt.

    Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het plan voorshands onvoldoende gemotiveerd wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen.

7.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen aanleiding voor schorsing van het plan.

8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Ermelo van 8 juni 2017, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerklaan-Postlaantje";

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Ermelo tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Ermelo aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Hupkes

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017

635.