Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
201706994/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706994/2/R6.

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk (hierna: MMN), gevestigd te Maarn, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer MMN beroep ingesteld.

MMN heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

MMN en Wolfswinkel Reiniging B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar MMN, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door G. Veenstra, mr. K. Vreeker en dr. J. Beekmans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Wolfswinkel Reiniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door [gemachtigde].

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Ambachtsweg ten zuiden van de Haarweg ten oosten van Maarsbergen, in 18 vrije woonkavels, 6 woningen in de sociale sector en een vervangende woning voor de woning aan Haarweg 52. Rondom het nieuwe bedrijventerrein voorziet het plan in natuurontwikkeling.

3.    Het verzoek van MMN strekt tot schorsing van het plan. Hiermee wil zij voorkomen dat waardevol bosgebied en het omliggende landschap worden aangetast.

4.    Ter zitting is gebleken dat initiatiefnemer Wolfswinkel Reiniging wil aanvangen met de kap van de resterende bomen en het aanleggen van onder meer bouwwegen. Voorts zijn de gronden in het plangebied gedeeltelijk doorverkocht aan derden, die een omgevingsvergunning voor bouwen kunnen aanvragen. Het plan vormt daarvoor na inwerkingtreding het toetsingskader. De voorzieningenrechter stelt vast dat hiermee sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

5.    MMN betoogt dat onvoldoende behoefte bestaat aan het voorziene bedrijventerrein. Hiertoe voert zij aan dat de marktregio is gebaseerd op een niet representatief percentage aan verhuisbewegingen van bedrijven. Voorts voert zij aan dat goed bereikbare nabijgelegen bedrijventerreinen waar nog ruimte beschikbaar is ten onrechte buiten de marktregio zijn gehouden door uit te gaan van gemeentegrenzen. Verder zijn niet alle bestemmingsplannen binnen de marktregio bij het harde planaanbod betrokken. Voorts betoogt MMN dat ten onrechte is uitgegaan van het scenario maximaal. Verder is volgens MMN ten onrechte niet onderzocht of binnen bestaand bebouwd gebied in de behoefte kan worden voorzien. Zij achten het plan op deze punten in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 3.20, derde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (Herijking 2016) (hierna: PRV)

    Verder acht zij het plan in strijd met artikel 3.20, tweede lid, van de PRV. Daarbij voeren zij onder meer aan dat geen maatregelen in het herstructureringsplan zijn opgenomen om structurele leegstand op bestaande bedrijventerreinen aan te pakken.

5.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

    b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en

(…);"

5.2.    Artikel 3.20, tweede lid, van de PRV luidt: "Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Toekomstig bedrijventerrein’ kan bestemmingen en regels bevatten voor nieuwvestiging van bedrijventerreinen of uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen zoals genoemd in de bijlage Bedrijventerreinen, onder het kopje uitbreiding, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    a. de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen is verzekerd door middel van een herstructureringsplan, en

    b. de nieuwvestiging of uitbreiding plaatsvindt in aansluiting op het stedelijk gebied, tenzij de bestemmingen en regels betrekking hebben op het toekomstige bedrijventerrein voor de locatie Amstelhoek en dat bedrijventerrein verplaatsing van bedrijven gevestigd in De Ronde Venen mogelijk maakt, en

    c. de nieuwvestiging of uitbreiding wordt in samenhang ontwikkeld met de herstructurering van een bestaand bedrijventerrein waarbij de hoeveelheid nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein in evenredige verhouding staat tot omvang van de herstructurering van één of meerdere bestaande bedrijventerreinen, en

    d. de tijdige realisering van de herstructurering is verzekerd, en

    e. de nieuwvestiging of uitbreiding draagt bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone en

    f. in de regels is door middel van een voorwaardelijke verplichting verzekerd dat de nieuwvestiging en uitbreiding pas kan plaatsvinden indien aan de voorwaarden a tot en met e is voldaan.

(…)"

    Artikel 3.20, derde lid, luidt: "De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Toekomstig bedrijventerrein’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan, een verantwoording waarbij de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen als gevolg van de vervangings- en uitbreidingsvraag wordt onderbouwd en een verantwoording waaruit blijkt dat de nieuwvestiging of uitbreiding in overeenstemming is met het regioconvenant."

5.3.    De raad heeft het onderzoek "Update Ladder en marktanalyse Maarsbergen Oost" van 5 april 2017, dat is uitgevoerd door Stec Groep (hierna: het marktonderzoek) aan het plan ten grondslag gelegd. Hierin is de marktregio bepaald aan de hand van verhuisbewegingen van bedrijven. Vermeld is dat 116 verhuisbewegingen binnen de regio Zuidoost-Utrecht hebben plaatsgevonden, waarvan het merendeel binnen de eigen gemeente. MMN voert aan dat daar tegenover staat dat 54 verhuisbewegingen tussen de regio Zuidoost-Utrecht en bedrijventerreinen daar buiten hebben plaatsgevonden. Voorts heeft MMN gewezen op het via de A12 goed bereikbare bedrijventerrein De Klomp Oost, dat net buiten de gekozen regio ligt, maar feitelijk grenst aan een bedrijventerrein dat wel binnen de regio ligt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is uitgegaan van de gekozen marktregio.

    Voorts is in het marktonderzoek gekozen voor het maximale scenario voor de vraagraming voor de provincie Utrecht. De voorzieningenrechter sluit gelet op de verschillende door MMN aangevoerde argumenten niet uit dat een lager scenario meer reëel is. Overigens is niet in geschil is dat het bedrijventerrein Broekweg in Wijk bij Duurstede bij de beoordeling had moeten worden betrokken. Dat zou de uitkomst van een lager scenario verder beïnvloeden.

    Verder heeft de raad weliswaar een herstructureringsplan als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de PRV vastgesteld, maar deze heeft slechts betrekking op het bestaande bedrijventerrein dat wordt uitgebreid. Vast is komen te staan dat ter plaatse geen sprake is van leegstand boven het gewenste niveau. Het herstructureringsplan heeft ook geen betrekking op het tegengaan van leegstand. Op andere bedrijventerreinen binnen de gemeente is wel sprake van leegstand boven het gewenste niveau. De voorzieningenrechter is er voorshands niet van overtuigd dat de verplichting uit 3.20 van de PRV in geval van uitbreiding alleen betrekking heeft op het uit te breiden bedrijventerrein. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de toelichting bij het artikel is vermeld dat nieuwvestiging of uitbreiding alleen mogelijk is als er een lokaal of regionaal afgestemd herstructureringsplan is en de tijdige realisering van de herstructurering ook economisch en financieel uitvoerbaar is. Van een herstructureringsplan als hiervoor bedoeld voor de overige bedrijventerreinen in de gemeente is niet gebleken. MMN stellen naar voorlopig oordeel terecht dat niet valt uit te sluiten dat door de herstructurering van andere bestaande bedrijventerreinen binnen de gemeente binnen bestaand bebouwd gebied al dan niet gedeeltelijk in de behoefte kan worden voorzien.

    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen MMN ten aanzien van de behoefte aan nieuw bedrijventerrein heeft aangevoerd aanleiding tot gerede twijfel of voldaan is aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 3.20, tweede en derde lid, van de PRV.

6.    MMN betoogt dat geen adequate ontsluiting van het bedrijventerrein op deze locatie mogelijk is. MMN wijst onder meer op de Rottegatsteeg en de Griftdijk, die volgens haar te smal zijn om het verkeer vanwege het bedrijventerrein op een verkeersveilige manier te verwerken. Zij wijst onder meer op de situatie van de Griftdijk, waar gelet op de naastgelegen sloot voor twee passerende vrachtwagens te weinig ruimte overblijft. Voorts is verbreding van de Rottegatsteeg en de Griftdijk volgens MMN niet mogelijk vanwege de landschappelijke en ecologische waarden van de naastgelegen gronden.

6.1.    In de plantoelichting staat dat een verkeerskundige knip in de Haarweg zal worden aangebracht. Het vrachtverkeer vanwege het bedrijventerrein zal via de Rottegatsteeg en de Griftdijk worden ontsloten. Vermeld is dat het wegprofiel van de Griftdijk aangepast zal worden. In de plantoelichting en het rapport "Verkeerskundig onderzoek bestemmingsplan Maarsbergen - Oost" van november 2016, uitgevoerd door Royal HaskoningDHV, is evenwel niet vermeld op welke wijze de Rottegatsteeg en de Griftdijk zullen worden aangepast. Voorts is niet inzichtelijk in hoeverre dit gelet op de landschappelijke en ecologische waarden mogelijk is.

    In hetgeen MMN in zoverre heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorshands aanleiding voor het oordeel dat de ontsluiting, met name wat betreft de Griftdijk, onvoldoende is gemotiveerd.

7.    Gelet op het vorenstaande, en de samenhang tussen de verschillende plandelen, ziet de voorzieningenrechter ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen aanleiding voor schorsing van het gehele plan.

8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 29 juni 2017 van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug tot vaststelling van het bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen Oost";

II.    gelast dat de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan de Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Hupkes

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017

635.